Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:37

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-01-2020
Datum publicatie
21-01-2020
Zaaknummer
19/214, 19/215, 19/216, 19/1468, 19/1469 en 19/1470
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Wmg. Vaststelling door NZa van prestatiebeschrijvingbeschikkingen voor 2019 en 2020 waarbij de declaratiebepaling voor de magistrale bereiding van uitsluiten op recept verkrijgbare geneesmiddelen door apotheken is gewijzigd. Daarbij is de voorwaarde om voor declaratie in aanmerking te komen dat het gaat om een voorgeschreven UR-geneesmiddel waarvan “geen equivalent geregistreerd geneesmiddel (combinatie van werkzame stof, dosering en toedieningsvorm) verkrijgbaar is” geschrapt. Het College is van oordeel dat de besluiten gebrekkig zijn, nu niet duidelijk is wat als motivering heeft te gelden. Bestuurlijke lus. NZa wordt in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/312
RZA 2020/1
GJ 2020/38 met annotatie van Michels, C.M.E.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 19/214, 19/215, 19/216, 19/1468, 19/1469 en 19/1470

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 januari 2020 in de zaken tussen

1. de vereniging Biosimilars en generieke geneesmiddelenindustrie Nederland, te Utrecht, en 7 anderen, (Bogin c.s.) (19/214 en 19/1468)

(gemachtigde: mr. K.M. Mulder)

2. de vereniging Nefarma, Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen, te Utrecht, en 5 anderen, (Nefarma c.s.) (19/215 en 19/1469)

(gemachtigde mr. M.O. Meulenbelt)

3. de besloten vennootschap Bereidingsapotheek Oud-Beijerland B.V., tevens h.o.d.n. “De Magistrale Bereider”, te Oud-Beijerland, en 3 anderen, (bereidingsapotheken) (19/216 en 19/1470)

(gemachtigde: mr. K. van Lessen Kloeke),

en

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster

(gemachtigden: mr. M.L. Batting en mr. D.G. Tersmette).

Bogin c.s., Nefarma c.s. en de bereidingsapotheken worden hierna gezamenlijk aangeduid als: appellanten.

Procesverloop

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 19 december 2018. Bij dat besluit zijn hun bezwaren tegen de door verweerster op 17 juli 2018 voor het jaar 2019 vastgestelde Prestatiebeschrijvingbeschikking farmaceutische zorg TB/REG-19630-01 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben voorts rechtstreeks beroep ingesteld tegen de door verweerster op 3 juli 2019 voor het jaar 2020 vastgestelde Prestatiebeschrijvingbeschikking farmaceutische zorg TB/REG-20617-01.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend in de zaken 19/214 t/m 216.

Bij brieven van 20 september 2019 hebben appellanten een reactie op het verweerschrift ingediend. Op 9 oktober 2019 hebben appellanten aanvullende beroepschriften ingediend in de zaken 19/1468 t/m 1470.

Bij brief van 18 oktober 2019 heeft verweerster voor het verweerschrift in de zaken 19/1468 t/m 1470 verwezen naar het reeds voor de andere zaken ingediende verweerschrift. Tevens heeft verweerster daarbij op de aanvullende beroepschriften gereageerd en e-mails van 14 en 15 november 2017 overgelegd, met de mededeling – onder verwijzing naar art. 8:29 van de Awb – dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 25 oktober 2019 (de 8:29-beslissing) heeft de 8:29-kamer van het College de gevraagde beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd geacht, bepaald dat de e-mails worden teruggezonden aan verweerster en verweerster verzocht de stukken uiterlijk op maandag 28 oktober 2019 aan het College en appellanten toe te sturen. Verweerster heeft aan dit verzoek gevolg gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2019.

Appellanten zijn daarbij vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Voorts zijn namens appellanten verschenen drs. J.M. Hermans (Bogin c.s.), C. Grobekken, dr. P. Bertens en mr. E. Snoek (Nefarma c.s.) en J.C.G.G. Waals (bereidingsapotheken).

Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Voorts zijn namens verweerster verschenen I. van Houten, M.A. Overgaag, S. van Es en R.F. Schipper.

Overwegingen

1. Dit geschil gaat over de vraag of verweerster terecht per 1 januari 2019 de prestatiebeschrijvingbeschikkingen aldus heeft kunnen wijzigen, dat voor de declaratie van de prestatie “magistrale bereiding door apotheken van een UR-geneesmiddel” niet meer de voorwaarde geldt dat er daarvan “geen equivalent geregistreerd geneesmiddel (combinatie van werkzame stof, dosering en toedieningsvorm) verkrijgbaar is” (verder: de declaratievoorwaarde). Op grond van de genoemde prestatiebeschrijvingbeschikkingen kan een apotheek voor de bereiding van een uitsluitend op recept verkrijgbaar geneesmiddel (UR-geneesmiddel) de deelprestatie “reguliere magistrale bereiding” of de deelprestatie “bijzondere magistrale bereiding” in rekening brengen. In de tot 1 januari 2019 voor farmaceutische zorg geldende prestatiebeschrijvingbeschikking was bepaald dat genoemde deelprestaties slechts in rekening konden worden gebracht indien “het de bereiding van een voorgeschreven UR-geneesmiddel betreft, waarvan geen equivalent geregistreerd geneesmiddel (combinatie van werkzame stof, dosering en toedieningsvorm) verkrijgbaar is”. In de voor 2019 en 2020 vastgestelde prestatiebeschrijvingbeschikkingen (de prestatiebeschrijvingbeschikkingen) is de passage “waarvan geen equivalent geregistreerd geneesmiddel (combinatie van werkzame stof, dosering en toedieningsvorm) verkrijgbaar is” niet meer opgenomen. Appellanten keren zich tegen het schrappen van de declaratievoorwaarde. Dat betekent namelijk dat deze (deel-)prestatie ook mag worden gedeclareerd als er wel een equivalent geregistreerd geneesmiddel verkrijgbaar is.

2.1

Op grond van artikel 16, aanhef en onder a, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) is verweerster belast met (onder meer) tarief- en prestatieregulering, op het terrein van de gezondheidszorg.

Op grond van artikel 50, eerste lid, aanhef en onder d , van de Wmg, voor zover relevant, legt verweerster in een beschikking ten behoeve van het rechtsgeldig in rekening kunnen brengen van een tarief, de beschrijving van de prestatie, deel van de prestatie of geheel van prestaties vast.


Op grond van 57, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmg, stelt verweerster beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het vaststellen van prestatiebeschrijvingen op grond van artikel 50, eerste lid, onderdeel d (https://wetten.overheid.nl/BWBR0020078/2019-07-01).

2.2

De wijziging van de declaratiebepalingen voor het jaar 2019 berust op de Beleidsregel Prestatiebeschrijvingen voor farmaceutische zorg (BR/REG-19147) van 19 juli 2018. Daarin is voor zover relevant het volgende opgenomen.

Deelprestatie bijzondere en reguliere magistrale bereiding

(…)

Per 2019 mag de deelprestatie (bijzondere) magistrale bereiding in rekening worden gebracht, ook als het geregistreerde UR-geneesmiddel in de handel verkrijgbaar is.

Een magistrale bereiding kan een alternatief zijn voor geregistreerde geneesmiddelen, mits deze goed, veilig en binnen de regels van de Geneesmiddelenwet plaatsvindt. Een verantwoorde inzet van magistrale bereidingen komt de beschikbaarheid en betaalbaarheid van de zorg ten goede. De NZa beoogt met deze wijziging per 2019 voor partijen beperkingen in de declaratievoorwaarden voor magistrale bereidingen weg te nemen, zodat in magistrale bereidingen alternatieven gevonden kunnen worden voor dure geneesmiddelen.

Om onder de verzekerde aanspraak te vallen en voor vergoeding uit de basisverzekering in aanmerking te komen, dient op grond van het Besluit zorgverzekering sprake te zijn van rationele farmacotherapie. Rationele farmacotherapie is de behandeling, preventie of diagnostiek van een aandoening met een geneesmiddel in een voor de patiënt geschikte vorm, waarvan de werkzaamheid blijkt uit wetenschappelijke literatuur en dat tevens het meest economisch is voor de zorgverzekering en de patiënt.

De deelprestatie (bijzondere) magistrale bereiding mag niet in rekening worden gebracht indien de bereiding wordt doorgeleverd, tenzij de bereiding op individueel voorschrift plaatsvindt.

De NZa verwacht van apothekers dat zij consumenten die zelf hun rekening betalen vooraf informeren over de kosten van de magistrale bereiding.”

2.3

De voor het jaar 2020 vastgestelde prestatiebeschrijving berust op de Beleidsregel Prestatiebeschrijvingen voor farmaceutische zorg (BR/REG-20128) van 3 juli 2019. Deze is voor zover relevant op het punt van de deelprestatie bijzondere en reguliere magistrale bereiding nagenoeg gelijkluidend, met uitzondering voor wat betreft de doorlevering. Ten aanzien van de doorlevering is vermeld:

“Bij het vaststellen van deze beleidsregel is nog geldig (tot 22 augustus 2019) de circulaire ‘Handhavend optreden bij collegiaal doorleveren van eigen bereidingen door apothekers’ van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (destijds Inspectie voor de Gezondheidszorg) waaruit volgt dat de deelprestatie (bijzondere) magistrale bereiding niet in rekening mag worden gebracht indien de bereiding wordt doorgeleverd, tenzij de bereiding op individueel voorschrift plaatsvindt.”

2.4

Zowel voor 2019 als 2020 bevatten de prestatiebeschrijvingbeschikkingen geen (nadere) motivering voor het schrappen van de declaratievoorwaarde. Meer algemeen wordt daarvoor verwezen naar de aan de prestatiebeschrijvingbeschikkingen ten grondslag liggende beleidsregels, welke verwijzing verweerster heeft herhaald in de beslissingen op bezwaar en haar verweerschrift.

2.5

Verweerster heeft in de beslissingen op bezwaar, voor zover voor nu relevant, vooropgesteld dat haar wettelijke taak inhoudt dat zij prestaties en tarieven moet vaststellen om de bekostiging van medische zorg mogelijk te maken. De in geding zijnde wijziging van de prestatiebeschrijvingen strekt er alleen toe dat een magistrale bereiding kan worden gedeclareerd als die toelaatbaar is op grond van overige wet- en regelgeving, met name binnen de grenzen van de Geneesmiddelenwet (Gnw), zoals in de toelichting in de Beleidsregel BR/REG-19147) van 19 juli 2018 vermeld. Het stellen van inhoudelijke voorwaarden betreffende de toelaatbaarheid van magistrale bereidingen past dan ook niet bij de wettelijke taak van verweerster. Gelet daarop ligt het schrappen van de in geding zijnde declaratievoorwaarde juist in de rede. Het handhaven van deze voorwaarde (zoals appellanten voorstaan) zou de bestaande wettelijke mogelijkheden voor magistrale bereidingen onnodig belemmeren. Er volgt uit de door appellanten aangehaalde wet- en regelgeving geen harde voorwaarde dat magistrale bereidingen niet zijn toegestaan als er een geregistreerd equivalent is. Met name volgt dat niet uit richtlijn 2001/83EG en de Gnw, waarbij verweerster wijst naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 juli 2015, C-544/13 en 545/13. Richtlijn 89/105/EEG bevat evenmin een dergelijke voorwaarde. De overige door appellanten ingeroepen regelgeving stelt een dergelijke voorwaarde ook niet. De betreffende declaratievoorwaarde is niet passend en niet in overeenstemming met het bestaande wettelijke kader over de toelaatbaarheid van magistrale bereidingen. De declaratievoorwaarde is terecht geschrapt. Verweerster heeft verder benadrukt dat het schrappen van de declaratievoorwaarde niet is ingegeven door zuiver financiële motieven. Er is enkel een belemmering weggenomen die niet wordt gerechtvaardigd door bestaande wet- en regelgeving over de toelaatbaarheid van magistrale bereidingen. Beoogd is slechts een declaratiemogelijkheid te bieden daar waar een apotheekbereiding is toegestaan (om wat voor reden dan ook).

3.1

Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat uit Europese normen en regelgeving volgt dat ongeregistreerde apotheekbereidingen slechts een toegevoegde waarde hebben in het geval dat deze complementair zijn aan (en dus geen alternatief voor) de beschikbare geregistreerde geneesmiddelen. Die meerwaarde mag uitsluitend op basis van zorginhoudelijke criteria worden bepaald. De meerwaarde van apotheekbereidingen ontbreekt volgens appellanten als er een geregistreerd equivalent geneesmiddel in de handel beschikbaar is. Appellanten hebben verder aangevoerd dat noch in de prestatiebeschrijvingbeschikkingen, noch in de beslissing op bezwaar van 19 december 2018 of in de beleidsregel een betekenisvolle beperking is gesteld aan de vergoedbaarheid van apotheekbereidingen. Een onbeperkte vergoeding voor vervangende apotheekbereidingen vormt, aldus appellanten, een onlosmakelijk onderdeel van een brede, expliciete en consistent uitgedragen nieuwe administratieve praktijk en beleidslijn van de Staat. Het doel daarvan is kennelijk: grootschalige(re) vervanging van geregistreerde ‘dure’ geneesmiddelen door ‘goedkopere’ ongeregistreerde apotheekbereidingen, om financiële redenen. Appellanten zien de in de prestatiebeschrijvingbeschikkingen gegeven mogelijkheid om vervangende apotheekbereidingen te declareren en te vergoeden als het sluitstuk van een overkoepelend politiek-bestuurlijk beleid van de Nederlandse overheid. De wijziging door verweerster van de onderhavige declaratiebepalingen vormt de laatste stap die nog moet worden gezet om dat doel te kunnen realiseren. Volgens appellanten bestaat er een duidelijke samenhang tussen de prestatiebeschrijvingbeschikkingen en recente maatregelen van het Ministerie/de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister van Economische Zaken en Klimaat, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en het Zorginstituut Nederland. Volgens appellanten kan het niet anders zijn dan dat verweerster bij het vaststellen van de prestatiebeschrijvingbeschikkingen tot in detail op de hoogte was van de nieuwe administratieve praktijk en beleidslijn van de overheid en moeten de prestatiebeschrijvingbeschikkingen en het besluit van 19 december 2018 in samenhang daarmee worden bezien. De wijziging van de declaratiebepalingen heeft, aldus appellanten, een financieel motief en is ingegeven door het overkoepelende overheidsbeleid om decentraal de onderhandelmacht van zorgverzekeraars te vergroten, vervangende apotheekbereidingen te stimuleren en daarmee de prijzen van geregistreerde geneesmiddelen neerwaarts te beïnvloeden. Appellanten hebben in dit verband tevens gesteld dat er geen sprake was van een “onnodige belemmering” in de tot 1 januari 2019 geldende declaratiebepalingen, aangezien het sinds 2008 mogelijk is om een ongeregistreerde apotheekbereiding te declareren en te vergoeden indien er geen equivalent geneesmiddel in de handel verkrijgbaar is. De enige “belemmering” die er bestond, was – aldus appellanten – de (terechte) belemmering om wegens financiële redenen vervangende apotheekbereidingen te declareren en te vergoeden ter vervanging van geregistreerde geneesmiddelen. Appellanten verzoeken het College om de bestreden besluiten te vernietigen en te bepalen dat in de primaire besluiten de oude regel zal herleven dat declaratie en vergoeding van magistrale bereidingen alleen mogelijk is indien “het de bereiding van een voorgeschreven UR-geneesmiddel betreft, waarvan geen equivalent geregistreerd geneesmiddel (combinatie van werkzame stof, dosering en toedieningsvorm) verkrijgbaar is”. Appellanten verzoeken het College in dit verband om niet alleen te toetsen of de bestreden besluiten de toets aan het toepasselijke Nederlandse recht kunnen doorstaan, maar ook om te antwoorden op de fundamentele vraag of de nieuwe praktijk en beleidslijn van de Staat – en de daarvan deel uitmakende vergoeding van vervangende apotheekbereidingen – verenigbaar is met het Europese recht, in het bijzonder met artikel 34 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Richtlijn 89/105/EEG en op de relevante onderdelen volledig geharmoniseerde Europese wet- en regelgeving inzake geneesmiddelen (Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004), alsmede met het Verdrag inzake de samenstelling van een Europese farmacopee en de ter uitvoering van dat Verdrag vastgestelde monografieën, in het bijzonder de Raammonografie Ph. Eur. 01/2018:2619, en Resolutie CM/RES(2016)1 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa.

3.2.

Verweerster heeft in haar verweerschrift, voor zover voor nu relevant, herhaald dat zij prestatiebeschrijvingen en tarieven vaststelt op grond van artikel 16, aanhef en onder a van de Wmg om de bekostiging van medische zorg mogelijk te maken en dat zij niet gaat over de vraag onder welke voorwaarden een geneesmiddel in het handelsverkeer mag worden gebracht. Het stellen van inhoudelijke voorwaarden voor de toelaatbaarheid van magistrale bereidingen past niet bij die wettelijke taak. In de materiële wetgeving worden de inhoudelijke eisen aan de betreffende prestatie geregeld. Zoals in de toelichting bij de beleidsregels gesteld moet magistrale bereiding plaatsvinden binnen de regels van de Gnw. Of een apotheekbereiding aan die wet- en regelgeving voldoet wordt door andere toezichthouders beoordeeld. Daarom ligt het schrappen van de declaratievoorwaarde juist in de rede. Verweerster heeft verder herhaald dat het handhaven van het declaratievoorschrift de wettelijke mogelijkheden voor de declaratie van een magistrale bereiding onnodig zou belemmeren. De voorwaarde komt niet terug in nationale of Europese wet- en regelgeving.

4. Het College komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Het schrappen van de declaratievoorwaarde kan ertoe leiden dat minder geregistreerde geneesmiddelen worden verkocht omdat in plaats daarvan magistraal bereide middelen worden verstrekt en vergoed. Dat betekent dat appellanten voor zover zij geregistreerde geneesmiddelen op de Nederlandse markt brengen, in wat voor hoedanigheid dan ook, rechtstreeks in hun financiële belang getroffen kunnen worden. Voor de bereidingsapotheken geldt bovendien dat het schrappen van de declaratievoorwaarde ertoe kan leiden dat, zoals zij aanvoeren, apotheken aan wie zij thans magistraal bereide geneesmiddelen leveren zelf (weer) overgaan tot magistrale bereiding. In dat geval worden bereidingsapotheken evenzeer rechtstreeks getroffen in hun financiële belang. Dat wordt op zichzelf niet anders als de door verweerster voorgespiegelde positieve effecten van het schrappen van de declaratievoorwaarde voor deze bereidingsapotheken zich (ook) zouden verwezenlijken. Uit dat laatste blijkt trouwens dat ook verweerster er van uitgaat dat het schrappen van de voorwaarde rechtstreeks de belangen van deze appellanten raakt. Dit brengt het College tot het oordeel dat de rechtstreekse beroepen van alle appellanten ontvankelijk zijn en dat verweerster terecht de bezwaren van alle appellanten ontvankelijk heeft geacht.

4.2

In reactie op de stelling van appellanten dat verweerster heeft nagelaten alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen heeft verweerster de e-mails van 14 en 15 november 2017 ingediend met het verzoek om beperkte kennisneming van de inhoud ervan. Na de afwijzende beslissing op dit verzoek heeft verweerster de e₋mails opnieuw toegezonden op 28 oktober 2019, echter onder (opnieuw) weglakking van de namen en contactgegevens van de daarin genoemde medewerkers en van één passage, die volgens verweerster een persoonlijke beleidsopvatting bevat. Ter zitting heeft verweerster alsnog (mondeling) de inhoud van de weggelakte passages gegeven en toegezegd conform de 8:29-beslissing alsnog een volledige versie van de betreffende e-mails van 14 en 15 november 2017 toe te zenden aan appellanten en het College. Appellanten zijn hiermee akkoord gegaan. Op 30 oktober 2019 heeft het College deze stukken ontvangen. Het College gaat er thans van uit dat verweerster alle stukken die relevant zijn voor de beoordeling van de onderhavige zaak heeft overgelegd.

4.3

Verweerster heeft in het bestreden besluit, in het verweerschrift, zoals hiervoor weergegeven, en opnieuw ter zitting, gesteld dat met het schrappen van de declaratievoorwaarde slechts is beoogd om een belemmering weg te nemen die niet werd gerechtvaardigd door bestaande wet- en regelgeving omtrent de toelaatbaarheid van magistrale bereidingen. Die uitleg komt het College op voorhand niet onjuist voor. In de toelichtingen in de Beleidsregel (BR/REG-19147) van 19 juli 2018, waarin de wijziging van de declaratiebepalingen is toegelicht en de Beleidsregel (BR/REG-20128) van 3 juli 2019 is een zodanige motivering evenwel niet terug te vinden. Die toelichtingen lijken veeleer uit te gaan van een beleidsmatige keuze om te stimuleren dat (dure) geregistreerde geneesmiddelen zullen worden vervangen door (goedkopere) magistrale bereidingen. Het is die beleidsmatige keuze waar appellanten zich tegen keren. Van belang in dit verband is dat in de op 3 juli 2019 gepubliceerde beleidsregel waarin de toelichting is opgenomen voor het jaar 2020 verweerster deze toelichting heeft gehandhaafd zonder de prestatiebeschrijvingbeschikking zelf nader te motiveren, terwijl verweerster de bezwaren van appellanten tegen de prestatiebeschrijvingbeschikking voor 2019 met het besluit van 19 december 2018 ongegrond heeft verklaard, waarbij verweerster zoals hiervoor weergegeven in de kern heeft betoogd dat zij enkel een belemmering wilde wegnemen die niet werd gerechtvaardigd door bestaande wet- en regelgeving over de toelaatbaarheid van magistrale bereidingen. Die motivering roept ook de vraag op waarom de declaratievoorwaarde jarenlang wél aan de prestatie magistrale bereiding verbonden is geweest, als verweerster thans van mening is dat dit eigenlijk ten onrechte is geweest. Ter zitting heeft verweerster toegelicht dat de declaratievoorwaarde destijds om beleidsmatige redenen onderdeel is gaan uitmaken van de declaratiebepaling en dat de desbetreffende passage destijds is toegevoegd omdat het tarief voor de magistrale bereiding hoger was dan het tarief voor de terhandstelling en verweerster niet wenste te stimuleren dat een apotheek een (goedkoop) geneesmiddel als paracetamol zelf zou gaan bereiden. Er is dus sprake van een discrepantie tussen de aan de prestatiebeschrijvingbeschikkingen ten grondslag liggende beleidsregels enerzijds en de naar aanleiding van de bezwaren en beroepen van appellanten door verweerster gegeven motivering anderzijds, terwijl die motivering niet strookt met de vóór 2019 steeds genomen prestatiebeschrijvingbeschikkingen en de gebleken redenen om de declaratievoorwaarde daarin wel op te nemen. Voor zover die beleidsmatige redenen met ingang van 2019 niet meer zouden gelden heeft verweerster daar geen motivering voor gegeven.

5.1

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, voldoen de bestreden besluiten niet aan het vereiste van een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 respectievelijk 7:12, eerste lid, van de Awb. Het College ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding verweerster met toepassing van artikel 8:51a van de Awb in de gelegenheid te stellen het genoemde gebrek te herstellen, dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen.

5.2

Verweerster dient inzichtelijk te maken of het schrappen van de declaratievoorwaarde berust op de beleidsmatige overwegingen zoals vermeld in de beleidsregels, dan wel op de stelling dat de voorwaarde, kort gezegd, een onterechte belemmering was voor magistrale bereidingen. In dat laatste geval dient verweerster tevens te motiveren hoe deze stelling zich verhoudt met het gestelde in de beleidsregels en met het gegeven dat de voorwaarde voorheen onafgebroken gedurende een reeks van jaren aan de prestatiebeschrijvingbeschikkingen verbonden is geweest.

5.3

De termijn waarbinnen verweerster het gebrek kan herstellen wordt bepaald op drie maanden na verzending van deze uitspraak. Deze termijn is volgens vaste rechtspraak bindend, behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden. Indien verweerster meent meer tijd nodig te hebben voor herstel van het besluit, dient zij voor het verstrijken van de termijn gemotiveerd om verlenging te verzoeken. Appellanten zullen aansluitend in de gelegenheid worden gesteld om binnen vier weken schriftelijk hun zienswijze te geven over de wijze waarop het gebrek is hersteld.

Beslissing

Het College:

- draagt verweerster op binnen drie maanden na de dag van verzending van deze tussenuitspraak het geconstateerde gebrek te herstellen, dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen met inachtneming van deze uitspraak, met name overwegingen 5.1 en 5.2;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, mr. J.L. Verbeek en mr. W.E. Doolaard, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2020.

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. J.M.M. Bancken