Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:32

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-01-2020
Datum publicatie
14-01-2020
Zaaknummer
18/1872
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Vooropgesteld wordt dat verweerder heeft erkend dat ten onrechte niet al het melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf van appellante aanwezig was is meegenomen bij de vaststelling van het aantal fosfaatrechten. Reeds hierom is het beroep gegrond.

Appellante stelt verder dat bij de vaststelling van het aantal fosfaatrechten ten onrechte geen rekening is gehouden met de aankoop van 21 ha grond op 9 april 2015. Subsidiair stelt appellante zich op het standpunt dat toepassing van de generieke korting heeft geleid tot een individuele en buitensporige last.

Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij de vaststelling van de fosfaatruimte 2015 onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd. Niet is gebleken dat appellante op 15 mei 2015 de feitelijke beschikkingsmacht over deze gronden had. Ten aanzien van de subsidiaire beroepsgrond van appellante dat de toegepaste generieke korting voor haar een individuele en buitensporige last vormt, heeft het College reeds eerder geoordeeld dat het toepassen van de generieke korting op zichzelf niet maakt dat sprake is van een individuele en buitensporige last.

Verweerder wordt veroordeeld voor een deel van de door appellante in beroep en bezwaar gemaakte proceskosten, waaronder gemaakte deskundigenkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2020/62 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1872

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2020 in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1] en zn, te [plaats 1] , appellante

(gemachtigden: C. Blokland en H.J.C. Smolders),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: C. Zieleman en mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel

23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op

9.833 kg.

Bij besluit van 19 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019. Appellante is ter zitting vertegenwoordigd door [naam 1] , bijgestaan door de gemachtigden van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voorts is voor verweerder verschenen [naam 2] .

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor

1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover de landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt.

1.3

Ingevolge artikel 72b van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit) wordt het fosfaatrecht verminderd met 8,3%. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op een bedrijf waarvan de productie van dierlijke meststoffen door melkvee in kilogrammen fosfaat in het kalenderjaar 2015, verminderd met de fosfaatruimte in dat kalenderjaar, negatief of nul is.

1.4

Fosfaatruimte is de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar ingevolge artikel 8, onderdeel c, van de Msw mag worden gebracht op of in de tot het desbetreffende bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond

(artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel ll, onder 1, van de Msw). De tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond in enig kalenderjaar is de oppervlakte landbouwgrond die op 15 mei van dat jaar tot het bedrijf behoort (artikel 24, eerste en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit).

1.5

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Bij de berekening van het aan appellante toekomende fosfaatrecht is verweerder in het primaire besluit uitgegaan van de op de peildatum van 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezige 193 melk- en kalfkoeien en 156 stuks jongvee.

2.2

Bij het berekenen van de fosfaatruimte is verweerder in het primaire besluit uitgegaan van 92,89 hectare (ha) grasland en 14,80 ha bouwland. De totale fosfaatruimte 2015 is door verweerder berekend op 9.538,85 kg. Verweerder heeft voorts berekend dat de fosfaatproductie 2015 (10.722,07 kg) de fosfaatruimte 2015 overstijgt en heeft om die reden het op grond van artikel 23, derde lid van de Msw berekende fosfaatrecht verminderd met de generieke korting van 8,3% (889,98 kg). Voormelde uitgangspunten en berekening zijn door verweerder in het bestreden besluit gehandhaafd.

Beroepsgronden

3.1

Appellante stelt dat bij de vaststelling van het aantal fosfaatrechten ten onrechte geen rekening is gehouden met de aankoop van 21 ha grond op 9 april 2015. Deze grond is verworven voor de peildatum 2 juli 2015. Omdat het aangekochte bedrijf een akkerbouwbedrijf betrof met een bouwplan waarop al gewassen stonden kon appellante deze gronden niet opgeven in de gecombineerde opgave 2015.Het berekende fosfaatrecht is dus ten onrechte verminderd met de generieke korting.

3.2

Subsidiair stelt appellante zich op het standpunt dat toepassing van de generieke korting heeft geleid tot een individuele en buitensporige last. Appellante heeft voor

2 juli 2015 aanzienlijke investeringen in grond gedaan om aldus toe te werken naar een grondgebonden melkveehouderij. De toegepaste generieke korting leidt ertoe dat het praktisch onmogelijk is om de geïnvesteerde bedragen terug te verdienen. Daarmee komt de continuïteit van het bedrijf in gevaar. Appellante heeft ter onderbouwing van de gestelde last de ‘Notitie grondgebondenheid en fosfaatrechten’ overgelegd van [naam 3] ( [naam 3] ) van 1 juni 2018.

Standpunt van verweerder

4.1

Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat gelet op de uitspraak van het College van 17 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:523 het fosfaatrecht van appellante nader moet worden vastgesteld op 9.851 kg, inclusief de generieke korting.

4.2

Voor een verdere correctie ziet verweerder geen aanleiding. Op de hier van belang zijnde peildatum van 15 mei 2015 had appellante niet de feitelijke beschikkingsmacht over de door haar in 2015 verworven 21 hectare grond. Immers, eerst op 17 november 2015 is bij notariële akte ten behoeve van appellante een recht van erfpacht gevestigd op die grond. Vervolgens is de grond pas eind 2015 daadwerkelijk aan appellante opgeleverd en door haar in gebruik genomen. Bij de vaststelling van de fosfaatruimte 2015 is deze 21 hectare grond dan ook terecht niet meegenomen. Wat betreft het betoog van appellante dat ten onrechte de generieke korting is toegepast, verwijst verweerder naar de uitspraak van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, onder 6.7.6. In die uitspraak heeft het College het niet ontoelaatbaar geacht dat de wetgever heeft gekozen het fosfaatrecht voor bedrijven die niet grondgebonden zijn te korten met een generieke korting.

4.3

Van de door appellante gestelde individuele en buitensporige last is volgens verweerder geen sprake. Appellante heeft geen of slechts deels invulling gegeven aan de op haar in dit verband rustende bewijslast. De notitie van [naam 3] acht verweerder hiertoe onvoldoende. Zo wordt geen inzicht verschaft in de vermogenspositie van appellante en ontbreken onderbouwende stukken als jaarcijfers. Daarnaast zijn door appellante in 2018 nog extra fosfaatrechten verkregen zonder dat inzicht is verstrekt in de wijze van financiering van de verkrijging daarvan.

Beoordeling

5. Vooropgesteld wordt dat verweerder heeft erkend dat ten onrechte niet al het melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf van appellante aanwezig was is meegenomen bij de vaststelling van het aantal fosfaatrechten. Het aantal fosfaatrechten dient – na toepassing van de generieke korting van 891,58 kg – nader te worden vastgesteld op 9.851 kg. Reeds hierom is het beroep gegrond.

6.1.1

Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij de vaststelling van de fosfaatruimte 2015 onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd en overweegt daartoe als volgt.

6.1.2

Volgens de memorie van toelichting is voor de toepassing van de Msw doorslaggevend dat grond, zoals in de begripsomschrijving in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel m, ook tot uitdrukking komt, uitsluitend kan worden opgevoerd als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond wanneer deze in het kader van een normale bedrijfsvoering bij dat bedrijf in gebruik is. Deze laatste eis brengt volgens de memorie van toelichting onder meer met zich dat degene die het landbouwbedrijf voert over de grond de feitelijke beschikkingsmacht moet kunnen uitoefenen. Een dergelijke beschikkingsmacht veronderstelt de aanwezigheid van een geldige juridische titel. In principe zal voor de toepassing van de Msw elke civielrechtelijke titel die de betrokken grondgebruiker de feitelijke macht over de teelt en de bemesting van de grond geeft in aanmerking worden genomen (Kamerstukken II, 2004/05, 29 930, nr. 3, blz. 107 e.v.). Voorts volgt uit het hiervoor onder 1.4 weergegeven wettelijke kader dat de grond op 15 mei 2015 tot het bedrijf moet behoren. Anders dan appellante meent speelt de peildatum van 2 juli 2015 hier geen rol.

6.1.3

Voor de vraag of de hier van belang zijnde circa 21 hectare als tot het bedrijf van appellante behorende landbouwgrond bij de vaststelling van de fosfaatruimte moet worden meegenomen, is dus gezien het vorenstaande bepalend of appellante op 15 mei 2015 de feitelijke beschikkingsmacht over deze gronden had. Niet is gebleken dat dit het geval is.

De grond is in erfpacht uitgegeven aan [naam 1] , vennoot van appellante, op 17 november 2015.Vervolgens is de grond pas eind 2015 daadwerkelijk aan appellante opgeleverd en door haar in gebruik genomen. Dat, zoals appellante stelt, de gebroeders [naam 4] , waaronder een van de vennoten van appellante, deze grond als onderdeel van een groter geheel reeds hadden aangekocht in april 2015 blijkt niet uit de stukken. Daarin bevindt zich slechts een aan de gebroeders [naam 4] gerichte brief van [naam 5] B.V. van 9 april 2015 waarin weliswaar de aankoop van akkerbouwbedrijf [naam 6] te [plaats 2] wordt bevestigd, maar waaruit tevens duidelijk wordt dat de Franse eigenaren nog hun instemming moeten verlenen. Voorts is niet duidelijk wanneer de levering van het akkerbouwbedrijf daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft bij het bepalen van de fosfaatruimte 2015 deze 21 ha dan ook terecht buiten beschouwing gelaten. De verwijzing naar de uitspraak van 3 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:389, kan appellante niet baten. De omstandigheden die tot die uitspraak hebben geleid verschillen van die van appellante nu het daar een eenmalige en tijdelijke situatie van verhuur van grond betrof.

6.2.1

Ten aanzien van de subsidiaire beroepsgrond van appellante dat de toegepaste generieke korting voor haar een individuele en buitensporige last vormt, heeft het College reeds eerder geoordeeld dat het toepassen van de generieke korting op zichzelf niet maakt dat sprake is van een individuele en buitensporige last. De door appellante aangevoerde en hiervoor besproken omstandigheden onderscheiden haar wat betreft de generieke korting niet van andere niet grondgebonden bedrijven.

6.2.2

In hoeverre de door appellante overgelegde financiële stukken de (gestelde) last die op haar rust inzichtelijk maken kan, gezien het voorgaande, verder onbesproken blijven.

7. Het beroep is gegrond, gelet op rechtsoverweging 5. Dat betekent dat het bestreden besluit zal worden vernietigd vanwege strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College zal daarnaast het primaire besluit herroepen en het aantal fosfaatrechten vaststellen op 9.851 kg.

Proceskosten

8.1

Het College zal verweerder op na te melden wijze veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten in beroep en in bezwaar. Ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), voor zover hier van belang, kan een veroordeling in de kosten, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, kosten van een deskundige die door een partij is meegebracht dan wel aan een partij verslag heeft uitgebracht en/of verletkosten van een partij.

8.2

De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb vastgesteld op € 2.100,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting,

1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

8.3.1

Wat betreft het verzoek van appellante tot vergoeding van € 1.668,29 (inclusief omzetbelasting) aan gemaakte deskundigenkosten wordt, mede gelet op de betwisting daarvan door verweerder, het volgende overwogen.

8.3.2

Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb, in samenhang gelezen met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb en artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, geldt voor de vergoeding van de gemaakte kosten voor een deskundige een tarief van ten hoogste € 126,47 per uur. Volgens vaste jurisprudentie komen de kosten van inschakeling van een deskundige voor vergoeding in aanmerking als het inschakelen van de deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Ter bepaling of het inroepen van een deskundige, zoals hier aan de orde, redelijk was, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag.

Of, zoals verweerder stelt, de door [naam 3] opgestelde stukken ook door de gemachtigde van appellante zelf opgesteld had kunnen worden, doet gezien het hiervoor weergegeven beoordelingskader niet ter zake.

Met betrekking tot de door [naam 3] opgestelde notitie inzake grondgebondenheid en fosfaatrechten, waar volgens de factuur van [naam 3] van 31 december 2018 in 2018 zes uur aan is besteed, tegen een uurtarief van € 110,- (exclusief omzetbelasting), is het College van oordeel dat aan de geldende maatstaven is voldaan. Dit betekent dat de gefactureerde kosten van € 660,- (exclusief omzetbelasting) voor vergoeding in aanmerking komen. De uren van [naam 3] die zien op 2019 komen niet voor vergoeding in aanmerking nu uit de ter zitting overgelegde specificatie onvoldoende blijkt dat die uren door [naam 3] daadwerkelijk bij appellante in rekening zijn gebracht. Wel acht het College het redelijk om voor het meebrengen van de deskundige naar zitting een vergoeding van één uur tegen een (in 2019 gehanteerd) uurtarief van € 125,- (exclusief omzetbelasting) toe te kennen. Aldus worden de voor vergoeding in aanmerking komende deskundigenkosten vastgesteld op een totaalbedrag van € 785,-. Een verhoging van dit bedrag met omzetbelasting acht het College hier niet aan de orde (vergelijk ECLI:NL:HR:2012:BX0904 en ECLI:NL:CRVB:2018:1774).

8.4

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van het Bpb kan een vergoeding worden toegekend voor verletkosten van een partij. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bpb worden de verletkosten, afhankelijk van de omstandigheden, bepaald op een bedrag tussen € 7,-- en (met ingang van 1 januari 2019) € 84,-- per uur. Verletkosten zien op tijdverzuim voor onder andere het bijwonen van een zitting en de heen- en terugreis. Appellante heeft met het ter zitting overhandigde formulier proceskosten verzocht om vergoeding van vier uren voor een bedrag van totaal € 200,-. Deze, niet door verweerder betwiste, kosten komen het College - mede gelet op de reisafstand [plaats 1] -Den Haag en de duur van de bij het College gehouden zitting - niet onredelijk voor, zodat de vergoeding voor verletkosten op laatstgenoemd bedrag wordt vastgesteld.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    stelt het op het bedrijf van appellante rustende aantal fosfaatrechten vast op 9.851 kg en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 3.085,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2020.

w.g. I.M. Ludwig w.g. J.M. Baars