Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:368

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
02-06-2020
Zaaknummer
18/2238
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:7956, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Verordening (EG) nr. 852/2004, Verordening (EG) nr. 1069/2009, Verordening (EG) nr. 142/2011

Besluit proceskosten bestuursrecht

Hoger beroep diverse bestuurlijke boetes vanwege overtredingen met betrekking tot dierlijke bijproducten. Identificeerbaarheid bakken voor dierlijke producten niet in orde, bakken niet afgedekt, niet gekoeld, niet lekvrij, niet schoon. Bedrijfsruimten voor levensmiddelen niet schoon. De rechtbank heeft ten aanzien van de proceskostenveroordeling ten onrechte besloten tot matiging op grond van artikel 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 18/2238

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2020 op het hoger beroep van:

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante,

(gemachtigde: mr. P.J.G.G. Sluijter),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 september 2018, kenmerk ROT 18/3141, in het geding tussen

appellante


en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de minister,

(gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 7 september 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:7956.

De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020. Dit hoger beroep is tegelijk behandeld met andere hoger beroepen van appellante, namelijk 18/2235, 18/2236, 18/2237, 18/2239, 18/2240, 18/2241, 18/2242, 18/2243, 18/2244, 18/2245 en 18/2728.

Appellante, vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3] , is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor de minister zijn tevens verschenen drs. J.D. Greep, drs. R. Visser, drs. C. de Bruin, drs. B. van der Linden en drs. B. Braarels

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak, die als bijlage II aan deze uitspraak is gehecht. Het College volstaat met het volgende en gaat voor de beoordeling van deze zaak uit van het wettelijk kader zoals dat is opgenomen in bijlage I bij deze uitspraak. Beide bijlagen maken deel uit van de uitspraak.

1.2

Bij afzonderlijke primaire besluiten van 17 maart 2017 (boetezaken 201607046 en 201700220) en 14 april 2017 (boetezaken 201701726, 201700590, 201701733, 201701336 en 201700429 (de primaire besluiten) heeft de minister aan appellante boetes opgelegd vanwege overtredingen van de Wet dieren.

1.3

Bij besluit van 4 mei 2018 (het bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister de bezwaren tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard en deze besluiten gehandhaafd.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

Voor zover het College hierna delen van de aangevallen uitspraak citeert, geldt daarbij dat hierin appellante is aangeduid als ‘eiseres’ en de minister als ‘verweerder’.

2.2

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd voor zover dat ziet op de boetezaak 201700429, het primaire besluit in deze boetezaak herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van dit vernietigde deel van het bestreden besluit. De rechtbank heeft het bestreden besluit voor zover dat ziet op de overige boetezaken in stand gelaten. Voorts heeft de rechtbank de minister veroordeeld in de proceskosten van appellante voor zowel het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren van appellante als het inhoudelijke beroep tot een bedrag van in totaal € 540,08, waarvan een bedrag van € 506,62 voor het inhoudelijke beroep.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.
Het hoger beroep richt zich niet tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot boetezaak 201700429, zodat deze boetezaak verder buiten beschouwing blijft. Het hoger beroep heeft niet alleen betrekking op de beoordeling door de rechtbank van alle overige boetezaken, maar tevens op de proceskostenveroordeling van de minister voor wat betreft het inhoudelijke beroep wegens de daarbij door de rechtbank toegepaste matiging.

4. Voor zover appellante in hoger beroep enkel heeft verwezen naar de door haar in bezwaar en beroep aangevoerde standpunten, stelt het College vast dat appellante niet met een op het bestreden besluit, onderscheidenlijk de aangevallen uitspraak, toegespitste motivering nader heeft uiteengezet waarom het bestreden besluit, respectievelijk de aangevallen uitspraak, de rechterlijke beoordeling in hoger beroep niet kan doorstaan. Het College gaat derhalve aan deze standpunten voorbij.

5. Het College zal de in geding zijnde boetes hierna beoordelen aan de hand van de door appellante tegen de aangevallen uitspraak aangevoerde beroepsgronden. Het College zal eerst beoordelen of de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat appellante de door de minister geconstateerde overtredingen heeft begaan, waarbij eerst de in dat verband voor een aantal boetezaken gelijkluidende beroepsgronden worden behandeld en daarna de specifieke beroepsgronden per boetezaak. Vervolgens zal het College de voor alle boetezaken gelijkluidende, andere beroepsgronden bespreken.

6. Het College wijst er in het algemeen op dat het ingevolge artikel 6:2, eerste lid, van de Wet dieren verboden is in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is. Waar hierna sprake is van overtreding van een met name genoemd voorschrift van Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (Verordening nr. 852/2004) is van belang dat dit voorschrift ingevolge artikel 2.4, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten is aangewezen als een voorschrift van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren. Ten aanzien van de hierna te noemen overtredingen van met name genoemde voorschriften uit Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten (Verordening nr. 1069/2009) en van Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (Verordening nr. 142/2011) geldt dat deze voorschriften ingevolge artikel 3.3 van de Regeling dierlijke producten eveneens zijn aangewezen als voorschriften bedoeld in artikel 6.2, eerste lid van de Wet dieren.

Algemeen

7.1

In deze zaken gaat het om boetes die de minister vanwege verschillende overtredingen met betrekking tot dierlijke bijproducten aan appellante heeft opgelegd. Volgens de minister waren – kort gezegd – bedrijfsruimten voor levensmiddelen van het bedrijf van appellante niet schoon (boetezaak 201607046), bakken (recipiënten) voor dierlijke bijproducten niet afgedekt (201607046, 201700220, 201700590, 201701733), een oplegger niet afgedekt (201700590), dierlijke bijproducten niet gekoeld (201701336) en/of de bakken voor dierlijke bijproducten (recipiënten) niet lekvrij (201701726, 20170020) en/of niet schoon en droog (20700220), en waren bakken voor dierlijke bijproducten niet van een aanduiding ter identificatie voorzien (201607046, 201701726, 201700220, 201700590, 201701733). De overtreden wettelijke voorschriften zullen hierna in dit algemene deel, dan wel bij de beoordeling van de afzonderlijke boetezaken nader worden genoemd en (in de kern) worden weergegeven, zonder deze nadien steeds te herhalen.

Identificeerbaarheid
7.2.1 De rechtbank heeft ten aanzien van alle onderhavige boetezaken waarin bakken voor dierlijke bijproducten geen aanduiding hadden, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“3.1 De rechtbank overweegt dat, ook indien eiseres zou worden gevolgd dat voor haar geen etiketteringsplicht geldt, dit niet wegneemt dat eiseres er gelet op punt 1 van Hoofdstuk II van Afdeling 4 van Bijlage VIII van Verordening 142/2011 wel voor moet zorgen dat op haar bedrijf dierlijke producten als zodanig identificeerbaar zijn en blijven en gescheiden zijn. In Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (Verordening 1069/2009), waarnaar Verordening 142/2011 verwijst, zijn dierlijke bijproducten onderverdeeld in categorieën, naar gelang het risico voor de volks- en diergezondheid, en is bepaald wat met de dierlijke bijproducten uit een bepaalde categorie wel of niet mag worden gedaan. Ter bescherming van de dier- en volksgezondheid is van belang dat in de gehele productieketen dierlijke bijproducten steeds duidelijk als zodanig en naar categorie identificeerbaar zijn, en gescheiden zijn van producten die wel geschikt zijn voor menselijke consumptie. Het is aan eiseres, als onderdeel van die productieketen, om ervoor te zorgen dat de dierlijke bijproducten die op haar bedrijf ontstaan, hieraan voldoen. Ook indien voor de vervoerder en het verwerkingsbedrijf zwaardere eisen zouden gelden voor de identificeerbaarheid en etikettering dan voor een slachterij (zoals eiseres lijkt te stellen), dan rust nog steeds op de slachterij de verantwoordelijkheid om de dierlijke producten zodanig te identificeren en te scheiden dat ook de vervoerder die vervolgens de dierlijke bijproducten meeneemt en het verwerkingsbedrijf dat vervolgens de producten verwerkt, kunnen voldoen aan de voor hen geldende verplichtingen inzake identificeerbaarheid en etikettering. In elk geval dient op het bedrijf van eiseres duidelijk te zijn welke producten dierlijke bijproducten zijn en welke categorie het betreft. Bij eiseres worden dierlijke bijproducten die bij het slachtproces ontstaan in bakken gedeponeerd en deze bakken worden in een aparte ruimte neergezet. Voor zover eiseres moet worden gevolgd dat zij geen etiket of aanduiding op de bakken hoeft aan te brengen, rust op haar in elk geval de plicht om op andere wijze ervoor te zorgen dat duidelijk is dat het om bakken met dierlijke bijproducten gaat en om welke categorie dierlijke bijproducten. Overigens blijkt uit meerdere rapporten van bevindingen in deze boetezaken dat eiseres in een aantal gevallen wel categorie aanduidingen op bakken heeft aangebracht. Indien uit de rapporten van bevindingen blijkt dat een aanduiding van het soort materiaal op de bakken ontbreekt, is het naar het oordeel van de rechtbank aan eiseres om aannemelijk te maken dat producten, op een andere wijze dan middels een aanduiding op de bakken, voor een ieder op de slachterij identificeerbaar zijn als dierlijke bijproducten en in welke categorie. Een enkele stelling dat eiseres bepaalde (kleuren) bakken gebruikt voor bepaalde soorten bijproducten, is daarvoor onvoldoende. Het is aan eiseres om dit nader te onderbouwen en aldus aannemelijk te maken dat bij haar een dusdanig duidelijke werkwijze wordt gehanteerd, dat er geen twijfel kan ontstaan over welk materiaal bepaalde bakken bevatten. De rechtbank stelt vast dat eiseres een dergelijke onderbouwing niet heeft gegeven. Aldus zal uit de rapporten van bevindingen zelf, en hetgeen eiseres daartegen heeft ingebracht, moeten blijken of eiseres in dat geval heeft voldaan aan de eisen van identificeerbaarheid, hetzij door een aanduiding op de bakken, hetzij anderszins.

7.2.2

Appellante kan zich niet verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen in 3.1 van de aangevallen uitspraak. Volgens appellante miskent de rechtbank in deze overweging dat appellante niet slechts heeft gesteld dat zij bepaalde (kleuren) bakken gebruikt voor bepaalde soorten bijproducten, maar dat zij tevens heeft aangevoerd dat de gescheiden opvang van dierlijke bijproducten van categorie 2-, respectievelijk categorie 3-materiaal in recipiënten en de gescheiden opslag in afgescheiden ruimten voor materiaal van beide categorieën en de separate afvoerregistratie hiervan, een toereikende maatregel is om te zorgen voor scheiding en identificeerbaarheid van de door haar verzamelde dierlijke bijproducten. Appellante is niet gehouden om verdere maatregelen, zoals het merken en het etiketteren van recipiënten, te treffen. De enkele vaststelling door een toezichthouder dat een merk of etiket ontbreekt, levert volgens appellante niet, althans niet zonder meer, een overtreding op.

7.2.3

De minister stelt dat uit punt 1 van hoofdstuk II van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011 volgt dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten tijdens het gehele proces identificeerbaar moeten zijn. Dit is volgens de minister noodzakelijk, omdat altijd een onderscheid moet worden gemaakt tussen categorie 1-, 2- en 3-materiaal, zodat materiaal in een bepaalde categorie niet voor een andere categorie wordt aangezien en vervolgens als zodanig wordt verwerkt.

7.2.4.1 Het College overweegt over de in 7.2.2 genoemde beroepsgrond als volgt.

7.2.4.2 De minister verwijt appellante in alle boetezaken, met uitzondering van boetezaak 201701336, dat op haar bedrijf recipiënten zijn aangetroffen die niet identificeerbaar waren, dan wel niet van een identificatie waren voorzien. In het bestreden besluit heeft de minister in dit verband bij de bespreking van de algemene bezwaren van appellante overwogen dat uit punt 1 van hoofdstuk II van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011 blijkt dat de dierlijke bijproducten en afgeleide producten tijdens het gehele proces identificeerbaar moeten zijn. De minister heeft hierbij het oog gehad op het voorschrift van punt 1, aanhef en onder a, van hoofdstuk II van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011. Hierin is bepaald dat alle nodige maatregelen moeten worden getroffen om ervoor te zorgen dat zendingen dierlijke bijproducten en afgeleide producten identificeerbaar zijn en tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong van de dierlijke bijproducten alsook tijdens het vervoer gescheiden en identificeerbaar blijven. Het College begrijpt de minister aldus dat hij in alle genoemde boetezaken heeft vastgesteld dat appellante dit voorschrift heeft overtreden en daarop de betreffende boete heeft gebaseerd, en dat hij appellante (daarnaast) niet (tevens) verwijt dat zij niet heeft voldaan aan de etiketteringsverplichting van punt 2 van hoofdstuk II van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011. Hiermee is in lijn dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak voorop stelt dat, ook indien appellante zou worden gevolgd in haar standpunt dat voor haar geen etiketteringsplicht geldt, dit niet wegneemt dat appellante er, gelet op punt 1, aanhef en onder a, van hoofdstuk II van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011, voor moet zorgen dat op haar bedrijf dierlijke bijproducten als zodanig identificeerbaar zijn en blijven en gescheiden zijn (Overigens verwijst de rechtbank hierbij abusievelijk naar het niet bestaande hoofdstuk II van afdeling 4 van bijlage VIII). Appellante heeft in hoger beroep ook niet aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat genoemde boetes alleen zijn gebaseerd op overtreding van punt 1, aanhef en onder a, van hoofdstuk II van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011. Het College neemt dit uitgangspunt daarom evenals de rechtbank tot vertrekpunt bij de beoordeling van het hoger beroep.

7.2.4.3 Gelet op de tekst van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met punt 1, aanhef en onder a, van hoofdstuk II van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011 is duidelijk dat een exploitant zoals appellante tijdens het verzamelen van dierlijke bijproducten in de slachterij zoals looppoten, koppen en ander slachtafval, zijnde de plaats van oorsprong van deze dierlijke bijproducten, moet voldoen aan het vereiste dat alle nodige maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat zendingen dierlijke bijproducten identificeerbaar zijn, gescheiden en identificeerbaar blijven. De rechtbank heeft in overweging 3.1 van de aangevallen uitspraak terecht gewezen op het belang dat ter bescherming van de dier- en volksgezondheid in de gehele productieketen dierlijke bijproducten steeds duidelijk als zodanig en naar de in Verordening nr. 1069/2009 onderscheiden categorieën identificeerbaar en gescheiden zijn en blijven van producten die wel geschikt zijn voor menselijke consumptie. De rechtbank heeft hierbij ook terecht gewezen op de eigen verantwoordelijkheid van appellante ter zake van vorengenoemde verplichting voor het vervolg van het productieproces, waarin de vervoerder en het verwerkingsbedrijf dat de producten vervolgens verwerkt moeten kunnen voldoen aan de op hen rustende verplichtingen met betrekking tot de identificeerbaarheid en etikettering. In de aanhef van punt 2 van hoofdstuk II van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011 staat dat tijdens het vervoer en de opslag op de verpakking, de recipiënt of het voertuig een etiket moet worden aangebracht dat voldoet aan de daarin gestelde eisen. Nu hierin het verzamelen van dierlijke bijproducten, anders dan in punt 1, onder a, van genoemd hoofdstuk, niet is vermeld, geldt deze etiketteringsplicht niet voor deze fase in het productieproces. Dat neemt echter niet weg dat appellante ook in deze fase moet voldoen aan de ingevolge punt 1, aanhef en onder a, van hoofdstuk II van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011 op haar rustende verplichting om alle nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat dierlijke bijproducten identificeerbaar zijn en blijven. In de desbetreffende boetezaken dient derhalve de vraag te worden beantwoord of de minister terecht heeft vastgesteld dat appellante niet alle nodige maatregelen heeft getroffen om ervoor te zorgen dat zendingen dierlijke bijproducten en afgeleide producten identificeerbaar zijn en tijdens het verzamelen in haar slachterij gescheiden en identificeerbaar blijven. Het voorschrift van punt 1, aanhef en onder a, van Verordening nr. 142/2011 vereist niet dat appellante de dierlijke bijproducten met een (bepaald) etiket identificeert en laat enige ruimte aan de exploitant om invulling te geven aan alle maatregelen die nodig zijn om het daarin bepaalde doel van de identificeerbaarheid te realiseren. In zoverre volgt het College de rechtbank in haar oordeel dat op appellante de plicht rust om op andere wijze ervoor te zorgen dat duidelijk is dat het om bakken met dierlijke bijproducten gaat en om welke categorie dierlijke bijproducten. Dit brengt met zich dat het College ook in zoverre het oordeel van de rechtbank onderschrijft dat, indien uit het aan een boete ten grondslag gelegde rapport van bevindingen van een toezichthouder blijkt dat een aanduiding op de bakken ontbreekt, het op de weg van appellante ligt om aannemelijk te maken dat de daarin aanwezige dierlijke bijproducten, op een andere toereikende wijze identificeerbaar zijn als dierlijke bijproducten en tot welke van de in Verordening nr. 1069/2009 onderscheiden categorieën deze producten behoren.

7.2.4.4 Appellante heeft in alle boetezaken waarin de minister haar een boete heeft opgelegd omdat bakken met dierlijke bijproducten niet identificeerbaar waren, aangevoerd dat zij bepaalde (kleuren) bakken gebruikt voor bepaalde categorieën dierlijke bijproducten en daarnaast dat de gescheiden opvang van categorie 2-, onderscheidenlijk categorie 3-materiaal in haar slachterij en de door haar gehanteerde separate afvoerregistratie voor deze beide categorieën dierlijke bijproducten toereikende maatregelen zijn om te zorgen voor identificeerbaarheid en scheiding van de door haar verzamelde dierlijke bijproducten. Desgevraagd heeft appellante ter zitting toegelicht welk systeem zij hanteert voor de identificatie van categorie 2- en categorie 3-materiaal. Appellante heeft uiteengezet dat categorie 2-, onderscheidenlijk categorie 3-materiaal separaat wordt verzameld en dat dit materiaal in aparte ruimtes wordt opgeslagen. Bij bakken zonder aanduiding of met de aanduiding categorie 2-materiaal geldt dat sprake is van bakken met categorie 2-materiaal. Categorie 3-materiaal wordt separaat verzameld en voor zover mogelijk via leidingen afgevoerd. Het kan hierbij (ook) gaan om dierlijke bijproducten met het predicaat “B-kwaliteit”. Dat materiaal wordt (bovengronds) verzameld in bakken, die worden voorzien van een sticker met de aanduiding “categorie 3”. Ook heeft appellante erop gewezen dat wanneer een bak niet is voorzien van een aanduiding, dit per definitie betekent dat het een bak met categorie 2-materiaal betreft. Appellante heeft er in dit verband op gewezen dat categorie 3-materiaal, nadat dit materiaal is verzameld, later in het bedrijfsproces kan worden afgewaardeerd naar categorie 2-materiaal. Volgens appellante is vorengenoemde werkwijze ook schriftelijk vastgelegd.

7.2.4.5 Het College stelt voorop dat de minister appellante niet verwijt dat zij niet voldoet aan het in punt 1, aanhef en onder a, van hoofdstuk II van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011 gestelde vereiste dat dat alle nodige maatregelen moeten worden getroffen om ervoor te zorgen dat zendingen dierlijke bijproducten tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong gescheiden blijven. Hetgeen appellante heeft gesteld met betrekking tot de gescheiden opvang van categorie 2- en categorie 3-materiaal in recipiënten en de gescheiden opslag in afgescheiden ruimten voor materiaal van beide categorieën, is niet relevant bij de beantwoording van de voorliggende vraag of de minister terecht heeft vastgesteld dat sprake is van overtreding van het in punt 1, voormeld, neergelegde afzonderlijke vereiste met betrekking tot de identificeerbaarheid van dierlijke bijproducten. Met hetgeen appellante heeft aangevoerd en ter zitting nader heeft uiteengezet over de door haar gevolgde werkwijze met betrekking tot de identificatie van het door haar verzamelde categorie 2- en 3-materiaal heeft appellante de vaststelling door de minister dat zij niet voldoet aan evengenoemd vereiste met betrekking tot de identificeerbaarheid van dierlijke bijproducten onvoldoende gemotiveerd en begrijpelijk weersproken.

Voor zover appellante heeft betoogd dat vorengenoemde werkwijze is vastgelegd, heeft zij dat niet met feiten gestaafd, bijvoorbeeld door nadere aanduiding van het document waarin dit staat en op welke plek, bijvoorbeeld in de ten tijde in geding van toepassing zijnde werkinstructie. Ook is onduidelijk gebleven hoe de eerder door appellante betrokken stelling dat wordt gewerkt met gekleurde bakken voor bepaalde categorieën dierlijke bijproducten past in de ter zitting geschetste werkwijze waarin wel sprake is van bepaalde aanduidingen op bakken met dierlijke bijproducten en voorts geldt dat wanneer een dergelijke aanduiding ontbreekt, sprake is van een bak met categorie 2-materiaal. Voorts heeft appellante niet inzichtelijk gemaakt op welke toereikende wijze bij de afwaardering van als categorie 3-materiaal verzamelde dierlijke bijproducten naar categorie 2-materiaal later in het bedrijfsproces is gewaarborgd dat dit materiaal identificeerbaar is en blijft. De omstandigheid dat appellante een separate afvoerregistratie hanteert voor categorie 2-, onderscheidenlijk categorie 3-materiaal betekent niet dat is voldaan aan het vereiste van de identificeerbaarheid van de bakken. Een bak zonder enige aanduiding van de categorie dierlijke bijproducten waarvoor deze bak is bestemd, is niet identificeerbaar.

7.2.4.6 Het College zal hierna per boetezaak aan de hand van het door de minister gebruikte bewijs, dat hij heeft ontleend aan het in elke zaak opgemaakte rapport van bevindingen van de toezichthouder, en hetgeen appellante daartegen heeft aangevoerd, beoordelen of de minister terecht heeft vastgesteld dat appellante punt 1, aanhef en onder a, van hoofdstuk II van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011 heeft overtreden.

Afgedekte en lekvrije recipiënten

7.3.1

De rechtbank heeft ten aanzien van alle onderhavige boetezaken waarin volgens de minister bakken voor dierlijke bijproducten niet waren afgedekt en/ of lekvrij waren, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

4.1

De rechtbank overweegt dat in punt 1 van Afdeling I, Hoofdstuk I, Bijlage VIII, van Verordening 142/2011 is opgenomen dat vanaf het beginpunt in de productieketen dierlijke bijproducten en afgeleide producten moeten worden verzameld en vervoerd in gesloten nieuwe verpakkingen of afgedekte lekvrije recipiënten of voertuigen. Gelet op de tekst van punt 1, de samenhang met de rest van Bijlage VIII en het doel van deze Verordening, leest de rechtbank punt 1 aldus dat de eisen voor recipiënten gelden voor zowel het verzamelen als het vervoer van dierlijke bijproducten. Dit betekent dat eiseres de dierlijke bijproducten die op haar bedrijf ontstaan, moet verzamelen in afgedekte en lekvrije recipiënten. De door eiseres gebruikte bakken voor dierlijke bijproducten moeten dus lekvrij zijn en afgedekt zijn. De rechtbank kan eiseres volgen in haar betoog dat tijdens het actief verzamelen, door het deponeren van bijproducten in de bakken, de recipiënten niet afgesloten kunnen zijn. Echter, zodra een bak niet meer wordt gevuld met bijproducten en apart wordt gezet, is het voor eiseres wel mogelijk om de bak af te dekken en moet zij dit ook doen op grond van punt 1 van Afdeling I, Hoofdstuk I, Bijlage VIII, van Verordening 142/2011. Uit punt 1 volgt ook duidelijk dat de recipiënten waarin eiseres de bijproducten verzamelt, lekvrij moeten zijn. De stelling van eiseres dat zij proceswater afvoert via afvalwatersystemen, kan niet afdoen aan deze verplichting.”

7.3.2

Appellante is het niet eens met deze overweging van de rechtbank. Appellante voert aan dat de uitleg die de rechtbank hierin geeft aan punt 1 van afdeling I van hoofdstuk I van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011 niet aansluit bij de realiteit van de productieketen, waarin voor de verzameling van dierlijke bijproducten noodzakelijkerwijze niet afgedekte recipiënten (moeten) worden gebruikt en proceswater zijn weg moet kunnen vinden naar en via de afvalwatersystemen. Appellante meent op grond van deze realiteit dat genoemd punt 1 aldus moet worden uitgelegd dat het twee instructies bevat, namelijk de instructie dat “vanaf het in artikel 4, lid 1, van Verordening nr. 1069/2009 genoemde beginpunt in de productieketen dierlijke bijproducten en afgeleide producten moeten worden verzameld” en een tweede instructie dat deze producten worden “vervoerd in gesloten nieuwe verpakkingen of afgedekte lekvrije recipiënten of voertuigen”. Deze uitleg sluit wel aan op het productieproces van pluimveeslachterijen.

7.3.3

De minister sluit zich aan bij overweging 4.1 van de uitspraak van de rechtbank.

7.3.4.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van Verordening nr. 1069/2009 zorgen exploitanten zodra zij dierlijke bijproducten of afgeleide producten die in het toepassingsbereik van deze verordening vallen doen ontstaan ervoor dat zij overeenkomstig deze verordening worden verwerkt (beginpunt). In punt 1 van afdeling 1 van hoofdstuk I van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011 is bepaald dat vanaf het in artikel 4, eerste lid, van Verordening nr. 1069/2009 genoemde beginpunt in de productieketen dierlijke bijproducten en afgeleide producten moeten worden verzameld en vervoerd in gesloten nieuwe verpakkingen of afgedekte lekvrije recipiënten of voertuigen. De bewoordingen van punt 1, voormeld, stellen naar het oordeel van het College buiten twijfel dat vanaf genoemd beginpunt dierlijke bijproducten moeten worden verzameld in afgedekte lekvrije recipiënten. Omdat het onmogelijk is om dierlijke bijproducten te deponeren in een daarvoor bestemde bak die is afgedekt, is duidelijk dat tijdens deze fase van het actief verzamelen van dierlijke bijproducten, de betreffende bak niet kan en behoeft te zijn afgedekt, zoals de rechtbank heeft overwogen, maar volgt uit dit voorschrift dat in ieder geval sprake moet zijn van een afgedekte bak zodra een bak niet meer wordt of kan worden gevuld met dierlijke bijproducten. Gelet op de tekst van genoemd voorschrift is voorts duidelijk dat de recipiënten waarin de bijproducten worden verzameld zonder meer lekvrij moeten zijn. Hetgeen appellante heeft aangevoerd kan niet afdoen aan het vorenstaande. De beroepsgrond faalt.

7.4

Met het oog op de hierna volgende beoordeling per boetezaak of de minister terecht heeft vastgesteld dat appellante de daarin aan de orde zijnde overtredingen heeft begaan, overweegt het College voorts nog het volgende. In gevallen als de onderhavige waarin een of meerdere boetes zijn opgelegd, rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. De minister moet daarom het bewijs leveren dat appellante de betreffende wettelijke bepalingen heeft overtreden en daartoe de feiten deugdelijk vaststellen. Volgens vaste jurisprudentie van het College, waaronder de uitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:CBB:2017:230, mag een bestuursorgaan daarbij in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde controleur en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Het ligt dan op de weg van degene bij wie de controle is verricht om aannemelijk te maken dat de bevindingen niettemin onjuist zijn.

Afzonderlijke boetezaken (vaststelling overtreding)

Boetezaak 201607046

8.1

In deze zaak heeft de minister drie boetes opgelegd van respectievelijk € 2.500,- ,

€ 5.000,- en € 2.500,- De drie overtredingen (beboetbare feiten) waarvoor genoemde boetes zijn opgelegd zijn vermeld in punt 5.1 van de aangevallen uitspraak. Zij hebben betrekking op respectievelijk de afdekking van recipiënten, de hygiëne van bedrijfsruimten voor levensmiddelen en de identificeerbaarheid van de recipiënten. De minister heeft deze boetes gebaseerd op de bevindingen van een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij een controle op het bedrijf van appellante op 15 november 2016. Deze bevindingen zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 16 november 2016. De rechtbank heeft dit rapport weergegeven in punt 5.3 van de aangevallen uitspraak. In punt 5.4 heeft de rechtbank geoordeeld dat in voldoende mate vaststaat dat appellante genoemde drie overtredingen heeft begaan. Het College volstaat hier met een verwijzing naar vorengenoemde onderdelen van de aangevallen uitspraak.

8.2

Appellante voert aan dat zij niet is gehouden dierlijke bijproducten te verzamelen in afgesloten recipiënten. Voorts voert zij aan dat de afdeling dierlijke bijproducten (DBP) niet kan worden aangemerkt als een bedrijfsruimte voor levensmiddelen. In die ruimte zijn geen levensmiddelen aanwezig, maar alleen materiaal dat ongeschikt is voor menselijke consumptie. Dit betekent volgens appellante dat uitsluitend Verordening nr. 1069/2009 en niet (mede) Verordening nr. 852/2004 ten aanzien van de afdeling DBP van toepassing is. Appellante betwist de feitelijke vaststelling dat de bakken niet waren geïdentificeerd, nu op de foto’s behorende bij het rapport van bevindingen slechts gedeelten van de bakken zichtbaar zijn. Volgens appellante levert het ontbreken van een identificatie op de bakken geen, althans niet zonder meer een overtreding op. De door de toezichthouder vastgestelde feiten en omstandigheden zijn daarvoor onvoldoende. Zo heeft de toezichthouder niet vastgesteld dat de bakken zich niet bevonden in een voor de betreffende categorie dierlijke bijproducten bestemde verzamelruimte en evenmin dat appellante ter zake van deze bakken niet heeft voldaan aan enige registratieverplichting.


Afdekking recipiënten

8.3.1

Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat in de afdeling DBP (ook wel renderingsruimte genoemd) verschillende containers stonden die gedeeltelijk waren gevuld met dierlijk resten en niet waren afgedekt. Appellante heeft deze constatering op zich zelf niet betwist en volstaan met verwijzing naar de hiervoor in 7.3.2 genoemde beroepsgrond gericht tegen rechtsoverweging 4.1 van de aangevallen uitspraak. Het College heeft hiervoor in 7.3.4 geoordeeld dat deze beroepsgrond faalt. Gelet op het

vorenstaande is het College van oordeel dat de rechtbank, gezien vorengenoemd rapport van bevindingen van 16 november 2016, terecht heeft geoordeeld dat in voldoende mate vaststaat dat appellante de in 5.1 van de aangevallen uitspraak als feit 1 genoemde overtreding heeft begaan.


Hygiëne bedrijfsruimten voor levensmiddelen

8.3.2.1 Met betrekking tot de overtreding ter zake van de hygiëne in bedrijfsruimten voor levensmiddelen stelt het College vast dat uit het rapport van bevindingen van 16 november 2019 hieromtrent het volgende blijkt. Bij het betreden van de afdeling DBP zag de toezichthouder dat de machine rechts van hem niet was schoongemaakt en dat op verschillende plaatsen op de machine dierlijke bijproducten lagen. Ook was de afvoergoot sterk vervuild, voornamelijk met veren. In de aanpalende ruimte was categorie 2-materiaal zichtbaar op de vloer rondom de daar aanwezige rolcontainers. Tijdens de controle zag de toezichthouder dat de vloer van de gehele ruimte niet schoon was. Op veel plaatsen lagen restanten categorie 2-materiaal en grote plassen bloederig vocht. De toezichthouder zag een medewerker in witte kleding uit de afdeling panklaar in de DBP-ruimte komen en hem daarna weer naar de afdeling panklaar gaan. Op grond van deze bevindingen heeft de minister vastgesteld dat appellante artikel 4, tweede lid, in verbinding met punt 1 van hoofdstuk I van bijlage II van Verordening nr. 852/2004 overtreden.

8.3.2.2 Ingevolge artikel 3 van Verordening nr. 852/2004 zorgen exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor dat alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen die zij onder hun beheer hebben, voldoen aan de bij deze verordening vastgestelde toepasselijke hygiënevoorschriften. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van Verordening nr. 852/2004, voor zover hier van belang, houden exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II. Het eerste lid van dit artikel ziet op exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met primaire productie en de in bijlage I bedoelde, daarmee verband houdende bewerkingen. Bijlage II van Verordening nr. 852/2004 heeft als titel “Algemene hygiënevoorschriften voor alle exploitanten van levensmiddelen (tenzij bijlage I van toepassing is) en hoofdstuk II van deze bijlage “Algemene eisen voor bedrijfsruimten voor levensmiddelen (andere dan vermeld in hoofdstuk III) ”. In punt 1 van hoofdstuk I van bijlage II van Verordening nr. 852/2004 is bepaald dat bedrijfsruimten voor levensmiddelen schoon moeten zijn en goed moeten worden onderhouden.

8.3.2.3 De rechtbank heeft in rechtsoverweging 5.4 van de aangevallen uitspraak over de onderhavige overtreding het volgende overwogen:

“Ook de overtreding van het tweede onder 5.1 genoemde feit, namelijk dat bedrijfsruimten voor levensmiddelen niet schoon waren, staat in voldoende mate vast. Uit het rapport blijkt dat de toezichthouder in de afdeling dierlijke bijproducten onder meer zag dat een machine niet schoongemaakt was, dat er dierlijke bijproducten op lagen, de afvoergoot sterk vervuild was, dat de vloer van de gehele ruimte niet schoon was en dat op veel plaatsen restanten categorie 2 materiaal lagen. Daaruit blijkt afdoende dat de ruimte niet schoon was. Dat punt 1 van Hoofdstuk I, Bijlage II, van Verordening 852/2004 hier niet van toepassing zou zijn omdat de ruimte niet als een ruimte voor levensmiddelen kan worden aangemerkt, volgt de rechtbank niet. Het gaat in dit geval om een ruimte voor dierlijke bijproducten. Hoofdstuk I van Bijlage II van Verordening 852.2004 is getiteld: “Algemene eisen voor bedrijfsruimten voor levensmiddelen (anders dan vermeld in hoofdstuk III)” en vervolgens worden onder die titel (onder meer) regels gesteld voor het schoon houden van dergelijke bedrijfsruimten waarbij ook regels zijn opgenomen voor bijvoorbeeld de toiletten, wasbakken en omkleedruimte. Daaruit volgt dus dat de regels van Hoofdstuk I niet specifiek gericht zijn op ruimtes waar levensmiddelen worden verwerkt. Dat Hoofdstuk I niet zo’n beperkte gelding heeft, volgt ook uit het feit dat daarna in Hoofdstuk II (aldus de titel) specifieke voorschriften voor ruimten waar levensmiddelen worden bereid, behandeld of verwerkt, zijn opgenomen. Overigens wordt het belang dat niet alleen de ruimte waar levensmiddelen worden verwerkt schoon zijn, maar ook de omliggende bedrijfsruimtes, geïllustreerd door de waarneming van de toezichthouder dat een medewerker uit de afdeling panklaar in de dierlijke bijproducten kwam, waar op de vloer dierlijke bijproducten en grote plassen bloederig vocht lagen, en daarna weer richting de panklaarafdeling ging.”

8.3.2.4 Appellante stelt ook in hoger beroep dat de afdeling DBP niet kan worden aangemerkt als bedrijfsruimte voor levensmiddelen als bedoeld in punt 1 van hoofdstuk I van bijlage II van Verordening nr. 852/2004 en dat het in dit punt neergelegde voorschrift dus niet van toepassing is. Met betrekking tot deze beroepsgrond overweegt het College als volgt.

8.3.2.5 Gelet op artikel 2, tweede lid, van Verordening nr. 852/2004 gelden voor de uitvoering van deze verordening, naast de in die verordening neergelegde definities, tevens de definities van Verordening nr. 178/2002 van het Europees parlement en de raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (Verordening nr. 178/2002). Dit betekent dat de definities van de in Verordening nr. 852/2004 gebruikte begrippen “levensmiddelenbedrijf” en “exploitant van een levensmiddelenbedrijf’, zoals neergelegd in artikel 3, onder 2 en 3 van Verordening nr. 178/2002, van toepassing zijn. In dat artikel is onder 2 het begrip “levensmiddelenbedrijf” als volgt gedefinieerd: “onderneming, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die al dan niet met winstoogmerk actief is in enig stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen”. Voorts luidt op grond van voormeld artikel 3, onder 3, de definitie van het begrip “exploitant van een levensmiddelenbedrijf” als volgt: “natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de in de levensmiddelenwetgeving vastgestelde voorschriften in het levensmiddelenbedrijf waarover hij de leiding heeft.” Niet in geschil is dat appellante, die een pluimveeslachterij exploiteert, exploitant is van een levensmiddelenbedrijf in de zin van genoemde definities. Hieruit volgt dat appellante gehouden is de ingevolge artikel 4, tweede lid, van Verordening nr. 852/2004 geldende verplichting na te leven. Gelet op de tekst van deze bepaling is duidelijk dat een exploitant zoals appellante zich in alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen moet houden aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II.

8.3.2.6 Het College ziet, gelet op artikel 4, tweede lid, van Verordening nr. 852/2004, niet in dat het feit dat in de fysieke ruimte van de afdeling DBP van het bedrijf van appellante dierlijke bijproducten in daartoe bestemde containers worden bewaard, in afwachting van de distributie van deze producten naar de afnemers van appellante, betekent dat het algemene hygiënevoorschrift van punt 1 van hoofdstuk I van bijlage II van Verordening nr. 852/2004 niet zou gelden voor deze ruimte, die onderdeel is van de slachterij van appellante. Het tijdelijk bewaren van dierlijke bijproducten in die ruimte is immers een stadium in de productie van de levensmiddelen op het bedrijf van appellante, dat voortvloeit uit en verbonden is met de daaraan voorafgaande stadia in het productieproces. De fysieke ruimte van de afdeling DBP van de slachterij van appellante moet dan ook worden gezien als één van alle bedrijfsruimten voor levensmiddelen, waarop punt 1 van hoofdstuk I van bijlage II van Verordening nr. 852/2004 van toepassing is. Het College concludeert derhalve op andere gronden dan de rechtbank dat het onderhavige hygiënevoorschrift in dit geval van toepassing is.

8.3.2.7 Appellante heeft de hiervoor in 8.3.2.1 weergegeven bevindingen in het rapport van bevindingen niet gemotiveerd betwist. Het College ziet geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid daarvan. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in 8.3.2.5 en 8.3.2.6, betekent dit dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de onderhavige overtreding in voldoende mate vaststaat.

Identificeerbaarheid recipiënten
8.3.3 Wat betreft de identificeerbaarheid van recipiënten heeft de toezichthouder in genoemd rapport van bevindingen geconstateerd dat in de ruimte voor de opslag van rolcontainers en categorie 3-bakken drie kunststof bakken stonden, die gedeeltelijk waren gevuld met dierlijke bijproducten maar niet waren geïdentificeerd. De toezichthouder verwijst hierbij naar twee bij het rapport gevoegde foto’s van deze bakken (foto’s nummer 3 en 5). Vaststaat dat op de bakken niet enigerlei aanduiding is aangebracht. In het enkele feit dat op deze foto’s niet alle zijden van de betreffende bakken zijn te zien, ziet het College geen aanleiding voor twijfel aan vorengenoemde constatering van de toezichthouder dat deze bakken niet waren geïdentificeerd. Van belang hierbij is dat appellante niet heeft aangeven op welke wijze deze bakken dan wel identificeerbaar waren. Voor zover appellante hierbij heeft gewezen op hetgeen zij heeft aangevoerd met de hiervoor in 7.2.2 weergegeven beroepsgrond en in 7.2.4.4 genoemde uiteenzetting over het door haar gehanteerde systeem voor de identificatie van categorie 2- en 3-materiaal, treft dat betoog geen doel en geldt, zoals het College hiervoor in 7.2.4.5 reeds heeft geoordeeld, dat appellante de vaststelling door de minister dat zij niet voldoet aan het vereiste met betrekking tot de identificeerbaarheid van dierlijke bijproducten (voorschrift van punt 1, aanhef en onder a, van hoofdstuk II van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011 met betrekking tot de identificeerbaarheid van dierlijke bijproducten) onvoldoende gemotiveerd en begrijpelijk heeft weersproken. Het College onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat de overtreding van het derde in 5.1 van de aangevallen uitspraak genoemde feit voldoende vaststaat.

Boetezaak 201701726

9.1

In deze zaak heeft de minister twee boetes opgelegd van elk € 2.500,- voor twee overtredingen (beboetbare feiten), die zijn vermeld in punt 6.1 van de aangevallen uitspraak. Zij hebben betrekking op het verzamelen in lekvrije recipiënten, respectievelijk de identificeerbaarheid van recipiënten. De minister heeft deze boetes gebaseerd op de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA bij een controle op het bedrijf van appellante op 9 december 2016. Deze bevindingen zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 24 februari 2017. De rechtbank heeft dit rapport weergegeven in punt 6.3 van de aangevallen uitspraak. In punt 6.4 heeft de rechtbank geoordeeld dat in voldoende mate vaststaat dat appellante genoemde twee overtredingen heeft begaan. Het College volstaat hier met een verwijzing naar vorengenoemde onderdelen van de aangevallen uitspraak.

9.2

Appellante voert aan dat zij niet is gehouden dierlijke bijproducten te verzamelen in lekvrije recipiënten, zodat van een overtreding geen sprake is. De recipiënt bij de looppotensnijder dient juist om natte looppoten uit te laten lekken en dat water loopt weg als regulier onderdeel van het productieproces. Appellante betwist dat de bakken in de nevenruimte niet waren gecategoriseerd, nu in het rapport van bevindingen onvoldoende wordt omschreven hoe de toezichthouder tot deze conclusie is gekomen. De toezichthouder heeft niet vastgesteld dat de bakken zich niet bevonden in een voor de betreffende categorie dierlijk bijproduct bestemde verzamelruimte en evenmin dat appellante niet heeft voldaan aan enige registratieverplichting.


Lekvrije recipiënten

9.3.1

Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat in de broei- en plukruimte een bak stond waaruit een waterige vloeistof naar de vloer lekte. Appellante betwist deze constatering op zich zelf niet, maar herhaalt de hiervoor in 7.3.2 genoemde beroepsgrond gericht tegen rechtsoverweging 4.1 van de aangevallen uitspraak. Hiervoor in 7.3.4 heeft het College geoordeeld dat deze beroepsgrond geen doel treft. Nu het College geen aanleiding ziet voor twijfel aan genoemde constatering van de toezichthouder, is het College dan ook van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in voldoende mate vaststaat dat appellant de in 6.1 van de aangevallen uitspraak als eerste feit genoemde overtreding inzake lekvrije recipiënten heeft begaan.


Identificeerbaarheid recipiënten

9.3.2

Het College is van oordeel dat de rechtbank eveneens terecht heeft geoordeeld dat in voldoende mate vaststaat dat appellante de in 6.1 als tweede feit genoemde overtreding met betrekking tot de identificeerbaarheid van recipiënten heeft begaan. Uit genoemd rapport van bevindingen blijkt dat de toezichthouder in de nevenruimte bakken met vlees en pluimveekadavers zag staan die niet waren gecategoriseerd. Appellante heeft deze constatering op zich zelf niet gemotiveerd bestreden. Het College ziet in de enkele stelling van appellante dat onvoldoende is omschreven hoe de toezichthouder tot die constatering is gekomen, onvoldoende grond om deze constatering onjuist te achten. Appellante heeft alleen gewezen op hetgeen zij in het kader van de hiervoor in 7.2.3 genoemde beroepsgrond, gericht tegen rechtsoverweging 3.1 van de aangevallen uitspraak, heeft aangevoerd en nader heeft toegelicht met de hiervoor in 7.2.4.4 weergegeven uiteenzetting. Zoals hiervoor in 7.2.4.5 is overwogen, faalt die beroepsgrond. Daarin is dus geen reden gelegen voor het oordeel dat de minister ten onrechte heeft vastgesteld dat appellante de onderhavige overtreding heeft begaan.


Boetezaak 201700220

10.1

In deze zaak heeft de minister twee boetes opgelegd van elk € 2.500,- voor twee overtredingen (beboetbare feiten). Deze overtredingen zijn beschreven in punt 7.1 van de aangevallen uitspraak. Het gaat hierbij behalve om de overtreding van punt 1, aanhef en onder a, van hoofdstuk II van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011 inzake de identificeerbaarheid van recipiënten en punt 1 van afdeling 1 van hoofdstuk I van bijlage VIII van die verordening inzake lekvrije recipiënten, ook om overtreding van punt 2 van evengenoemde afdeling 1 inzake schone en droge recipiënten. In dat punt 2 staat het volgende:

“Voertuigen en recipiënten die opnieuw gebruikt kunnen worden en alle opnieuw te gebruiken uitrusting of apparatuur die in contact komen met andere dierlijke bijproducten of afgeleide producten dan afgeleide producten die in de handel worden gebracht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 767/2009 en die worden opgeslagen en vervoerd overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EG) nr. 183/2005, moeten schoon worden gehouden.
Tenzij zij bestemd zijn voor het vervoeren van bijzondere dierlijke bijproducten of afgeleide producten op zodanige wijze dat er geen gevaar voor versleping bestaat, moeten zij met name
a) schoon en droog zijn voor gebruik, en
b) voor zover nodig na elk gebruik gereinigd, gespoeld en/of ontsmet te worden om versleping te voorkomen.

De minister heeft deze boetes gebaseerd op de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA bij een controle op het bedrijf van appellante op 12 december 2016, die zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van dezelfde datum. De rechtbank heeft deze bevindingen weergegeven in punt 7.3 van de aangevallen uitspraak. In punt 7.4 heeft de rechtbank geoordeeld dat in voldoende mate vaststaat dat appellante de beide overtredingen heeft begaan. Het College volstaat hier met een verwijzing naar vorengenoemde onderdelen van de aangevallen uitspraak.

10.2

Appellante voert aan dat zij niet is gehouden dierlijke bijproducten te verzamelen in lekvrije recipiënten, zodat van een overtreding geen sprake is. De recipiënten dienen nu juist om natte koppen en looppoten te laten uitlekken en het water als slachtproceswater als regulier onderdeel van het productieproces te laten weglopen. Appellante voert voorts aan dat het ontbreken van een identificatie op de bakken niet, althans niet zonder meer een overtreding oplevert. De toezichthouder heeft niet vastgesteld dat de bakken zich niet bevonden in een voor de betreffende categorie dierlijk bijproduct bestemde verzamelruimte en evenmin dat appellante niet heeft voldaan aan enige registratieverplichting.


Afgedekte, lekvrije, droge en schone recipiënten

10.3.1

Met betrekking tot de overtreding inzake afgedekte, lekvrije, schone en droge recipiënten stelt het College vast dat de toezichthouder in het rapport van bevindingen van
12 december 2016 heeft geconstateerd dat hij in de renderingsruimte een categorie 3- bak zag die niet lekvrij was. Ook zag de toezichthouder aan de binnen- en buitenkant van bakken veren en lege containers met categorie 2-aanduiding, met bloed en vleesrestanten aan de binnenzijde en de bodem. In de broei- en plukruimte zag de toezichthouder een categorie 3-bak die niet waterdicht was en waaruit water naar de vloer liep. Appellante heeft tegen al deze bevindingen uitsluitend de hiervoor in 7.3.4 reeds beoordeelde beroepsgrond tegen rechtsoverweging 4.1 van de aangevallen uitspraak aangevoerd. Nu deze beroepsgrond niet slaagt en er geen reden is voor twijfel aan de juistheid van genoemde constatering van de toezichthouder, is het College van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellante de overtreding, die in 7.1 van de aangevallen uitspraak als eerste feit is genoemd, heeft begaan.


Identificeerbaarheid recipiënten

10.3.2

In genoemd rapport van bevindingen heeft de toezichthouder geconstateerd dat hij in de renderingsruimte een grijze bak zonder nadere aanduiding zag staan. Met de rechtbank is het College van oordeel dat deze constatering reeds voldoende is voor de vaststelling dat appellante de in 7.1 van de aangevallen uitspraak als tweede feit genoemde overtreding inzake de identificeerbaarheid van recipiënten heeft begaan. Nu hetgeen appellante in het kader van de hiervoor in 7.2.4.4 genoemde beroepsgrond heeft aangevoerd tegen rechtsoverweging 3.1 van de aangevallen uitspraak, gelet op punt 7.2.4.5 van de onderhavige uitspraak, niet slaagt, is daarin geen grond gelegen voor het oordeel dat appellante in dit geval, in weerwil van genoemde constatering, toch heeft voldaan aan het in geding zijnde vereiste met betrekking tot de identificeerbaarheid van recipiënten.

Boetezaak 201701336

11.1

In deze zaak heeft de minister een boete opgelegd van € 2.500,- wegens de in punt 8.1 van de aangevallen uitspraak vermelde overtreding ter zake van de opslag van onverwerkt categorie 3-materiaal dat is bestemd voor de productie van voedermiddelen of voeders voor gezelschapsdieren. Het gaat hierbij in de kern om overtreding van punt 2 van afdeling 2 van hoofdstuk I van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011. Hierin is bepaald dat onverwerkt categorie 3-materiaal dat bestemd is voor de productie van voedermiddelen of voeders voor gezelschapsdieren gekoeld, ingevroren of na inkuiling vervoerd en opgeslagen moet worden, tenzij het wordt verwerkt binnen 24 uur nadat het is verzameld of nadat het uit de koel- of vriesruimte is gehaald, indien het daaropvolgende vervoer plaatsvindt met een vervoermiddel waarin de opslagtemperatuur gehandhaafd blijft. De minister heeft deze boete gebaseerd op de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA bij een controle op het bedrijf van appellante op 27 december 2016. Deze bevindingen zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 27 december 2016 en weergegeven in punt 8.3 van de aangevallen uitspraak. In punt 8.4 heeft de rechtbank geoordeeld dat in voldoende mate vaststaat dat appellante de overtreding heeft begaan. Het College volstaat hier met een verwijzing naar vorengenoemde onderdelen van de aangevallen uitspraak.

11.2

Appellante voert aan dat uit het rapport van bevindingen niet blijkt op basis van welke feiten de toezichthouder de conclusie heeft getrokken dat zij het aangetroffen product bestemd had om af te voeren als categorie 3-materiaal. De toezichthouder vermeldt niet of en dat de container met inhoud als zodanig was gemarkeerd. Dat de container is aangetroffen in de renderingsruimte zegt niets over de bestemming van het product, nu deze ruimte afdelingen voor categorie 2- en categorie 3-materiaal kent. Appellante stelt verder nog dat zij bevoegd is om dierlijk bijproducten van categorie 3-materiaal af te waarderen naar categorie 2-materiaal, zodat niet zonder meer op basis van de inhoud van de container geconcludeerd kan worden dat het categorie 2-materiaal betrof.

11.3

Uit het genoemde rapport van bevindingen blijkt dat de toezichthouder bij een controle in de renderingsruimte op 27 december 2016, voor aanvang van het slachtproces, heeft geconstateerd dat deze ruimte niet is geconditioneerd. De toezichthouder zag in deze ruimte een categorie 3-bak staan, waarin zich onverwerkt materiaal bevond dat was bestemd voor de productie van voedermiddelen of voeders van gezelschapsdieren. Omdat er op 24, 25 en 26 december 2016 niet is geslacht stelde de toezichthouder vast dat dit materiaal meerdere dagen in de niet geconditioneerde ruimte is opgeslagen. Naar het oordeel van het College ligt in deze waarneming besloten dat de toezichthouder heeft waargenomen dat het om een als zodanig identificeerbare bak voor categorie 3-materiaal ging, waarin zich dergelijk materiaal bevond. Hoewel de toezichthouder niet gespecificeerd heeft aan de hand waarvan hij deze waarneming precies heeft gedaan, ziet het College in hetgeen appellante heeft aangevoerd onvoldoende grond om te twijfelen aan de juistheid van deze waarneming. Het ligt niet voor de hand dat de toezichthouder niet aan de hand van een aanduiding heeft geconstateerd dat het ging om een bak voor categorie 3-materiaal. In het licht van hetgeen het College hiervoor in 7.2.4.5 heeft overwogen, ziet het College niet in dat hetgeen appellante heeft gesteld over de afwaardering van categorie 3-materiaal naar categorie 2-materiaal kan afdoen aan vorengenoemde constatering. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat in voldoende mate vaststaat dat appellante de in 8.1 van de aangevallen uitspraak genoemde overtreding heeft begaan.

Boetezaak 201700590

12.1

De minister heeft in deze zaak appellante twee boetes opgelegd van elk € 2.500,- wegens twee overtredingen. Deze overtredingen zijn weergegeven in punt 9.1 van de aangevallen uitspraak en hebben betrekking op de identificeerbaarheid van recipiënten, respectievelijk de afdekking van recipiënten en voertuigen. De boetes zijn gebaseerd op de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA bij een controle op het bedrijf van appellante op 19 januari 2017. Deze bevindingen zijn beschreven in een rapport van bevindingen van 20 januari 2017 en weergegeven in punt 9.3 van de aangevallen uitspraak. In punt 9.4 heeft de rechtbank geoordeeld dat in voldoende mate vaststaat dat appellante de overtreding heeft begaan. Het College volstaat hier met een verwijzing naar vorengenoemde onderdelen van de aangevallen uitspraak.

12.2

Appellante voert aan dat het ontbreken van een identificatie op de bakken niet, althans niet zonder meer, een overtreding oplevert. De toezichthouder heeft vastgesteld dat werd overgegaan tot het ledigen van een product in een naar behoren met een sticker voor categorie 3-materiaal gereedstaande vrachtauto en de toezichthouder heeft niet heeft vastgesteld dat dit dierlijke bijproduct buiten klaar stond met een ander doel dan lediging in deze vrachtwagen. De toezichthouder heeft de afvoerregistratie niet geraadpleegd


Identificeerbaarheid recipiënten

12.3.1

De toezichthouder heeft in genoemd rapport van bevindingen geconstateerd dat hij bij de achteruitgang in de buitenlucht twee stapels bakken met vlees, zonder aanduiding of markering zag staan. Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat hieruit voldoende blijkt dat appellante de in 9.1 van de aangevallen uitspraak als eerste genoemde overtreding heeft begaan. Appellante heeft genoemde constatering als zodanig ook niet betwist, maar gewezen op hetgeen hij in het kader van de hiervoor in 7.2.3 genoemde beroepsgrond, gericht tegen rechtsoverweging 3.1 van de aangevallen uitspraak, heeft aangevoerd en ter zitting nader heeft toegelicht, zoals weergegeven in 7.2.2.4. Zoals hiervoor in 7.2.4.5 is overwogen, faalt die beroepsgrond. Daarin is dus geen reden gelegen voor het oordeel dat de minister ten onrechte heeft vastgesteld dat appellante de onderhavige overtreding heeft begaan. Het feit dat de toezichthouder heeft waargenomen dat de achter de bakken staande oplegger was voorzien van een categorie 3-sticker en dat bakken werden geleegd in de oplegger, neemt niet weg dat de bakken niet voldeden aan het in punt 1, aanhef en onder a, van hoofdstuk II van bijlage VIII van Verordening nr. 142/2011 neergelegde voorschrift met betrekking tot de identificeerbaarheid van zendingen dierlijke bijproducten.


Afgedekte recipiënten en voertuigen

12.3.2

Uit het rapport van bevindingen blijkt dat in een in de oplegger geleegde bak nog vleesresten waren achtergebleven die niet waren afgedekt en dat de oplegger, nadat de bakken vlees daarin waren geleegd, niet was afgedekt en dat er vleesresten naast de oplegger lagen. Ook zag de toezichthouder nog een andere grijze bak staan met vlees, die gedeeltelijk was afgedekt. Appellante heeft deze constateringen niet gemotiveerd betwist. Het College is van oordeel dat de rechtbank, gelet op die constateringen, terecht heeft geoordeeld dat ook genoegzaam vaststaat dat appellante de in 9.1 van de aangevallen uitspraak als tweede feit genoemde overtreding heeft begaan.

Boetezaak 201701733

13.1

In deze zaak heeft de minister appellante twee boetes opgelegd van elk € 2.500,- wegens twee in punt 10.1 van de aangevallen uitspraak genoemde overtredingen ter zake van de identificeerbaarheid, respectievelijk de afdekking van recipiënten. De boetes zijn gebaseerd op de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA bij een controle op het bedrijf van appellante op 3 februari 2017, die zijn beschreven in een rapport van bevindingen van 7 februari 2017. De bevindingen zijn weergegeven in punt 10.3 van de aangevallen uitspraak. In punt 10.4 heeft de rechtbank geoordeeld dat in voldoende mate vaststaat dat appellante deze twee overtreding heeft begaan. Het College volstaat hier met een verwijzing naar vorengenoemde onderdelen van de aangevallen uitspraak.

13.2

Appellante voert aan dat het ontbreken van een identificatie op de bakken niet, althans niet zonder meer, een overtreding oplevert. De toezichthouder heeft geen andere feiten en omstandigheden vastgesteld, waaruit kan volgen dat sprake is van een overtreding. Zo heeft de toezichthouder niet vastgesteld dat de bak zich bevond in een niet voor de betreffende categorie dierlijk bijproduct bestemd ruimte en evenmin dat ten aanzien van deze bak niet is voldaan aan enige registratieverplichting. Appellante voert voorts aan dat zij niet is gehouden dierlijke bijproducten te verzamelen in afgesloten recipiënten, zodat van een overtreding geen sprake is.


Identificeerbaarheid en afdekking recipiënten

13.3

Het College is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in voldoende mate vaststaat dat appellante de beide onderhavige overtredingen heeft begaan. In het genoemde rapport van bevindingen staat dat de toezichthouder bakken met dierlijke bijproducten heeft gezien, dien niet waren afgedekt en evenmin waren voorzien van een categorie-aanduiding. Appellante heeft deze constateringen als zodanig niet gemotiveerd betwist, maar volstaan met een verwijzing naar de hiervoor in 7.2.2 genoemde en in 7.2.2.4 nader uitgewerkte beroepsgrond, gericht tegen rechtsoverweging 3.1 van de aangevallen uitspraak, respectievelijk naar de hiervoor in 7.3.2 genoemde beroepsgrond tegen rechtsoverweging 4.1 van die uitspraak. Nu hiervoor in 7.2.4.5, onderscheidenlijk 7.3.4 is geoordeeld dat deze beroepsgronden geen doel treffen, kunnen deze beroepsgronden niet leiden tot de conclusie dat de minister ten onrechte heeft vastgesteld dat sprake is van genoemde overtredingen.

Conclusie

14. Uit hetgeen hiervoor in 7.2.1 tot en met 13.3 is overwogen, volgt dat de minister in alle boetezaken bevoegd was ter zake van alle aan de orde zijnde overtredingen een boete op te leggen aan appellante.

Overige beroepsgronden (alle boetezaken, tenzij anders vermeld)

Keuze minister voor opleggen boetes

15.1

Appellante heeft aangevoerd dat de minister ten aanzien van haar bedrijf een lik-op-stukbeleid voert, waarbij iedere, vermeende onvolkomenheid wordt vastgelegd in een rapport van bevindingen en tot een boete leidt. De minister heeft ten onrechte geen rekening gehouden met dit ‘nultolerantiebeleid’, waardoor appellante financieel en in haar bedrijfsvoering zwaar wordt belast door het moeten voeren van veel bezwaar- en beroepsprocedures.

15.2

Voor zover appellante hiermee heeft willen betogen dat de minister niet in redelijkheid tot het opleggen van de in geding zijnde boetes heeft kunnen besluiten, ziet het College voor dat oordeel geen grond in de specifiek hiertoe door appellante genoemde redenen. Het gaat bij het opleggen van een boete als hier in geding om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid, waarbij de minister bij het maken van deze keuze beschikt over beleidsruimte. Gesteld noch gebleken is dat ter zake beleid van de minister van toepassing is waaruit volgt dat het opleggen van deze boetes achterwege had moeten blijven. De minister heeft gewezen op het belang van de bescherming van de dier- en volksgezondheid, onderscheidenlijk de volksgezondheid en het waarborgen van de voedselveiligheid, dat wordt gediend door de overtreden wettelijke voorschriften van Verordening nr. 142/2011, respectievelijk Verordening nr. 852/2004, en het grote belang van adequate handhaving van deze voorschriften ter bescherming van die belangen. Volgens de minister is het opleggen van boetes, die bestraffend van aard zijn en gericht zijn op leedtoevoeging, wegens de in geding zijnde overtredingen, gelet op alle feiten en omstandigheden, een geschikte en passende sanctie voor appellante. Op het bedrijf van appellante zijn over een langere periode bij controles een groot aantal overtredingen op het gebied van de diergezondheid, het dierenwelzijn, de volksgezondheid en de voedselveiligheid geconstateerd. Van incidentele overtredingen is dus geen sprake. In dit verband heeft de minister ter zitting uiteengezet dat, voordat is besloten om op het bedrijf van appellante geconstateerde overtredingen te sanctioneren met bestuurlijke boetes, er veel en regelmatig overleg tussen appellante en de NVWA heeft plaatsgevonden om tot verbetering van de naleving van de betreffende wet- en regelgeving te komen en dat met het oog daarop eerst waarschuwingen aan haar zijn opgelegd. Toen verbetering uitbleef, heeft de minister besloten de handhaving ‘op te schalen’ en boetes op te leggen. Nadat de erkenning van de slachterij van appellante in de eerste helft van 2017 gedeeltelijk is geschorst, appellante een verbeterplan heeft ingediend en deze schorsing is opgeheven, is de situatie op het bedrijf volgens de minister spectaculair verbeterd. Die stijgende lijn is vastgehouden. Er worden minder overtredingen geconstateerd. Appellante heeft een en ander niet weersproken. Onder deze omstandigheden acht het College de keuze van de minister om in de onderhavige zaken gebruik te maken van zijn bevoegdheid om boetes op te leggen niet onaanvaardbaar.


Verwijtbaarheid, beroep op artikel 5:41Awb

16.1

Appellante voert onder verwijzing naar artikel 5:41 van de Awb aan dat zij met gedetailleerde werkinstructies, alsmede met de aan het personeel verstrekte opleiding en het toezicht op en de begeleiding van hun functioneren alle zorg betracht die in redelijkheid van haar kan worden gevergd om overtredingen te voorkomen.

16.2

Appellante heeft deze stelling niet nader onderbouwd en toegespitst op de concrete situaties zoals door de toezichthouders zijn beschreven in de rapporten van bevindingen. Daarin ziet het College derhalve geen grond voor het oordeel dat specifiek de in deze boetezaken aan de orde zijnde overtredingen appellante niet kunnen worden verweten.

Hoogte van de boetes

17.1.

Appellante betwist de hoogte van de opgelegde boetes met een beroep op artikel 5:46, derde lid, van de Awb. Volgens appellante had de minister lagere boetes moeten opleggen wegens een aantal bijzondere omstandigheden als bedoeld in deze bepaling. Appellante heeft hiertoe aangevoerd dat zij van de aan de boetes ten grondslag gelegde gedragingen geen enkel economisch voordeel heeft genoten en dat sprake is van niet te vermijden voorvallen in het productieproces, die haar economische belang juist schaden. Voorts heeft de minister ten onrechte geen rekening gehouden met het door hem ten aanzien van appellante gevoerde lik-op-stuk beleid, wat naast de voor haar belastende boetebesluiten in meerdere gevallen leidt tot het door de minister gegrond (moeten) verklaren van door haar ingediende bezwaarschriften. Door het (moeten) voeren van veel bezwaar- en beroepsprocedures wordt appellante financieel en in haar bedrijfsvoering zwaar belast. Voorts staat de opeenstapeling van boetebesluiten volgens appellante in geen verhouding tot de financiële positie van haar bedrijf.

17.2

Het College stelt vast dat de hoogte van de bestuurlijke boete die mag worden opgelegd wegens de in geding zijnde overtredingen op grond van artikel 8.8 van de Wet dieren wettelijk is vastgelegd in het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren (Besluit handhaving) en de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren (Regeling handhaving). Niet gebleken is dat de minister met betrekking tot de in geding zijnde boetes een onjuiste toepassing heeft gegeven aan hetgeen in deze regelingen is bepaald omtrent de hoogte van de boete. Appellante heeft weliswaar gesteld dat de minister de boetes had moeten halveren op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving, maar zij heeft niet concreet gemotiveerd waarom het in deze bepaling bedoelde risico voor de volksgezondheid gering is of ontbreekt. Gegeven de aard van de hier aan de orde zijnde overtredingen acht het College niet aannemelijk dat de gevolgen voor de volksgezondheid gering zijn of ontbreken.

17.3

Ingevolge artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) legt het bestuursorgaan, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. In hetgeen appellante heeft aangevoerd in het kader van deze bepaling ziet het College geen reden om de boete verdergaand te matigen of te schrappen. Zoals het College onder meer heeft geoordeeld in de uitspraak van 23 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:167, brengt artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mee dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen vormt artikel 5:46, derde lid, van de Awb het kader waarin de op artikel 6 van het EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dit kader kan en behoort te worden beoordeeld of de ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit handhaving, gelezen in samenhang met artikel 1.2 van de Regeling handhaving, voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De door appellante genoemde omstandigheden zijn geen omstandigheden waarin de minister aanleiding had moeten zien om de boetes te matigen of te schrappen. Gelet op hetgeen hiervoor in 15.2 is overwogen met betrekking tot de aanpak van het bedrijf van appellante door de minister, leidt de enkele stelling van appellante dat zij financieel en in haar bedrijfsvoering zwaar wordt belast door de bezwaar- en beroepsprocedures en dat zij geen economisch voordeel heeft gehad van de gesanctioneerde gedragingen, niet tot de conclusie dat de boetes onevenredig zijn. Op het bedrijf van appellante was sprake was van een situatie waarin over een langere periode structureel overtredingen van wettelijke voorschriften op het gebied van de volksgezondheid, voedselveiligheid, dierengezondheid en het dierenwelzijn door de minister zijn geconstateerd, terwijl appellante er niet in slaagde om wat dit betreft wezenlijke verbeteringen door te voeren, ondanks voorafgaand overleg met de NVWA en andere maatregelen die haar door de NVWA en de minister zijn opgelegd. Dit blijkt ook uit de uitspraken van heden van het College in de hiervoor in het procesverloop genoemde andere beroepsprocedures van appellante 18/2235, 18/2236, 18/2237, 18/2239, 18/2240, 18/2241, 18/2242, 18/2243, 18/2244 en 18/2245. Genoemde omstandigheden komen dan ook voor rekening en risico van appellante. Appellante heeft haar stelling dat de opeenstapeling van boetebesluiten in geen verhouding staat tot de financiële positie van haar bedrijf niet met feiten onderbouwd. Appellante heeft op geen enkele wijze op enig moment in de procedure inzicht gegeven in de financiële positie van haar bedrijf. Ter zitting heeft appellante desgevraagd verklaard dat zij dit inzicht ook niet zal geven. De financiële positie van appellante geeft daarom geen grond voor het oordeel dat de boetes moeten worden gematigd of op nihil moeten worden vastgesteld.

Conclusie boetezaken

18. Nu het College in boetezaak 201607046 op andere gronden dan de rechtbank heeft geoordeeld dat punt 1 van hoofdstuk I van bijlage II van Verordening nr. 852/2004 van toepassing is op de afdeling DBP van het bedrijf van appellante (zie 8.3.2.6) komt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank hierbij het bestreden besluit ten aanzien van die boetezaak in stand heeft gelaten in aanmerking voor bevestiging met verbetering van de gronden. Voorts komt is het hoger beroep voor zover gericht tegen de aangevallen uitspraak waarbij de rechtbank het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de boetezaken 201701726, 201700220, 201701336, 201700590 en 201701733 in stand heeft gelaten, ongegrond. In zoverre dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

Proceskostenveroordeling

19.1

De rechtbank heeft ten aanzien van de proceskostenveroordeling ten aanzien van het inhoudelijke beroep, voor zover van belang, het volgende geoordeeld:

“16.2 Ten aanzien van de proceshandelingen in het inhoudelijke beroep gericht tegen het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat toepassing van de zuiver forfaitair bepaalde vergoeding leidt tot een dermate disproportionele vergoeding dat er aanleiding bestaat om deze vergoeding op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb te matigen. Daartoe is van belang dat dit beroep en de beroepen ROT 17/4424, ROT 17/4425, ROT 18/3138, ROT 18/3139, ROT 18/3140, ROT 18/3142, ROT 18/3143, ROT 18/3144, ROT 18/3145 en ROT 18/3146, weliswaar niet als samenhangende zaken in de zin van het Bpb kunnen worden aangemerkt, maar wel op onderdelen enige samenhang vertonen ten aanzien van het soort overtreding en een aantal algemene beroepsgronden. Daarnaast zijn al deze beroepen tegelijk op dezelfde zitting behandeld. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de forfaitaire toe te kennen vergoeding te halveren. Voor de vaststelling van het forfaitaire bedrag wordt 1 punt toegekend voor de aanvulling van het beroep bij brief van 28 juni 2018 en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 8 augustus 2018, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1. Na halvering van dit bedrag komen de te vergoeden kosten voor de rechtsbijstandverlening in dit inhoudelijke deel van het beroep op € 501,-. Ten aanzien van de reiskosten van de directeur van eiseres naar de zitting van 8 augustus 2018 overweegt de rechtbank dat de hiervoor genoemde inhoudelijke beroepen op dezelfde zitting zijn behandeld en hij dus slechts één maal heeft moeten reizen voor de inhoudelijke behandeling van deze beroepen. De rechtbank zal de te vergoeden reiskosten (€ 50,60) dan ook gelijkelijk verdelen over de negen van de hiervoor genoemde beroepen die gegrond zijn verklaard, wat neerkomt op € 5,62 per zaak. Daarmee komen de totale te vergoeden proceskosten voor het inhoudelijke deel van dit beroep op € 506,62.”

19.2

Appellante betoogt dat de rechtbank de proceskostenvergoeding wat betreft de proceshandelingen in het inhoudelijke beroep ten onrechte heeft gematigd. Zij wijst er op dat alle beroepen meerdere boetebesluiten omvatten, welke ieder voor zich bestudering en bespreking van de feiten behoeft.

19.3

Het College stelt vast dat de rechtbank op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) heeft besloten tot matiging van de veroordeling van de minister in de proceskosten van appellante. Deze bepaling geeft, voor zover hier van belang, de bestuursrechter de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden af te wijken van het in het eerste lid, onderdeel a, van genoemd artikel bedoelde forfaitaire tarief voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De toelichting bij het Bpb (Stb. 1993, 763, p. 10) vermeldt dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding – zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten – kan verhogen of verlagen. Benadrukt wordt dat het werkelijk gaat om uitzonderingen en als voorbeeld wordt genoemd een geval waarin de burger door gebrekkige informatievoorziening door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd. In dit verband wijst het College ook op de toelichting met dezelfde strekking bij het Besluit proceskosten bestuursrecht van 27 oktober 2017 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband een verruiming van de regeling voor samenhangende zaken (Stb. 2014, 411, p. 3).

19.4

Het College begrijpt de door de rechtbank aan de toepassing van artikel 2, derde lid, Bpb ten grondslag gelegde motivering aldus dat zij van oordeel is dat de omstandigheid dat de daarbij genoemde zaken, hoewel niet samenhangend in de zin van artikel 3 van het Bbp, op onderdelen enige samenhang vertonen ten aanzien van de soort overtreding en een aantal algemene beroepsgronden, alsmede de omstandigheid dat alle betreffende beroepen tegelijk op dezelfde zitting zijn behandeld, bijzondere omstandigheden zijn in de zin van genoemde wettelijke bepaling. Het College is van oordeel dat geen van deze omstandigheden zo uitzonderlijk is en evenmin in onderling verband zo uitzonderlijk zijn, dat afwijking van vorengenoemd forfaitaire tarief op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb gerechtvaardigd is. Dit betekent dat de in 19.2 genoemde beroepsgrond slaagt.

19.5

Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank hierbij de minister heeft veroordeeld in de door appellante gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 540,08 te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, stelt het College de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten die appellante heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep door de rechtbank vast op in totaal € 1.057,46, waarvan € 1.024,- voor de behandeling van het inhoudelijke beroep gericht tegen het bestreden besluit, en € 33,46 aan de door de rechtbank toegekende en in hoger beroep niet bestreden vergoeding voor het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op de bezwaren van appellant. Genoemd bedrag van € 1.024,- is als volgt samengesteld: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank, met een waarde per punt van € 512,- (waarde die gold toen de rechtbank de aangevallen uitspraak deed). De in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank gemaakte (eenmalige) reiskosten zijn reeds voor vergoeding in aanmerking gebracht in de procedure 18/2235, zodat deze kosten in de onderhavige procedure niet nogmaals voor vergoeding in aanmerking komen.

19.6

Het College veroordeelt de minister voorts in de door appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.050,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het College, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Nu de in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte (eenmalige) reiskosten reeds voor vergoeding in aanmerking zijn gebracht in de procedure 18/2728, komen deze kosten in de onderhavige procedure niet nogmaals voor vergoeding in aanmerking.

19.7

De minister wordt dus veroordeeld in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep in eerste aanleg en het hoger beroep gemaakte proceskosten voor in totaal € 2.107,46 ( € 1.057,46 vermeerderd met € 1.050,-).

Beslissing

Het College:

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank hierbij het bestreden besluit ten aanzien van boetezaak 201607046 in stand heeft gelaten, met verbetering van de gronden;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank hierbij het bestreden besluit voor zover dit ziet op de boetezaken 201701726, 201700220, 201701336, 201700590 en 201701733 in stand heeft gelaten;

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank hierbij de minister heeft veroordeeld in de door appellante gemaakte proceskosten tot een bedrag van
    € 540,08;

  • -

    veroordeelt de minister in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep in eerste aanleg en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 2.107,46;

  • -

    draagt de minister op het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 508,- aan appellante te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.S.J. Albers en mr. J.A.M. van den Berk, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2020

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Bijlage I: van toepassing zijnde wettelijke voorschriften

Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees parlement en de raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, luidt voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 2

Definitie van ,,levensmiddel”


In deze verordening wordt verstaan onder ,,levensmiddel” (of ,,voedingsmiddel”): alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd.
(…)

Artikel 3

Overige definities

In deze verordening wordt verstaan onder:
(…)

2. ,, levensmiddelenbedrijf”: onderneming, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die al dan niet met winstoogmerk actief is in enig stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen;
3. ,,exploitant van een levensmiddelenbedrijf”: natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de naleving van de in de levensmiddelenwetgeving vastgestelde voorschriften in het levensmiddelenbedrijf waarover hij de leiding heeft.”

Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne, luidt voor zover van belang, als volgt:

“Overwegende hetgeen volgt:

(…)
(7) De nieuwe algemene en specifieke hygiënevoorschriften hebben in hoofdzaak ten doel een hoog niveau van consumentenbescherming op het vlak van de voedselveiligheid te garanderen.
(…)


Hoofdstuk II

Verplichtingen van exploitanten van levensmiddelenbedrijven

(…)

Artikel 2


Definities

1. Voor de uitvoering van deze verordening geldende volgende definities;

(…)

2. De definities die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 178/2002 gelden eveneens.

(…)

Artikel 4

Algemene en specifieke hygiënevoorschriften

1. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met primaire productie en de in bijlage I bedoelde, daarmee verband houdende bewerkingen, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage I, deel A, alsmede aan alle andere specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004.
2. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004

(…)

Bijlage II

Algemene hygiënevoorschriften voor alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven (tenzij bijlage I van toepassing is)

Inleiding

(…)
- hoofdstuk I is van toepassing op alle bedrijfsruimten voor levensmiddelen, behalve de ruimten waarop hoofdstuk III van toepassing is;

(…)
Hoofdstuk I

Algemene eisen voor bedrijfsruimten voor levensmiddelen (andere dan vermeld in
Hoofdstuk III)

1. Bedrijfsruimten voor levensmiddelen moeten schoon zijn en goed worden onderhouden.”

Verordening (EG) Nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten:

“Artikel 3: definities exploitant en inrichting (punten 11 en 13)

Artikel 4

Beginpunt in de productieketen en verplichtingen

1. Zodra exploitanten dierlijke bijproducten of afgeleide producten die in het toepassingsgebied van deze verordening vallen, doen ontstaan, identificeren zij deze en zorgen zij ervoor dat deze overeenkomstig deze verordening worden verwerkt (beginpunt).

(…)

Afdeling 4
Indeling in categorieën

Artikel 7

Indeling van dierlijke bijproducten en afgeleide producten in categorieën

1. Dierlijke bijproducten worden overeenkomstig de lijst in de artikelen 8, 9 en 10 ingedeeld in bepaalde categorieën naargelang van het risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid die deze dierlijke bijproducten inhouden.

(…)


Artikel 9
Categorie 2-materiaal

Categorie 2- materiaal omvat de volgende dierlijke bijproducten:

(…)


Artikel 10

Categorie 3-materiaal

Categorie 3-materiaal omvat de volgende dierlijke bijproducten”

Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn luidt, voor zover hier van belang, als volgt:


“Artikel 9

Eisen inzake hygiëne en verwerking voor verwerkingsbedrijven en andere inrichtingen
Exploitanten zien erop toe dat inrichtingen en bedrijven onder hun controle de volgende in bijlage IV vastgestelde eisen naleven:
a) de eisen inzake hygiëne en verwerking in hoofdstuk II;

(…)

Artikel 17

Eisen inzake handelsdocumenten en gezondheidscertificaten, identificatie, verzameling en vervoer van dierlijke bijproducten en traceerbaarheid

1. Exploitanten zien erop toe dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten:
a) voldoen aan de eisen inzake verzameling, vervoer, en identificatie van bijlage VIII, hoofdstukken I en II;
(…)

Bijlage IV

Verwerking

(…)

Hoofdstuk II

Eisen inzake hygiëne en verwerking

Afdeling 1


Algemene hygiënevoorschriften
Naast de in artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 vastgestelde algemene hygiënevoorschriften beschikken verwerkingsbedrijven over een gedocumenteerd plagenbestrijdingsprogramma voor de uitvoering van de bepalingen in artikel 25, lid 1, onder c), van die verordening betreffende de voorzieningen ter bescherming tegen schadelijke dieren zoals insecten, knaagdieren en vogels.

Afdeling 2

Algemene voorschriften inzake de verwerking

1. Er moeten nauwkeurig geijkte meters/registreertoestellen worden gebruikt om de verwerking continu te controleren. Er wordt een administratie bijgehouden met de data waarop de meters/registreertoestellen zijn geijkt.

2. Materiaal dat mogelijk niet de gespecificeerde warmtebehandeling heeft ondergaan, zoals materiaal dat bij het opstarten van het verwerkingsproces wordt afgevoerd of uit kooktoestellen is gelekt, moet opnieuw door het warmtebehandelingsproces worden geleid of worden verzameld en opnieuw worden verwerkt of worden verwijderd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009.

Afdeling 3

Verwerkingsmethoden voor categorie 1- en categorie 2-materiaal

Tenzij de bevoegde autoriteit verwerkingsmethode 1 (sterilisatie onder druk) verplicht stelt, wordt categorie 1- en categorie 2-materiaal verwerkt met een van de in hoofdstuk III beschreven methoden 2, 3, 4 en 5.

Afdeling 4

Verwerking van categorie 3-materiaal
1. Voor iedere in hoofdstuk III beschreven verwerkingsmethode omvatten de kritische controlepunten die bepalend zijn voor de bij de verwerking toegepaste warmtebehandeling:a) de deeltjesgrootte van de grondstof;
b) de bij de warmtebehandeling bereikte temperatuur;
c) de druk, indien op de grondstof uitgeoefend;
d) de duur van de warmtebehandeling of het verwerkingsdebiet van een continuprocedé. Voor ieder kritisch controlepunt moeten minimumnormen voor het verwerkingsproces worden gespecificeerd.
2. In het geval van chemische behandelingen die door de bevoegde autoriteit zijn toegestaan als verwerkingsmethode 7 overeenkomstig hoofdstuk III, onder G, is ook de gerealiseerde pH-bijstelling een kritisch controlepunt dat bepalend is voor de bij de verwerking toegepaste chemische behandeling.
3. De verzamelde gegevens worden ten minste twee jaar bewaard om aan te tonen dat voor ieder kritisch controlepunt de minimumwaarden voor verwerking worden toegepast.
4. Categorie 3-materiaal wordt verwerkt met een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5 of met verwerkingsmethode 7 of, indien het materiaal afkomstig is van waterdieren, met een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 7, zoals beschreven in hoofdstuk III.

(…)

Bijlage VIII

Verzameling, vervoer en traceerbaarheid

Hoofdstuk 1

Verzameling en vervoer

Afdeling 1

Voertuigen en recipiënten

1.
Vanaf het in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 genoemde beginpunt in de productieketen moeten dierlijke bijproducten en afgeleide producten worden verzameld en vervoerd in gesloten nieuwe verpakkingen of afgedekte lekvrije recipiënten of voertuigen.
2.Voertuigen en recipiënten die opnieuw gebruikt kunnen worden en alle opnieuw te gebruiken uitrusting of apparatuur die in contact komen met andere dierlijke bijproducten of afgeleide producten dan afgeleide producten die in de handel worden gebracht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 767/2009 en die worden opgeslagen en vervoerd overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EG) nr. 183/2005, moeten schoon worden gehouden.

Tenzij zij bestemd zijn voor het vervoeren van bijzondere dierlijke bijproducten of afgeleide producten op zodanige wijze dat er geen gevaar voor versleping bestaat, moeten zij met name

a) schoon en droog zijn voor gebruik, en
b) voor zover nodig na elk gebruik gereinigd, gespoeld en/of ontsmet te worden om versleping te voorkomen.

(…)

Afdeling 2

Temperatuuromstandigheden

(…)
2. Onverwerkt categorie 3-materiaal dat bestemd is voor de productie van voerdermiddelen of voeders voor gezelschapsdieren moet gekoeld, ingevroren of na inkuiling vervoerd en opgeslagen worden, tenzij het:
a) wordt verwerkt binnen 24 uur nadat het is verzameld of nadat het uit de koel- of vriesruimte is gehaald, indien het daaropvolgende vervoer plaatsvindt met een vervoermiddel waarin de opslagtemperatuur gehandhaafd blijft;
(…)

Hoofdstuk II

Identificatie

1. Alle nodige maatregelen moeten worden getroffen om ervoor te zorgen dat:
a) zendingen dierlijke bijproducten en afgeleide producten identificeerbaar zijn en tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong van de dierlijke bijproducten alsook tijdens het vervoer gescheiden en identificeerbaar blijven;
(…)
2. Tijdens het vervoer en de opslag moet op de verpakking, de recipiënt of het voertuig een etiket worden aangebracht waarop:
a) duidelijk de categorie dierlijke bijproducten of afgeleide producten wordt aangegeven,
b) de volgende woorden zijn afgedrukt, zodanig dat deze op de verpakking, de recipiënt of het voertuig, naargelang het geval, zichtbaar en leesbaar zijn:
i) voor categorie 3-materiaal: ,,Niet voor menselijke consumptie”.
ii) voor categorie 2-materiaal (…), en van categorie 2-materiaal afgeleide producten: ,,Niet voor dierlijke consumptie”;
indien categorie 2-materiaal echter bestemd is voor het voederen van dieren, als bedoeld in artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr, 1069/2009 onder de in of krachtens dat artikel vastgestelde voorwaarden, moet op het etiket worden aangegeven: ,,Voeder voor…”, gevolgd door de naam van de specifieke diersoorten voor het voederen waarvan het materiaal bestemd is.”

De Wet dieren luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 6:2 Strafbaarstelling overtredingen EU-verordeningen
1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen.

(…)

Artikel 8:7 Bevoegdheid

Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen

(…)

Artikel 8.8 Hoogte bestuurlijke boete

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.

2. De op grond van het eerste lid te bepalen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, per overtreding begaan door een natuurlijke persoon, en ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht per overtreding, begaan door een rechtspersoon of een vennootschap, of, indien dat meer is, 10 procent van de jaaromzet in het boekjaar voorafgaande aan het boekjaar waarin de boete wordt opgelegd.”

De Regeling dierlijke producten luidt voor zover van belang als volgt:

“Artikel 2.4 Verbodsbepalingen EU-verordeningen

1. Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
(…)
c. de artikelen 3 en 4, eerste, tweede en derde lid, 5, eerste lid, tweede lid, laatste alinea, en vierde lid, 6, tweede lid, laatste alinea, en derde lid, van verordening (EG) nr. 852/2004.
(…)

Artikel 3.3 Verbodsbepalingen EU-verordeningen

1 Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
(…)
b. de artikelen 3, 5, tweede lid, 6, derde tot en met vijfde lid, 8, eerste lid, 9, 10, eerste lid, 11, tweede en derde lid, 12, tweede en derde lid, 13,,15, 17, 19, 20, eerste en tweede lid, 21, eerste lid, 22, eerste lid, 23, 24, 25, eerste en derde lid, 27, tweede en derde lid, 28, tweede en vierde lid en 31 van verordening (EU) nr. 142/201;”

Het besluit handhaving en overige zaken wet dieren luidt voor zover van belang als volgt:

“Artikel 2.2 Boetecategorieën

1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
a. categorie 1: € 500;
b. categorie 2: € 1500;
c. categorie 3: € 2500;
d. categorie 4: € 5000;
e. categorie 5: € 10.000 of, indien dat meer is, 10% van de jaaromzet.

2. Indien de hoogte van de krachtens het derde lid aangewezen boetecategorie door het met de overtreding te behalen economische voordeel aanmerkelijk wordt overschreden, kan Onze Minister een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste categorie 5, bedoeld in het eerste lid.

3. Bij ministeriële regeling worden de bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie.

4. In de regeling, bedoeld in het derde lid, kan worden bepaald dat de hoogte van de bestuurlijke boete voor een overtreding wordt vastgesteld op het bedrag behorende bij de naasthogere boetecategorie ten opzichte van de categorie, bedoeld in het derde lid, indien bij de betreffende gedraging een in die regeling vastgesteld percentage dieren van het totaal aantal betrokken dieren was betrokken op een in die regeling aangewezen wijze.

Artikel 2.3 Gevolgen volksgezondheid, diergezondheid en dierenwelzijn

Indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu:
a. gering zijn of ontbreken, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gehalveerd;
b. ernstig zijn, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, verdubbeld.”

De Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren luidt voor zover van belang als volgt:

“Artikel 1.2 Indeling categorieën bestuurlijke boete

De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.

(…)

Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

(…) Categorie

Regeling dierlijke producten

(…)

Artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c, voor zover dat onderdeel betrekking heeft 3
op de artikelen 3, 4, eerste tot en met derde lid, 5, tweede lid, laatste alinea,
en vierde lid, onderdelen a en b, en artikel 6, derde lid, van verordening (EG)
nr. 852/2004

(…)

Artikel 3.3, eerste lid, onderdeel b, voor zover dat artikel betrekking heeft 3
op de artikelen 3, 5, tweede lid, 6, derde, vierde en vijfde lid, 10, eerste lid,
11, tweede en derde lid, 12, tweede en derde lid, 13, 15, 17, 19, onderdelen
b en c, 20, eerste en tweede lid, 22, eerste lid, 23, 24, 25, eerste en derde lid,
27, tweede en derde lid, 28, tweede en vierde lid, van verordening (EU)
nr. 142/2011

Artikel 3.3, eerste lid, onderdeel b, voor zover dat artikel betrekking heeft 4
op de artikelen 8, eerste lid, 9, 19, onderdeel c, en 21, eerste lid, van verordening
(EU) nr. 142/2011”

De Algemene wet bestuursrecht luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 5:41
Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

(…)

Artikel 5:46
1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
(…)
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgelegd, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

(…)

Artikel 8:75
1. De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld”

Het Besluit proceskosten bestuursrecht luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Artikel 1

Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 (…) van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

(…)

c. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende,

(…)

Artikel 2

1 Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld:

a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief;

(…)

c. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c: overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003;

(…)

3 In bijzondere omstandigheden kan van het eerste lid worden afgeweken.

Artikel 3
1.Samenhangende zaken worden voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak.
2. Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.”

Bijlage II: de aangevallen uitspraak