Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:390

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
17/1638 en 19/423
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling Fosfaatreductieplan 2017, knelgeval, omvang geschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/1638 en 19/423

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2020 in de zaken tussen

maatschap [naam 1] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante

(gemachtigde: mr. R. Scholten),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2017 heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante een heffing opgelegd van
€ 5.098,00 voor periode 1.

Bij besluit van 26 september 2017 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen voormeld besluit gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 17 juni 2017 herroepen en aan appellante een heffing opgelegd van
€ 3.153,60 voor periode 1.

Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft verweerder op grond van de Regeling aan appellante een heffing opgelegd van € 2.592,00 voor periode 2.

Bij besluit van 27 januari 2018 heeft verweerder op grond van de Regeling appellante een bonusgeldsom van € 2.913,00 toegekend voor periode 5.

Bij besluit van 16 juni 2018, voor zover hier van belang, heeft verweerder voormelde heffingen over periode 1 en 2 herzien en appellante heffingen opgelegd van € 3.154,00 voor periode 1 en € 648,00 voor periode 2. Ook heeft verweerder voormelde bonusgeldsom over periode 5 herzien en appellante een bonusgeldsom toegekend van € 3.036,00 voor die periode.

Bij besluit van 23 januari 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 3 augustus 2017, 27 januari 2018 en 16 juni 2018 gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 16 juni 2018 gehandhaafd.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten I en II.

Bij besluit van 3 maart 2020 (het wijzigingsbesluit) heeft verweerder de bestreden besluiten I en II ingetrokken en opnieuw op de bezwaren over de periodes 1, 2 en 5 beslist. De minister heeft de bezwaren gegrond verklaard, het besluit van
16 juni 2018 herroepen en appellante bonusgeldsommen toegekend van
€ 1.450,80 voor periode 1, € 1.450,80 voor periode 2 en € 3.637,00 voor periode 5.

Appellante heeft een reactie ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna het College het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

Overwegingen

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer melkvee houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder melkvee houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

  2. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Regeling, kan de minister indien de houder meldt en aantoont dat het referentieaantal minimaal 5% lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de houder of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van melkveestallen, op verzoek van de houder het referentieaantal bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van deze buitengewone omstandigheden is geregistreerd.

  3. Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Zij heeft op 31 maart 2017 verweerder verzocht om op grond van artikel 12, tweede lid, van de Regeling het referentieaantal voor haar bedrijf te verhogen door uit te gaan van een vroegere peildatum die ligt voor de ziekteperiode van wijlen maat [naam 2] . Appellante heeft toegelicht dat hij in 2009 klachten kreeg wegens een versleten knie. Tevens heeft hij in 2013 tweemaal een herseninfarct gehad en is opgenomen geweest voor revalidatie. Sinds 2013 heeft opvolger [naam 3] , die toen nog een voltijdse opleiding volgde, samen met een bedrijfshulpverlener het bedrijf waargenomen. Deze omstandigheden hebben tot gevolg gehad dat het aantal runderen op de peildatum laag was, aldus appellante.

  4. Het wijzigingsbesluit is een besluit waarover de beroepen van appellante zich ingevolge artikel 6:19 van de Awb mede uitstrekken. Gesteld noch gebleken is dat appellante nog belang heeft bij beoordeling van de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II en daarom zal het College die beroepen niet-ontvankelijk verklaren.

  5. Bij het wijzigingsbesluit heeft verweerder geconcludeerd dat in het geval van appellante sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Regeling. Verweerder heeft op basis van de door appellante overgelegde medische stukken 3 december 2009 als alternatieve peildatum voor het referentieaantal gehanteerd. Uitgaande van het aanmerkelijk hogere aantal GVE op die datum, heeft verweerder de geldsommen opnieuw berekend. Dit heeft ertoe geleid dat de hoge geldsommen voor periodes 1 en 2 zijn vervangen door bonusgeldsommen en dat de bonusgeldsom voor periode 5 is verhoogd.

  6. Appellante is het niet eens met het wijzigingsbesluit, omdat daarbij alleen de hoge geldsommen voor de periodes 1 en 2 en de bonusgeldsom voor periode 5 zijn herzien. Zij voert aan dat bij het wijzigingsbesluit het besluit van
    16 juni 2018 is herroepen. Omdat in het besluit van 16 juni 2018 de hoge geldsommen en bonusgeldsommen voor alle vijf periodes zijn gewijzigd, had verweerder in het wijzigingsbesluit ook de bonusgeldsommen over de periodes 3 en 4 moeten herzien. Volgens appellante zou dat ertoe moeten leiden dat haar voor die periodes hogere bonusgeldsommen worden toegekend.

6.1.

Dit betoog faalt. De beroepen van appellante zijn gericht tegen de bestreden besluiten I en II waarbij is beslist op de bezwaren tegen de onder het procesverloop vermelde primaire besluiten over de periodes 1, 2 en 5. Bij het wijzigingsbesluit zijn de bestreden besluiten I en II ingetrokken en is opnieuw beslist op die bezwaren. Het wijzigingsbesluit is het besluit dat in beroep voorligt. Dit betekent dat het College niet toekomt aan de vraag of verweerder de besluiten die betrekking hebben op de periodes 3 en 4 ook had moeten herzien. Indien appellante dat wil, kan zij voor die periodes een verzoek om herziening indienen bij verweerder.

7. Het beroep tegen het wijzigingsbesluit is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College

- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het wijzigingsbesluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Borman, in aanwezigheid van
mr. A.J. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
9 juni 2020.

w.g. C.J. Borman w.g. A.J. Jansen