Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:396

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
18/1767, 18/1772 en 18/1773
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

- Regeling fosfaatreductieplan 2017

- Hardheidsclausule

- Artikel 13, derde lid, Landbouwwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 18/1767, 18/1772 en 18/1773

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2020 in de zaak tussen

V.O.F. [naam] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante

(gemachtigde: mr. E.U.H. van de Schepop),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. S.J.E. Loontjens en mr. M. Krari).

Procesverloop

Bij besluiten van 1 december 2017, 27 januari 2018 en 17 februari 2018 (hierna tezamen en in enkelvoud: het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante hoge geldsommen opgelegd van € 931,00 voor periode 4 en van € 7.099,00 voor periode 5 en een bonusgeldsom toegekend van € 148,00 voor periode 3.

Bij besluit van 16 juni 2018 heeft verweerder de aan appellante opgelegde hoge geldsommen voor periode 4 en 5 gewijzigd naar € 1.406,00 en € 7.829,00.

Bij te onderscheiden besluiten van 10 juli 2018 (hierna tezamen en in enkelvoud: het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2020. Namens appellante zijn [naam 2 en 3] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding

  1. Verweerder heeft appellante, die een melkveebedrijf exploiteert, hoge geldsommen opgelegd voor periode 4 en 5 en een bonusgeldsom toegekend voor periode 3. Bij de berekeningen voor deze perioden heeft verweerder het jongveegetal toegepast. Het jongveegetal is toegepast vanwege de afvoer van een rund dat op het moment van afvoer ouder dan 35 dagen was. Het gaat hier om het kalf met levensnummer NL 638091214 (hierna: het kalf).

  2. Appellante is het daar niet mee eens en heeft meerdere beroepsgronden naar voren gebracht. Appellante maakt hierbij een onderscheid tussen gronden over de totstandkoming en motivering van het besluit en een grond over toepassing van de hardheidsclausule. De gronden over de totstandkoming en motivering, voor zover gehandhaafd, falen. De grond over de hardheidsclausule slaagt. Het College zal hierna motiveren waarom dat zo is.

Totstandkoming en motivering van het bestreden besluit

3. Ter zitting heeft appellante haar beroepsgrond, dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet op bepaalde onderdelen van haar bezwaargronden is ingegaan, laten vallen. Wel heeft zij ter zitting nog een nieuwe beroepsgrond naar voren gebracht, namelijk dat tijdens de hoorzitting en in het bestreden besluit ten onrechte geen aandacht is besteed aan het besluit van
16 juni 2018. Met deze beroepsgrond is appellante te laat en deze kan daarom niet bij de beoordeling van het beroep worden betrokken.
De hardheidsclausule

4. Appellante heeft naar voren gebracht dat toepassing van het jongveegetal - zeker gezien de bedoeling van het jongveegetal - in haar geval zijn doel voorbijschiet. Doordat een kalf op de dag van geplande afvoer ziek bleek te zijn (een kaakontsteking) kon dit kalf niet tijdig worden afgevoerd. De hoogte van de geldsommen die appellante als gevolg hiervan moet betalen, staat in geen verhouding tot de ernst van de overtreding, voor zover al van een overtreding kan worden gesproken. Appellante betoogt dat verweerder daarom de in artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet neergelegde hardheidsclausule had moeten toepassen.

5. Artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet luidt als volgt:

“Onze Minister kan in door hem te bepalen gevallen of groepen van gevallen tot gehele of gedeeltelijke restitutie overgaan van hetgeen ingevolge het bepaalde krachtens het eerste lid is betaald en gehele of gedeeltelijke ontheffing verlenen van een krachtens het eerste lid opgelegde verplichting tot het betalen van een geldsom.”

6. Partijen zijn het over het volgende eens:
- Op 23 augustus 2017 zou het kalf worden opgehaald bij het bedrijf van appellante om te worden vervoerd naar een bedrijf met een Nederlands Uniek Bedrijfsnummer (UBN).
- Het kalf is die dag niet meegenomen omdat de veerijder een bult op de kaak van het kalf zag.
- Op 24 augustus 2017 heeft een dierenarts het kalf onderzocht en een ziekte geconstateerd. Het kalf had behandeling nodig en heeft deze gekregen.
- Het kalf is na behandeling uiteindelijk op 31 augustus 2017 afgevoerd naar een bedrijf met een UBN.
- Als het kalf op 23 augustus 2017 was meegenomen door de vervoerder, zou het dier binnen 35 dagen zijn afgevoerd en zou het jongveegetal niet zijn toegepast.
- Door de ziekte van het kalf was het voor appellante niet mogelijk het kalf binnen 35 dagen af te voeren.

7. Appellante is overvallen door de bijzondere omstandigheden als hiervoor opgesomd onder 6. Verder had zij op het moment waarop zij werd geconfronteerd met de ziekte van het kalf nog maar een zeer beperkte tijd om andere maatregelen te treffen. Dit bijzondere samenstel van omstandigheden had verweerder aanleiding moeten geven de in artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet neergelegde hardheidsclausule toe te passen voor zover als gevolg van de activering van het jongveegetal een geldsom is opgelegd, omdat het strikt volgen van de Regeling in dit geval onevenredige gevolgen met zich brengt.

8. Gelet hierop mocht in dit geval geen geldsom worden opgelegd. Verweerder is er echter niet toe gehouden voor de periodes 4 en 5 een bonusgeldsom toe te kennen of voor periode 3 een hogere bonusgeldsom toe te kennen, terwijl aan de voorwaarden daartoe niet is voldaan. Dit betekent dat appellante voor de periodes 4 en 5 niets hoeft te betalen, maar ook niets krijgt. Voor periode 3 blijf de bonusgeldsom ongewijzigd.

Slotsom

9. Het beroep is gegrond en het College zal het bestreden besluit vernietigen vanwege strijd met artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet, het primaire besluit en het besluit van 16 juni 2018 herroepen en, zelf voorziend, bepalen dat appellante voor de periodes 4 en 5 geen geldsommen verschuldigd is. De bonusgeldsom voor periode 3 wijzigt niet.

10. Tot slot zal het College verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte kosten van bezwaar en beroep, waarbij de drie zaken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden aangemerkt.
Beslissing

Het College

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en het besluit van 16 juni 2018 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- stelt de heffing voor periode 4 en 5 vast op nihil;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 2.100,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 1.014,- aan appellante te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Daalder, in aanwezigheid van mr. B. van Dokkum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
9 juni 2020.

w.g. E.J. Daalder w.g. B. van Dokkum