Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:324

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
18/1932
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

het voornemen van appellante en belanghebbende om Arbeidsplein voor eind 2017 te ontbinden is niet gelijk te stellen is met een ontbindingsbesluit per 1 december 2017. De vaststellingsovereenkomst, evenals de notulen van de vergadering van 25 januari 2017, voorzien niet in een duidelijk besluit over beëindiging op een vastgestelde datum. De onderzoeksplicht (artikel 4 en 5 van het Hrb) van verweerster gaat niet zo ver gaat dat verweerster, in het kader van de door haar bij de toepassing van de wettelijke bepalingen aan te leggen toetsing, zich een oordeel zou moeten vormen over hoe de vaststellingsovereenkomst van 13 februari 2017 zich verhoudt tot de in het geding zijnde dwingendrechtelijke voorschriften van Nederlands burgerlijk recht aangaande de ontbinding van een rechtspersoon en hoe het ontbreken van een exacte ontbindingsdatum in die vaststellingsovereenkomst, al dan niet gelezen in samenhang met de notulen van de vergadering van 25 januari 2017, daarbij al dan niet van belang is

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1932

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2020 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats 1] , appellante

(gemachtigde: mr. P. Kleve),

en

de Kamer van Koophandel, verweerster

(gemachtigde: J.P.M. van der Ende).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 3] B.V., te [plaats 2]

(gemachtigde: mr. R.E. de Groot).

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerster besloten tot inschrijving van de ontbinding van [naam 2] B.V. in het handelsregister per 1 december 2017.

Bij besluit van 20 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van [naam 3] B.V. (belanghebbende) tegen het primaire besluit gegrond verklaard en de inschrijving dienovereenkomstig aangepast.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2020. Namens appellante is verschenen de heer [naam 4] , enig directeur van appellante. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Derde-partij is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

Overwegingen

1. Op 6 januari 2018 is door appellante opgave gedaan aan het handelsregister tot inschrijving van de ontbinding van [naam 2] B.V. ( [naam 2] ) per 1 december 2017. Op dezelfde dag heeft verweerster besloten tot inschrijving van de opgave van appellant. Tegen dit besluit is door belanghebbende bezwaar gemaakt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de inschrijving van [naam 2] in het handelsregister dienovereenkomstig aangepast. Verweerster heeft zich bij bestreden besluit op het standpunt gesteld dat zij alsnog gerede twijfel heeft aan de juistheid van de opgave van appellante. Volgens verweerster is er geen ontbindingsbesluit genomen ten aanzien van [naam 2] . Er ligt immers geen duidelijke beslissing op een duidelijk voorstel tot ontbinding per 1 december 2017. Het is verweerster niet gebleken dat in de vergadering van 25 januari 2017 is besloten tot ontbinding van [naam 2] per 1 december 2017. Bovendien blijkt uit de overgelegde notulen niet dat de ontbinding stond geagendeerd. Ook volgt verweerster appellante niet in haar betoog dat het ontbindingsbesluit is genomen bij de vaststellingsovereenkomst van 13 februari 2017. Op grond van artikel 2:19 van het Burgerlijk Wetboek (BW), in samenhang gelezen met artikel 30 van de statuten van [naam 2] , is een ontbindingsbesluit dwingendrechtelijk voorgeschreven en dient een dergelijk besluit met een concrete datum te worden genomen in een algemene vergadering, waarin het gehele geplaatste kapitaal vertegenwoordigd is, met algemene stemmen.

Procesbelang

3.1

Het College overweegt allereerst het volgende. Ter zitting is door partijen onbetwist aan de orde gesteld dat [naam 2] inmiddels, per 31 maart 2019, is ontbonden en dat verweerster is overgegaan tot inschrijving van de opgave daarvan.

3.2

Het College ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of appellante een procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep. Het is vaste jurisprudentie van het College dat er alleen sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat de belanghebbende met het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk met het aanwenden van dat rechtsmiddel kan worden bereikt en dat het realiseren van dat resultaat voor deze belanghebbende een feitelijke betekenis kan hebben, en niet alleen een hypothetische.

3.3

Appellante heeft ter zitting gesteld dat zij belang heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen het bestreden besluit omdat zij vanwege het bestreden besluit een investering is misgelopen. Appellante wenst een verklaring van verweerster te verkrijgen waaruit volgt dat verweerster ten onrechte het bezwaar van belanghebbende gegrond heeft verklaard. Zij stelt dat zij door het bestreden besluit financieel nadeel heeft ondervonden en overweegt een schadeactie.

3.4

Gelet op het bovenstaande is het College van oordeel dat appellante belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep van appellante.

Beroep

4. Appellante betoogt allereerst dat uit de notulen van de vergadering van 25 januari 2017 en uit de vaststellingsovereenkomst van 13 februari 2017 zonder twijfel volgt dat er in de vergadering van 25 januari 2017 unaniem is besloten tot ontbinding van [naam 2] in de toekomst. In dit kader voert appellante aan dat uit de notulen van de vergadering van 25 januari 2018 blijkt dat [naam 2] zo spoedig mogelijk geliquideerd zou worden. Verweerster miskent de onderliggende feiten door zich op het standpunt te stellen dat de ontbinding van [naam 2] niet zou zijn geagendeerd. Volgens appellante is de vergadering van 25 januari 2017 immers het sluitstuk geweest van langdurende onderhandelingen over de opheffing van [naam 2] .

Verder voert appellante aan dat de vaststellingsovereenkomst van 13 februari 2017 bevestigt dat er tijdens de vergadering van 25 januari 2017 door de aandeelhouders gezamenlijk een ontbindingsbesluit is genomen. De vaststellingsovereenkomst neemt bovendien de verwarring over de term liquideren weg en noemt een ontbindingsdatum, namelijk voor het eind van 2017 en na het vervullen van de condities in de vaststellingsovereenkomst. De vaststellingsovereenkomst gaat boven dwingend recht. Daarmee ligt er een volwaardig ontbindingsbesluit dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 25, tweede lid, van de statuten van [naam 2] aangaande besluiten genomen buiten vergadering.

5. In reactie op het beroepschrift voert verweerster aan dat er geen duidelijk formeel ontbindingsbesluit van de algemene vergadering voorligt waaruit blijkt dat [naam 2] per 1 december 2017 zou zijn ontbonden. Verder is verweerster niet gebleken van een duidelijke beraadslaging hieromtrent op grond van een duidelijk agendapunt en is er geen duidelijke besluitvorming door de algemene vergadering buiten de vergadering conform artikel 25 van de statuten van [naam 2] . Verweerster voert aan dat een ontbindingsbesluit in de toekomst kan liggen, echter dient dan sprake te zijn van duidelijke eenduidige besluitvorming met een concrete datum van ontbinding. In de situatie van appellante blijkt weliswaar uit de overgelegde stukken de intentie om [naam 2] te gaan ontbinden, maar ontbreekt een concrete datum daartoe. Naar het oordeel van verweerster is de intentie om [naam 2] te gaan ontbinden, zoals blijkt uit de notulen van de vergadering van 25 januari 2017 en de vaststellingsovereenkomst, niet gelijk te stellen met een ontbindingsbesluit per 1 december 2017 dat tot stand is gekomen na agendering en beraadslaging in de algemene vergadering of buiten de algemene vergadering. Tot slot merkt verweerster op dat appellante het onderliggende geschil met belanghebbende dient voor te leggen aan de civiele rechter.

6. Belanghebbende onderschrijft voornoemd standpunt van verweerster.

7.1

Het College overweegt als volgt. Aan de orde is de vraag of verweerster bij het bestreden besluit op goede gronden het bezwaar van belanghebbende tegen het primaire besluit van verweerster om de ontbinding van [naam 2] per 1 december 2018 in het handelsregister in te schrijven gegrond heeft verklaard.

7.2

Op grond van artikel 7:11 van de Awb vindt een heroverweging van het primaire besluit plaats op grondslag van het bezwaar. In een geval, zoals hier aan de orde, dat in bezwaar de opvatting dat de inschrijving in het handelsregister onterecht heeft plaatsgevonden uitvoerig is onderbouwd, dient verweerster in het kader van de heroverweging van het primaire besluit, op de voet van artikelen 4, eerste lid, en 5, tweede lid, van het Handelsregisterbesluit 2008, de juistheid van de opgave te onderzoeken.

8.1

Artikel 2:19 van het BW luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“1. Een rechtspersoon wordt ontbonden:

a. door een besluit van de algemene vergadering of, indien de rechtspersoon een stichting is, door een besluit van het bestuur tenzij in de statuten anders is voorzien;“

8.2

Artikel 30 van de statuten van [naam 2] luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“1. De algemene vergadering kan slechts besluiten tot:

(…)

d. verandering in de bepalingen van deze statuten, tot ontbinding van de vennootschap, tot fusie of splitsing van de vennootschap;

(…)

in een algemene vergadering, waarin het gehele geplaatste kapitaal vertegenwoordigd is met algemene stemmen.”

8.3

In de notulen van de AVA van 25 januari 2017 is onder punt 3, g, als volgt opgenomen:

“VOB zal zorgen voor het voorkomen van de faillissementsaanvraag van E-Novation (Isatis) versus [naam 2] , en andere mogelijke claims waarbij partijen m.n. kijken naar handelen [naam 3] (zie opzegbrief 4 juni 2014 en concept overeenkomst n.a.v. AVA 25 september 2015); De bedoeling is om AP z.s.m. te liquideren.”

8.4

In de vaststellingsovereenkomst van 13 februari 2017 is, voor zover hier relevant, bepaald:

“4 AP zal in de loop van 2017 geliquideerd worden, tenzij VOB en [naam 3] op enig moment gezamenlijk anders beslissen. VOB en [naam 1] dragen zorg voor die ontbinding en liquidatie.”

9.1

Naar het oordeel van het College heeft verweerster op goede gronden bij het bestreden besluit het bezwaar van belanghebbende tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Verweerster heeft zich naar het oordeel van het College in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voornemen van appellante en belanghebbende om [naam 2] voor eind 2017 te ontbinden niet gelijk te stellen is met een ontbindingsbesluit per 1 december 2017. Het betoog van appellante dat uit de notulen van vergadering van 25 januari 2017, in samenhang gelezen met de vaststellingsovereenkomst van 13 februari 2017, zonder twijfel volgt dat er in de vergadering van 25 januari 2017 is besloten tot ontbinding van [naam 2] op een datum in de toekomst kan naar het oordeel van het College niet slagen, reeds omdat de vaststellingsovereenkomst, evenals de notulen van de vergadering van 25 januari 2017, niet voorziet in een duidelijk besluit over beëindiging op een vastgestelde datum. Verweerster merkt in dit kader terecht op dat de exacte datum van de ontbinding en tevens het einde van de rechtspersoon voor het eerst wordt genoemd op het opgaveformulier ter inschrijving aan het handelsregister. Verweerster kon zich dan ook in redelijkheid op het standpunt stellen dat er geen concreet eenduidig ontbindingsbesluit van [naam 2] per 1 december 2017 is genomen.

9.2

Het College overweegt verder dat verweerster als beheerder van het handelsregister enkel gaat over inschrijvingen in dat register. In het kader van de heroverweging van het primaire besluit, op de voet van de artikelen 4, eerste lid, en 5, tweede lid, van het Handelsregisterbesluit 2008, dient verweerster de juistheid van een opgave te onderzoeken. Hierbij dient verweerster een inschatting te maken van civielrechtelijke feiten. Het College is van oordeel dat de onderzoeksplicht van verweerster niet zo ver gaat dat verweerster, in het kader van de door haar bij de toepassing van deze wettelijke bepalingen aan te leggen toetsing, zich een oordeel zou moeten vormen over hoe de vaststellingsovereenkomst van 13 februari 2017 zich verhoudt tot de in het geding zijnde dwingendrechtelijke voorschriften van Nederlands burgerlijk recht aangaande de ontbinding van een rechtspersoon en hoe het ontbreken van een exacte ontbindingsdatum in die vaststellingsovereenkomst, al dan niet gelezen in samenhang met de notulen van de vergadering van 25 januari 2017, daarbij al dan niet van belang is. Een oordeel hierover is uitsluitend voorbehouden aan de burgerlijke rechter. Vorenstaande leidt tot het oordeel dat verweerster op goede gronden heeft geconcludeerd dat er gerede twijfel was aan de juistheid van de opgave van appellant en dat zij om die reden in redelijkheid heeft kunnen besluiten niet tot inschrijving van de opgave over te gaan.

9.3

De overige gronden van appellante, die zich richten op de in de statuten van de vennootschap neergelegde procedure waaronder het besluit tot stand is gekomen, wat daar ook van zij, kunnen aan het voorgaande niet afdoen en behoeven geen verdere bespreking.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020.

De voorzitter is verhinderd de De griffier is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen