Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:378

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
02-06-2020
Zaaknummer
18/2745
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet

Fosfaatrechten. Knelgevallenregeling. Partijen zijn verdeeld over de totale melkproductie die dient te worden gehanteerd bij de toepassing van de knelgevallenregeling. Uitgangspunt is in casu dat bij de forfaitaire melkproductie wordt gerekend met de gemiddelde melkproductie over kalenderjaar 2015. Het beroep is gegrond. Het College voorziet zelf in de zaak door het fosfaatrecht opnieuw vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2745

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2020 in de zaak tussen

de vennootschap onder firma [naam], te [plaats] , appellante

(gemachtigden: mr. I. Laurijssen en mr. M. Peters),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. G. Meijerink en mr. W.A.M. Ebbinge).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 11 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante deels gegrond verklaard en het fosfaatrecht hoger vastgesteld.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij besluit van 3 mei 2019 (het vervangingsbesluit I) heeft verweerder het besluit van 11 oktober 2018 herzien en daarbij het besluit van appellante deels gegrond verklaard en het fosfaatrecht hoger vastgesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. G.G. Kranendonk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. A.G. Spriensma en mr. J.G. Biesheuvel.

Het College heeft de behandeling ter zitting geschorst en verweerder verzocht om een nadere beoordeling van door appellante overgelegde stukken.

Bij besluit van 15 juli 2019 (het vervangingsbesluit II) heeft verweerder het besluit van 3 mei 2019 herzien en daarbij het besluit van appellante deels gegrond verklaard en het fosfaatrecht ongewijzigd vastgesteld.

Appellante heeft naar aanleiding hiervan een nadere reactie ingediend.

Verweerder heeft een nader verweerschrift ingediend.

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2020. Appellante en haar gemachtigden zijn – met bericht – niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Het College heeft het onderzoek heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen de ter zitting aangevoerde nieuwe berekening van de hoeveelheid fosfaatrechten te overleggen. Alsmede teneinde appellante in de gelegenheid te stellen hierop te reageren.

Verweerder heeft naar aanleiding hiervan een nieuwe berekening overgelegd.

Appellante heeft hierop gereageerd.

Met instemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven en is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door - voor zover hier van belang - bouwwerkzaamheden, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

Besluiten van verweerder

2.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 1.270 kg. Voor wat betreft de dieraantallen is verweerder uitgegaan van de aantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Bij het bestreden besluit van 11 oktober 2018 heeft verweerder het bezwaar van appellante deels gegrond verklaard, de in aanmerking genomen melkproductie van 2015 verhoogd en het fosfaatrecht vastgesteld op 1.327 kg. Bij het vervangingsbesluit van 3 mei 2019 heeft verweerder het besluit van 11 oktober 2018 herzien, de knelgevallenregeling met oog op bouwwerkzaamheden toegepast met een alternatieve peildatum van 4 oktober 2014 en de melkproductie in 2014 en op grond hiervan het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 1.423 kg. Bij het vervangingsbesluit van 15 juli 2019 heeft verweerder het besluit van 3 mei 2019 herzien en het fosfaatrecht ongewijzigd vastgesteld op 1.423 kg. Verweerder is daarbij uitgegaan van een totale melkproductie in 2014 van 173.625 kg.

2.2

Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het bestreden besluit mede betrekking op het vervangingsbesluit II. Nu het bestreden besluit is vervangen door dat vervangingsbesluit en gesteld noch gebleken is dat appellante nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit, zal het beroep daartegen niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beoordeling

3.1

Partijen zijn enkel nog verdeeld over de totale melkproductie die dient te worden gehanteerd bij de toepassing van de knelgevallenregeling.

3.2

Op de nadere zitting van 12 februari 2020 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij, gelet op de uitspraak van het College van 6 augustus 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:336) ten onrechte de totale melkproductie van 2014 als uitgangspunt heeft genomen en dat hier de melkproductie van 2015 dient te worden gehanteerd. Bij brief van 5 maart 2020 heeft verweerder deze berekening van het fosfaatrecht inzichtelijk gemaakt. waarbij hij uitgaat van een alternatieve peildatum van 4 oktober 2014 en de melkproductie van 2015. Verweerder gaat hierbij uit van een totale melkproductie in 2015 van 165.691 kg, een excretieforfait van 34,8 kg en de dieraantallen op de alternatieve peildatum 4 oktober 2014. Dit leidt tot een hoger fosfaatrecht van appellante van in totaal 1.445 kg. Verweerder verzoekt het College het fosfaatrecht van appellante aldus vast te stellen.

3.3

Appellante heeft desgevraagd aangegeven dat de gegevens waar verweerder bij deze nieuwe berekening van uit is gegaan juist zijn.

3.4

Het College is, zoals ook is overwogen in de eerdergenoemde uitspraak van 6 augustus 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:336), van oordeel dat uitgangspunt dient te zijn dat bij de forfaitaire melkproductie wordt gerekend met de gemiddelde melkproductie over kalenderjaar 2015. De omstandigheden van dit geval (knelgeval bouwwerkzaamheden) geven geen aanleiding om hiervan af te wijken. Het vervangingsbesluit van 15 juli 2019 is gelet hierop in strijd met artikel 23, zesde lid, van de Msw. De beroepsgrond slaagt.

Slotsom

4.1

Het beroep is gegrond. Het College zal het vervangingsbesluit van 15 juli 2019 vernietigen wegens strijd met artikel 23, zesde lid, van de Msw.

4.2

Nu tussen partijen de uitgangspunten op grond waarvan het fosfaatrecht van appellante dient te worden vastgesteld niet langer in geschil zijn, ziet het College aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en het fosfaatrecht van appellante vast te stellen op 1.445 kg.

4.3

Voor vergoeding van het door appellante betaalde griffierecht is geen aanleiding nu verweerder, zoals volgt uit diens verweerschrift van 3 mei 2019, deze kosten reeds heeft vergoed aan appellante.

4.4

Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.050,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een nadere reactie en 0,5 punt voor een nadere reactie met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). De proceskosten voor het indienen van het beroepschrift heeft verweerder eveneens al vergoed aan appellante.

Van gemaakte deskundigenkosten is niet gebleken. Het verzoek van appellante om vergoeding daarvan komt reeds daarom niet voor inwilliging in aanmerking.

Beslissing

Het College

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het vervangingsbesluit van 15 juli 2019 gegrond;

- vernietigt het vervangingsbesluit van 15 juli 2019;

- herroept het primaire besluit en stelt het fosfaatrecht van appellante vast op 1.445 kg;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde vervangingsbesluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.