Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:379

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
02-06-2020
Zaaknummer
18/475, 19/397, 19/1261
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling Fosfaatreductieplan 2017. De inningstermijn van artikel 8 van de Regeling is niet dwingend, maar regelend van aard. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 18/475, 19/397, 19/1261

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2020 in de zaken tussen

Melkveebedrijf [naam 1] v.o.f., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. L. Kooijman‑Arends),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Krari en R. Ramlal).

Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2017 (primair besluit 1) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante een heffing opgelegd van € 5.218,- voor periode 3 (juli en augustus 2017).
Bij gecombineerd besluit van 16 juni 2018 (primair besluit 2) heeft verweerder aan appellante heffingen opgelegd van € 432,- voor periode 1 (maart en april 2017), van € 1.819,- voor periode 2 (mei en juni 2017), van € 8.155,- voor periode 3 (juli en augustus 2017), van € 3.619,- voor periode 4 (september en oktober 2017) en van € 326,- voor periode 5 (november en december 2017).
Bij besluit van 15 december 2018 (primair besluit 3) heeft verweerder aan appellante een heffing opgelegd van € 686,- voor periode 5. De heffingen voor de periodes 1 tot en met 4 zijn bij dat besluit niet gewijzigd.

Bij besluit van 1 maart 2018 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 17 januari 2019 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen primair besluit 2 ongegrond verklaard.
Bij besluit van 7 mei 2019 (bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen primair besluit 3 voor de periodes 1 tot en met 4 niet‑ontvankelijk verklaard en voor periode 5 ongegrond.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer melkvee houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum).

  2. Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Verweerder heeft voor de periodes 1 tot en met 5 zogenoemde hoge geldsommen opgelegd, omdat het gemiddeld aantal runderen op het bedrijf elke periode hoger was dan het doelstellingsaantal (het aantal vrouwelijke runderen op 1 oktober 2016 verminderd met het voor de desbetreffende periode vastgestelde verminderingspercentage). Vanaf periode 3 heeft verweerder bij de berekening het jongveegetal toegepast, omdat appellante op 5 augustus 2017 een kalf heeft afgevoerd naar een ander bedrijf, niet zijnde voor slacht, export of in verband met sterfte. In het geval van appellante heeft toepassing van het jongveegetal hogere heffingen tot gevolg dan wanneer wordt uitgegaan van het daadwerkelijk aantal op het bedrijf aanwezige jongvee.

  3. Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten op het standpunt gesteld dat het jongveegetal terecht is toegepast. Dat appellante het desbetreffende kalf als ludieke actie voor het door appellante jaarlijks georganiseerde evenement Farm en Country Fair cadeau heeft gedaan aan [naam 2] is volgens verweerder niet van belang.

  4. Appellante is het niet eens met de opgelegde heffingen en toepassing van het jongveegetal en voert daarvoor een aantal beroepsgronden aan, die hierna worden besproken. Eerst zal worden vastgesteld op welke (onderdelen van de) bestreden besluiten de beroepsgronden zien.
    Appellante heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten 1, 2 en met 3. Ter zitting is besproken dat bestreden besluit 1 is vervangen door bestreden besluit 2, waarbij de bij het primaire besluit 2 gewijzigde heffing voor periode 3 is gehandhaafd. Appellante heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 daarop ingetrokken. Ter zitting is eveneens vastgesteld dat het beroep van appellante tegen bestreden besluit 3 niet is gericht tegen de niet‑ontvankelijkheidverklaring van de bezwaren over de periodes 1 tot en met 4, omdat de heffingen over die periodes niet zijn gewijzigd ten opzichte van het bij bestreden besluit 2 gehandhaafde primaire besluit 2.
    In geschil zijn daarom nog bestreden besluit 2 voor de periodes 1 tot en met 4 en bestreden besluit 3 voor periode 5.

Beoordeling van de beroepsgronden

5. Appellante heeft de beroepsgrond dat de Regeling niet kon worden gebaseerd op artikel 13 van de Landbouwwet en daarom geen wettelijke grondslag heeft, ter zitting ingetrokken.

6. Appellante betoogt dat verweerder de heffingen ten onrechte heeft verrekend met het melkgeld.

6.1.

Zoals het College eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:421), draagt de verrekening met het melkgeld een privaatrechtelijk karakter. Daarmee valt dit buiten de bevoegdheid van de bestuursrechter en appellante zal daarop betrekking hebbende klachten aan de burgerlijke rechter voor moeten leggen.

7. Appellante betoogt verder dat zij nooit inzicht heeft gehad in de referentiegegevens voor de verschillende periodes, omdat het digitale systeem steeds een foutmelding liet zien. Appellante meende dat zij zich aan de regels hield en ging ervan uit dat de minister haar op voorhand zou informeren als dat niet zo was.

7.1.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het de verantwoordelijkheid van de melkveehouder zelf is om aan de Regeling te voldoen. Bij brief van 6 augustus 2016 heeft verweerder uitgelegd op welke wijze appellante haar gegevens kan raadplegen in mijn.rvo.nl. Het was aan appellante om contact op te nemen met verweerder als dat in haar geval niet lukte. Ter zitting is overigens gebleken dat appellante niet zozeer doelde op een storing in het Identificatie- en Registratiesysteem (I&R-systeem) van verweerder, maar op een storing in een databank van ZuivelNL.
Deze beroepsgrond faalt.

8. Appellante betoogt ten slotte dat zij zich er op het moment van de afvoer van het kalf niet van bewust was daarmee het jongveegetal te activeren, omdat zij nooit kalveren afvoerde naar een ander bedrijf. De bedoeling was dat het bewuste kalf op het bedrijf van appellante zou blijven staan, maar op verzoek van [naam 2] is het verplaatst naar een bedrijf dichter bij haar woonplaats. Appellante heeft nooit de intentie gehad de Regeling te ontduiken en vindt de heffingen onredelijk hoog.

8.1.

Uit de toelichting bij de invoering van het jongveegetal (Stct. 2017, nr. 25177 en Kamerstukken II 2016/17, 33 037, nr. 202) volgt dat het jongveegetal is ingevoerd om te voorkomen dat melkveehouders hun vee onderbrengen bij niet‑melkproducerende bedrijven die niet onder de Regeling vallen, om daarmee niet over te hoeven gaan tot reductie in 2017. Verder volgt uit de toelichting dat elk melkproducerend bedrijf zorg dient te dragen voor het in stand houden van het aandeel jongvee binnen de totale melkveestapel op zijn bedrijf. Wanneer niet langer wordt voldaan aan de gewenste jongveeverhouding (het jongveegetal) doordat het bedrijf voor het bereiken of in stand houden van de reductie alleen of meer dan evenredig in jongvee reduceert, zal bij het bepalen of daadwerkelijk voldoende gereduceerd is om onder het doelstellingsaantal of het referentieaantal te komen, op basis van het jongveegetal alsnog het te veel afgevoerde jongvee worden meegeteld op het bedrijf. Daarmee wordt geborgd dat de Regeling resulteert in daadwerkelijke reductie van de fosfaatproductie door de melkveestapel.

8.2.

Het jongveegetal wordt volgens artikel 4, vijfde lid, van de Regeling alleen niet toegepast indien jongvee ouder dan 35 dagen op of na 1 juni 2017 uitsluitend is afgevoerd voor slacht, export of in verband met sterfte. In de Regeling is geen uitzondering opgenomen voor een situatie als die van appellante, waarbij het gaat om een gift aan een bekende van de veehouder. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het geval van appellante geen bijzondere omstandigheid is die meebrengt dat toepassing van de jongveebepaling uit de Regeling in haar geval achterwege dient te blijven, nu het feitelijk gevolg is geweest dat het kalf op een ander bedrijf is terechtgekomen en daar wordt gehouden. Hierbij is van belang dat een dergelijke afvoer het doel dat de Regeling beoogt te bereiken, te weten terugdringing van de fosfaatproductie, niet dient. Dat appellante niet het doel had de Regeling te ontduiken, doet er niet aan af dat de beoogde reductie van fosfaat dan niet plaatsvindt.

8.3.

Het College is daarom van oordeel dat verweerder terecht het jongveegetal heeft toegepast bij de berekening van de hoogte van de geldsom voor periodes 3, 4 en 5. Het College is verder niet gebleken dat het opleggen van de heffingen in het geval van appellante onevenredig is.

Slotsom

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Daalder, in aanwezigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2020.

w.g. E.J. Daalder w.g. A.G. de Vries-Biharie