Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:382

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
02-06-2020
Zaaknummer
17/1881
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 23 E-wet, aansluitplicht voor netbeheerders

Artikel 16 WWOZ objectafbakening

Aan WOZ-beschikking kan weerlegbaar bewijsvermoeden worden ontleend. Deze bewijslast rust op degene die objectafbakening betwist.

Zie ECLI:NL:CBB:2020:364

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1881

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2020 in de zaak tussen

Liander N.V. (Liander), appellante

(gemachtigden: mr. J.E. Janssen en mr. S.M. Dielemans-Goossens),

en

Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster

(gemachtigden: mr. J.A.H. Koomen en mr. G.A.A.M. Zwagemakers).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 1] B.V. ( [naam 1] ) en [naam 2] B.V. ( [naam 2] ),

(gemachtigde: mr. G.H.J. Heutink).

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2017 heeft ACM beslist in een geschil tussen [naam 1] en [naam 2] enerzijds en Liander anderzijds op de klacht van [naam 1] en [naam 2] over de weigering door Liander in een aansluiting te voorzien als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Electriciteitswet (E-wet).

Liander heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

ACM heeft een verweerschrift ingediend.

Ten aanzien van een aantal stukken die ACM verplicht is over te leggen, heeft zij medegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 17 mei 2018 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. De andere partijen hebben het College toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2019. Partijen zijn verschenen bij genoemde gemachtigden.

Overwegingen

1. [naam 2] is eigenaar van percelen aan de [adres 2] en de [adres 1] in [plaats] . [naam 2] verhuurt de gebouwen op deze percelen aan [naam 1] , een producent van verse visproducten.

Het gebouw aan de [adres 2] grenst direct aan het gebouw aan de [adres 1] . Ter hoogte van de [adres 2] beschikt [naam 1] over een AC5-aansluiting met een capaciteit van 1 t/m 2 MVA op het lokale middenspanningsnet (MS-net), meer concreet op de MS-ring als onderdeel van het openbare net van Liander. Ter hoogte van de [adres 1] beschikt [naam 1] over een kleinverbruikersaansluiting op het laagspanningsnet/openbare net van Liander.

In verband met uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van [naam 1] aan de [adres 1] heeft [naam 1] Liander verzocht om de aanwezige kleinverbruikersaansluiting te verzwaren tot een AC5-aansluiting met een capaciteit van 2 MVA op het lokale middenspanningsnet (MS-net).

Liander heeft aan [naam 1] een offerte uitgebracht met het aanbod voor het realiseren van een AC5-aansluiting, en deze nadien weer ingetrokken wegens - volgens Liander - strijd met de E-wet, de Tarievencode elektriciteit en interne beleidsafspraken. Liander heeft een nieuwe offerte uitgebracht voor een zogenoemde AC6-aansluiting ter vervanging van de AC5-aansluiting aan de [adres 2] en de kleinverbruikersaansluiting aan de [adres 1] . Een AC6-aansluiting heeft een capaciteit groter dan 2 MVA en wordt aangesloten op een middenspanningsrail in het dichtstbijzijnde HS/MS-onderstation. [naam 1] heeft deze offerte vervolgens, onder voorbehoud, geaccepteerd.

[naam 1] en [naam 2] hebben nadien een aanvraag tot een geschilbesluit (klacht) ingediend omdat [naam 1] zich niet kon verenigen met de afwijzing van het verzoek om de aanwezige kleinverbruikersaansluiting te verzwaren tot een AC5-aansluiting.

2. ACM heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat Liander in strijd met artikel 23, eerste lid, van de E-wet heeft gehandeld door de bestaande kleinverbruikersaansluiting niet te verzwaren tot een AC5-aansluiting. In artikel 23, eerste lid, van de E-wet ligt de verplichting om bij degene die daarom verzoekt per WOZ-object één aansluiting te realiseren. In navolging van de jurisprudentie van het College (uitspraak van 13 april 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BQ3485) is voor de afbakening van het WOZ-object de WOZ-beschikking van de gemeente bepalend. Uit de overgelegde WOZ-beschikkingen van de gemeente [gemeente] blijkt dat sprake is van twee afzonderlijke WOZ-objecten.

3. Liander voert tegen het bestreden besluit in de kern aan dat ACM zich wel degelijk een eigen oordeel kan vormen over de afbakening van een object en daarbij acht moet slaan op de specifieke omstandigheden van het geval. Daartoe betoogt Liander dat ACM bij het bestreden besluit een onjuiste uitleg aan de E-wet geeft en de E-wet onjuist toepast, in strijd met de bedoeling van de wetgever en de jurisprudentie van de Hoge Raad. Volgens Liander heeft de wetgever bedoeld dat de definities van het begrip “aansluiting” in enerzijds de E-wet en anderzijds de Wet belastingen op milieugrondslag, waarbij in beide gevallen verwezen wordt naar artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), materieel dezelfde betekenis zouden hebben. Liander wijst op arresten van de Hoge Raad van 9 mei 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AD6058) en 21 april 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AS4934). ACM heeft in het bestreden besluit ten onrechte geoordeeld dat in dit geval uitsluitend en doorslaggevend op basis van de door [naam 1] overgelegde WOZ-beschikking van 2017 van de gemeente [gemeente] moet worden bepaald dat sprake is van twee afzonderlijke WOZ-objecten, te weten één aan de [adres 2] en een ander aan de [adres 1] .

Voorts is het bestreden besluit onverenigbaar met het kostenveroorzakingsbeginsel en bijgevolg onverenigbaar met de Europese regelgeving en de E-wet. Immers, wanneer het standpunt van ACM wordt gevolgd, zou [naam 1] een tweede AC5-aansluiting op de lokale MS-ring van Liander krijgen, komen de kosten van de verzwaring van die MS-ringstructuur voor rekening van Liander en worden deze kosten uiteindelijk via de gereguleerde tarieven gesocialiseerd over alle afnemers van Liander.

Ook voert Liander aan dat ACM met dit besluit een onwenselijk precedent heeft geschapen dat gaming, oftewel strategisch gedrag, door afnemers in de hand werkt. Hiermee handelt ACM in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Liander ervaart in de praktijk dat afnemers op eenvoudige administratieve wijze bestaande kadastrale percelen kunnen laten opsplitsen en om een zelfde of lichter type aansluiting verzoeken, in plaats van een grotere aansluiting van het type dat correspondeert met de vermogensvraag. Op die manier sparen afnemers zich de eenmalige aansluittarieven uit waarin de kosten zijn gereflecteerd die zijn gemoeid met de aanpassing van de aansluitsituatie en die in overeenstemming zijn met de toegenomen vermogensvraag.

Tot slot voert Liander aan dat ACM heeft miskend dat [naam 1] misbruik maakt van zijn bevoegdheden, als bedoeld in artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek, door het opknippen van de onroerende zaak. Op die manier probeert [naam 1] te bewerkstelligen dat er een tweede AC5-aansluiting wordt gerealiseerd, waarvan de kosten worden afgewenteld op alle andere afnemers van Liander, in plaats van een grotere AC6-aansluiting die past bij de sterk gestegen vermogensbehoefte, waarvan de kosten voor rekening van [naam 1] komen.

4.1

Het College ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of bij het realiseren van een aansluiting door een netbeheerder, als bedoeld in artikel 23, eerste lid, gelezen in combinatie met artikel 1, aanhef en onder b, van de E-wet, de objectafbakening van het WOZ-object, zoals deze blijkt uit de door burgemeester en wethouders afgegeven WOZ-beschikking, in alle gevallen zonder meer leidend is. Daartoe overweegt het College als volgt.

4.2

In artikel 23, eerste lid, E-wet is voor zover hier relevant bepaald dat een netbeheerder verplicht is degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net.

In artikel 1, aanhef en onder b, van de E-wet is bepaald dat onder een aansluiting wordt verstaan: één of meer verbindingen tussen een net en een onroerende zaak, als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet WOZ, waaronder begrepen één of meer verbindingen tussen een net dat wordt beheerd door een netbeheerder en een net dat wordt beheerd door een ander dan die netbeheerder en tussen het net op zee en een windpark op zee.

In artikel 16 van de Wet WOZ is bepaald dat voor de toepassing van de wet als één onroerende zaak wordt aangemerkt:

  1. een gebouwd eigendom;

  2. een ongebouwd eigendom;

  3. een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

  4. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

  5. en geheel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen, of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan, of in onderdeel d bedoelde samenstellen, dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als zodanig wordt geëxploiteerd;

  6. het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan, van een onderdeel d bedoeld samenstel of van een in onderdeel e bedoeld geheel.

4.3

In een vergelijkbare zaak heeft het College bij uitspraak van heden (ECLI:NL:CBB:2020:364), in navolging van de conclusie van de raadsheer advocaat-generaal van 3 december 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:658) in overwegingen 4.3 en 4.4 het volgende geoordeeld:

“ 4.3 Het College is, in navolging van de conclusie van de advocaat-generaal, van oordeel dat om vast te stellen of een verplichting bestaat te voorzien in een aansluiting op een elektriciteitsnetwerk onder artikel 23, eerste lid, van de E-wet, niet in alle gevallen zonder meer moet worden aangesloten bij de objectafbakening zoals deze blijkt uit een door het college van burgemeester en wethouders afgegeven WOZ-beschikking. Daarmee wijkt het College dus af van zijn oordeel als neergelegd in uitspraak van 13 april 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BQ3485).

4.4

Daartoe overweegt het College, in navolging van genoemde conclusie, allereerst dat artikel 1, aanhef en onder b, van de E-wet uitsluitend verwijst naar de definitie in de Wet WOZ als zodanig, namelijk naar “onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 Wet WOZ”, en niet naar een concrete waardevaststelling of een vergelijkbare term die onmiskenbaar wijst op een ambtelijke vaststelling op basis van die wetsbepaling. Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 23 van de E-wet blijkt evenmin van aanwijzingen dat de wetgever, in afwijking van zijn wettekst naar de WOZ-beschikking wilde verwijzen in plaats van naar de wet.

Ook wetssystematisch is het onlogisch om netbeheerders in alle gevallen zonder meer gebonden te achten aan WOZ-beschikkingen. Netbeheerders zijn geen afnemer van het WOZ-waardegegeven in de zin van artikel 2 van de Wet WOZ en zij kunnen die beschikkingen dus niet kennen. Zij zijn evenmin belanghebbende bij die beschikkingen, nu zij geen adressaat zijn, en zij kunnen evenmin een medebelanghebbendebeschikking aanvragen op grond van artikel 28 van de Wet WOZ omdat zij evident geen belang hebben bij ‘de vastgestelde waarde van een onroerende zaak’ (de waardering), maar uitsluitend bij de objectafbakening, ter zake waarvan echter geen medebelanghebbendebeschikking kan worden verkregen. Evenmin wordt enig inkomens- of vermogensbestanddeel van de adressaat in de belastinggrondslag van de netbeheerder begrepen.”

4.4

Dit betekent dus dat ACM zich bij het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de objectafbakening zoals deze blijkt uit de WOZ-beschikking zonder meer bepalend is voor de vraag of Liander de door [naam 1] en [naam 2] verzochte AC5-aansluiting moet realiseren.

4.5

Het beroep van Liander is gegrond en het College zal het bestreden besluit vernietigen.

Het College ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien of gebruik te maken van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien partijen van standpunt verschillen over het onderwerp en de procedure bij het College zich niet hierop heeft toegespitst, acht het College het noodzakelijk dat ACM zich in het licht van bovenstaande uitlaat over de objectafbakening van de objecten aan de [adres 1] en de [adres 2] . Het College draagt ACM op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

4.6

Het College veroordeelt ACM in de door Liander gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt ACM op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de klacht, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt ACM op het betaalde griffierecht van € 333,- aan Liander te vergoeden;

- veroordeelt ACM in de proceskosten van Liander tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. H.S.J. Albers en mr. C.M. Wolters, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2020.

w.g. H.O. Kerkmeester w.g. P.M. Beishuizen