Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:318

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
18/2928
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet op het financieel toezicht. Minister heeft het verzoek om openbaarmaking van een onderzoeksrapport uit 1996 terecht afgewezen op grond van artikel 1:42 lid 5 Wft. Afwijzing van het onderhavige verzoek is gebaseerd op een andere rechtsgrondslag dan de afwijzing van het eerdere verzoek uit 2006. Ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 4:6 lid 2 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2020/58
JONDR 2020/767
JOR 2021/12 met annotatie van Tillema, A.J.P.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2928

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2020 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. J.K.A. van Loo),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 november 2018, kenmerk ROT 17/6755, in het geding tussen

appellant ende minister van Financiën (de minister)

(gemachtigden: mr. M.A.G. Stolker en E. Geurink).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 2 november 2018 (niet gepubliceerd).

De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend en het document waarop het hoger beroep ziet (waarvan openbaarmaking is geweigerd) toegezonden. Daarbij heeft de minister het College met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat alleen het College kennis mag nemen van dit stuk.

Het College heeft bij brief van 4 april 2019 aan appellant medegedeeld te handelen alsof het verzoek tot beperking van de kennisneming is ingewilligd. Aan appellant is verzocht of hij het College toestemming verleent mede op grondslag van het desbetreffende stuk uitspraak te doen. Bij brief van 9 juli 2019 heeft appellant het College deze toestemming verleend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Grondslag van het geschil

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden..

1.2

Appellant was directeur-grootaandeelhouder van het in 1993 gefailleerd effectenbedrijf [naam 2] B.V. ( [naam 2] ).

1.3

In 1996 heeft de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) na overleg met de minister onderzoek laten verrichten naar de wijze waarop de beurzen, te weten de Vereniging voor Effectenhandel (VvdE) en de Vereniging European Options Exchange (VEOE) toezicht hebben gehouden op [naam 2] en [naam 3] N.V. ( [naam 3] ) en de wijze waarop STE toezicht heeft gehouden op genoemde beurzen. De resultaten daarvan zijn neergelegd in een rapport van 18 december 1996 (het rapport). Een geanonimiseerde versie van het rapport is destijds aan de Tweede Kamer gezonden.

1.4

Bij brief van 9 augustus 2006 heeft appellant de minister om openbaarmaking van de volledige versie van het rapport verzocht. Bij besluit van 5 september 2006 heeft de minister dit verzoek afgewezen met een beroep op artikel 31 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995). Het bezwaar daartegen heeft de minister bij besluit van 12 december 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 15 mei 2008 het beroep daartegen gegrond verklaard en het besluit van 12 december 2008 vernietigd (ECLI:NL:RBROT:2008:BD2857). Hiertegen hebben appellant, alsmede de minister en de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) als opvolger van STE gezamenlijk, hoger beroep ingesteld.

1.5

Bij uitspraak van 4 september 2009 (ECLI:NL:CBB:2009:BJ8735) heeft het College het hoger beroep van de minister en AFM gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak van 15 mei 2008 vernietigd, het beroep van appellant tegen het besluit van 12 december 2006 ongegrond verklaard en zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het College heeft in die uitspraak overwogen dat het niet openbaar gemaakte gedeelte van het rapport voor een groot deel gegevens bevat die herleidbaar zijn tot afzonderlijke ondernemingen of instellingen. Het College heeft geoordeeld dat de minister gelet hierop in het licht van artikel 31, vijfde lid, van de Wte 1995 de bevoegdheid ontbeert om een volledige versie van het rapport openbaar te maken en dat de minister, gelet op de inhoud en strekking van het verzoek, dat verzoek terecht heeft afgewezen in het licht van het bepaalde bij artikel 31, vijfde lid, van de Wte 1995.

1.6

Op 12 januari 2015 heeft appellant met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) de minister verzocht om openbaarmaking van de volledige versie van het rapport (het verzoek).

1.7

Bij besluit van 9 februari 2015 (het primaire besluit) heeft de minister het verzoek van appellant afgewezen om dezelfde redenen als genoemd in zijn besluit van 5 september 2006. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het verzoek hetzelfde verzoek is als dat appellant in 2006 heeft gedaan en dat appellant aan het verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd.

1.8

Bij besluit van 14 april 2015, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht (het bestreden besluit), heeft de minister het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. De minister heeft in dat besluit overwogen dat het College in zijn uitspraak van 4 september 2009 ten aanzien van het verzoek uit 2006 heeft geoordeeld dat niet de Wob, maar de Wte 1995, de voorloper van de Wet op het financieel toezicht (Wft), van toepassing is en dat de minister de bevoegdheid ontbeerde de volledige versie van het rapport openbaar te maken. Nu het wettelijk kader van de Wft niet inhoudelijk is gewijzigd ten opzichte van de Wte 1995, is de uitspraak van het College nog steeds van toepassing en staat het uitputtende en limitatieve stelsel van de Wft aan inwilliging van het informatieverzoek van appellant in de weg, aldus de minister. Volgens de minister bestaat geen grond voor het oordeel dat de Wft door tijdsverloop minder strikt zou moeten worden toegepast.

1.9

Bij uitspraak van 22 december 2016 heeft de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaard om van het bij haar door appellant ingestelde beroep tegen vorengenoemd besluit van 14 april 2015 kennis te nemen en heeft zij het beroep ter behandeling doorgezonden aan de rechtbank Rotterdam. Het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van 11 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2731) ongegrond verklaard. De Afdeling heeft daartoe overwogen dat niet de Wob, maar de Wft het toetsingskader is voor het informatieverzoek van appellant, zodat de rechtbank Rotterdam bevoegd is kennis te nemen van het beroep.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en daartoe, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

2.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het verzoek kunnen afwijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit en het oordeel van het College daaromtrent. De rechtbank heeft overwogen dat het verzoek van appellant identiek is aan het eerdere verzoek van 9 augustus 2006. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant aan het verzoek geen nova ten grondslag heeft gelegd en dat de Wft als opvolger van de Wte 1995, voor zover hier van belang, niet inhoudelijk is gewijzigd. Nu de Wft een uitputtend openbaarmakingsregime kent, en de in het rapport neergelegde informatie is verkregen krachtens (de voorganger van) de Wft, wijkt, ongeacht de grondslag van het verzoek, de Wob als algemene openbaarmakingsregeling en is de Wft het relevante toetsingskader. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn betoog dat door tijdsverloop en door faillissement van de in het rapport genoemde instellingen de vertrouwelijkheid van de verzochte stukken is uitgewerkt, waardoor de Wob desalniettemin van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het door appellant gestelde tijdsverloop terecht niet als nieuw gebleken feit aangemerkt. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat uit de wettekst van de Wft, noch uit de geschiedenis van de totstandkoming daarvan blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat de geheimhoudingsplicht na verloop van tijd vervalt. Ook uit de door appellant aangehaalde Europese richtlijnen leidt de rechtbank niet af dat daarin is beoogd dat na verloop van tijd de daarin genoemde geheimhoudingsverplichting dient te vervallen door tijdsverloop. Voor de conclusie dat de Wft in het algemeen en artikel 1:89 van de Wft in het bijzonder onjuist of onvolledig zou zijn geïmplementeerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het tijdsverloop niet als nieuw gebleken feit kan worden aangemerkt. Appellant voert daartoe aan dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) in het arrest van 19 juni 2018 (C-15/16 (Baumeister), ECLI:EU:C:2018:464) uitleg heeft gegeven van het begrip ‘geheim’ in artikel 54 van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten (richtlijn 2004/39/EG). Artikel 1:89 van de Wft strekt ter implementatie van artikel 54 van richtlijn 2004/39/EG. Het HvJ heeft in voornoemd arrest geoordeeld dat de vertrouwelijkheid van gegevens moet worden beoordeeld op het tijdstip waarop het onderzoek plaatsvindt dat de autoriteiten moeten verrichten om zich uit te spreken over het verzoek om openbaarmaking en dat de verstreken tijd een omstandigheid is die van invloed kan zijn op de beoordeling of op een bepaald tijdstip is voldaan aan de voorwaarden die bepalen of de gegevens in kwestie vertrouwelijk zijn. Voor gegevens die mogelijk commerciële geheimen zijn geweest, is bij deze beoordeling het uitgangspunt dat die gegevens door een tijdsverloop van vijf jaar worden geacht niet meer actueel en dus niet langer geheim te zijn. Appellant betoogt dat artikel 1:89 van de Wft richtlijnconform geïnterpreteerd moet worden en dat het rapport gezien de ouderdom van de daarin vervatte gegevens thans niet meer vertrouwelijk kan zijn.

3.2

De minister heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij het rapport heeft verkregen onder toepassing van (de voorloper van) artikel 1:42 van de Wft, waarin het zogeheten ”toezicht op toezicht” is geregeld. Op grond van artikel 1:42, vijfde lid, van de Wft is de minister verplicht tot geheimhouding van informatie die hij aldus van de toezichthouders heeft verkregen, ongeacht de inhoud daarvan. Volgens de minister is ‘vertrouwelijkheid’ bij toepassing van artikel 1:42 van de Wft geen criterium. De minister is van mening dat het arrest van het HvJ van 19 juni 2018 niets afdoet aan de strikte geheimhoudingplicht die op hem rust ingevolge artikel 1:42, vijfde lid, van de Wft. De door het HvJ in dat arrest gegeven uitleg van het begrip ‘vertrouwelijk’ ziet op gegevens die berusten bij de toezichthoudende autoriteiten en niet op gegevens die de minister in het kader van het “toezicht op toezicht” van AFM als toezichthoudende autoriteit heeft verkregen.

3.3

Appellant acht het standpunt van de minister, inhoudende dat het “toezicht op toezicht” van artikel 1:42 van de Wft van toepassing is en dat de minister uit dien hoofde tot geheimhouding is verplicht, onjuist. Appellant voert daartoe aan dat een dergelijke wetsbepaling ten tijde van het uitbrengen van het rapport nog niet bestond. Volgens appellant heeft de minister pas sinds eind 1999 met de inwerkingtreding van artikel 48a van de Wte 1995 de mogelijkheid om bij de in de wet genoemde onafhankelijke toezichthouders onderzoek te doen. Appellant voert verder aan dat uit de recentere wetsgeschiedenis blijkt dat het Europese regime voor toezichtvertrouwelijke informatie (mede) is geïmplementeerd in artikel 1:42 van de Wft. Appellant is dan ook van mening dat artikel 1:42 van de Wft geen separaat geheimhoudingsregime voor de minister oplevert, maar artikel 1:89 van de Wft volgt. Het vijfde lid van artikel 1:42 van de Wft geldt alleen voor gegevens die de minister op grond van het tweede lid heeft ontvangen. Appellant betoogt dat het onderzoek dat destijds is gedaan naar [naam 2] geen onderzoek was in de zin van artikel 1:42 van de Wft of de voorloper daarvan, artikel 48a van de Wte 1995. Appellant voert daartoe aan dat het onderzoek waarvan nu openbaarmaking wordt verzocht niet gaat over de STE in de uitvoering van de per 1996 aan de STE gedelegeerde ministeriële taak, maar over de zelfregulering van de Vereniging voor de Effectenhandel in de periode vóór 7 augustus 1993. Het onderzoek heeft dus niets te maken met deze “toezicht op toezicht”-bepaling in de Wte 1995 of de Wft.

4.1

Het College komt tot de volgende beoordeling.

4.2

Artikel 1:42 van de Wft luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Onze minister kan aan de toezichthouder de gegevens of inlichtingen vragen die nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het toezicht nodig blijkt.

2. De toezichthouder verstrekt aan Onze minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen, tenzij het vertrouwelijke gegevens of inlichtingen betreft in de zin van artikel 1:89, eerste lid, die:

a. betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke persoon of vennootschap, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke financiële onderneming:

1°. waaraan een vergunning op grond van het Deel Markttoegang financiële ondernemingen is verleend of die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 heeft verkregen of waarvan die vergunning onderscheidenlijk die verklaring is ingetrokken of vervallen; en

2°. ten aanzien waarvan surséance van betaling is verleend of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;

b. betrekking hebben op ondernemingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een financiële onderneming in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten; of

c. zijn ontvangen van een toezichthoudende instantie of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie bij een in een andere staat gelegen bijkantoor van een financiële onderneming met zetel in Nederland, en niet de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die toezichthoudende instantie of van de toezichthoudende instantie van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

(…)

5. Onze minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid ontvangen gegevens of inlichtingen.

6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de beide kamers der Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.

7. De Wet openbaarheid van bestuur, de Wet Nationale Ombudsman, en titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.”

4.3

De minister heeft zich in hoger beroep nader op het standpunt gesteld dat hij op grond van artikel 1:42, vijfde lid, van de Wft niet bevoegd is om het rapport dat hij in het kader van zogeheten “toezicht op toezicht” heeft verkregen aan appellant te verstrekken. Naar het oordeel van het College heeft de minister daarmee de afwijzing van het verzoek op een andere rechtsgrondslag gebaseerd dan de afwijzing van het eerdere verzoek die gebaseerd was op artikel 31, vijfde lid, van de Wte 1995 en waarover het College heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 4 september 2009. Gelet op de gewijzigde rechtsgrondslag en het verschil in toetsingskader is naar het oordeel van het College geen sprake van een (besluit op een) herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb en heeft de minister ter afwijzing van het verzoek niet kunnen volstaan met een verwijzing naar het eerdere besluit uit 2006 en het oordeel van het College daaromtrent. Het voorgaande maakt dat de afwijzing van het verzoek ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Het bestreden besluit is daarom in strijd met de wet. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking.

4.4

Het College ziet geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het College het beroep van appellant gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Omdat in hoger beroep een nieuwe rechtsgrondslag voor de afwijzing van het verzoek is gegeven zal het College in het kader van een definitieve beslechting van het geschil beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. Het College ziet zich daarbij geplaatst voor de vraag of de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat hij op grond van artikel 1:42, vijfde lid, van de Wft tot geheimhouding van het rapport is verplicht. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.5

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 juni 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:178, zie rechtsoverwegingen 4.5 en 4.6) geldt ten aanzien van documenten die onder de werking van artikel 1:42, tweede lid, van de Wft vallen de in artikel 1:42, vijfde lid, van de Wft neergelegde geheimhoudingplicht. Op grond van het eerste lid van artikel 1:42 van de Wft kan de minister aan de toezichthouder de gegevens of inlichtingen vragen die nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het toezicht nodig blijkt. Op grond van artikel 1:42, tweede lid, van de Wft verstrekt de toezichthouder desgevraagd informatie aan de minister met het oog op onderzoek naar de toereikendheid van de Wft of de uitvoering door de toezichthouder. Op grond van artikel 1:42, vijfde lid, van de Wft zijn de minister en degenen die in zijn opdracht handelen verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid van artikel 1:42 van de Wft ontvangen gegevens of inlichtingen. De in het tweede lid van artikel 1:42 van de Wft bedoelde gegevens of inlichtingen zijn alle gegevens en inlichtingen die de toezichthouder aan de minister heeft verstrekt met het oog op een onderzoek van de minister naar de toereikendheid van de Wft of de wijze waarop de toezichthouder deze wet uitvoert. De in het tweede lid van artikel 1:42 van de Wft bedoelde gegevens of inlichtingen kunnen gegevens of inlichtingen zijn die onder de wettelijke geheimhoudingsplicht van artikel 1:89 van de Wft vallen, maar ook andere gegevens of inlichtingen afkomstig van de toezichthouder. Voor het maken van onderscheid tussen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen en niet-vertrouwelijke gegevens en inlichtingen of een belangenafweging biedt artikel 1:42, vijfde lid, van de Wft naar het oordeel van het College geen ruimte. Bepalend is dat de gegevens of inlichtingen zijn verkregen op grond van het tweede lid. In dat geval is de minister op grond van artikel 1:42, vijfde lid, van de Wft niet bevoegd tot openbaarmaking van die gegevens en inlichtingen en is de Wob op grond van het zevende lid van voornoemd artikel op die gegevens en inlichtingen niet van toepassing.

4.6

Het College is van oordeel dat appellant zich in het kader van artikel 1:42 van de Wft vergeefs beroept op het arrest van het HvJ van 19 juni 2018 over de uitleg van artikel 54, eerste lid, van richtlijn 2004/39/EG. Dit arrest ziet op de verplichting van de bevoegde nationale financiële toezichthoudende autoriteiten om het in artikel 54, eerste lid, van richtlijn 2004/39/EG opgenomen beroepsgeheim te eerbiedigen en het begrip ‘vertrouwelijke gegevens’ in dat artikel. Het arrest ziet daarmee op de vraag welke gegevens of inlichtingen vertrouwelijk zijn in de zin van artikel 1:89, eerste lid, van de Wft. Zoals het College hiervoor heeft overwogen biedt artikel 1:42, vijfde lid, van de Wft geen ruimte voor een uitleg waarin niet-vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet onder het bereik van artikel 1:42 van de Wft vallen. Het College ziet dan ook niet in dat de uitleg die het HvJ in het arrest van 19 juni 2018 heeft gegeven van het begrip ‘vertrouwelijke gegevens’ gevolgen heeft voor de toepassing van de geheimhoudingsplicht van de minister op grond van artikel 1:42, vijfde lid, van de Wft. Daarnaast acht het College van belang dat uit de wetsgeschiedenis bij de voorganger van artikel 1:42 van de Wft, artikel 48a van de Wte 1995, blijkt dat de wettelijke geheimhoudingsplicht waaraan de toezichthouders zijn gehouden, een noodzakelijk complement is van de verplichting voor onder toezicht staande instellingen om inlichtingen en stukken aan de toezichthouder te verstrekken en dat de informatieverstrekking van de financiële toezichthouder aan de minister een (op grond van de toen geldende Europese richtlijnen toegestaan geachte) uitzondering is op de wettelijke geheimhoudingsplicht van de toezichthouder. De ratio van de geheimhoudingsplicht brengt met zich, zoals ook destijds door de Europese Commissie is uiteengezet, dat vertrouwelijke gegevens die door de toezichthouder aan de minister zijn verstrekt niet door de minister aan derden worden verstrekt (zie Kamerstukken II, 1995-1996, 24 456, nr. 3, p. 3-4 en 8). Naar het oordeel van het College brengt het door het HvJ op 19 juni 2018 gewezen arrest hierin geen verandering. Het is niet aan de minister (maar aan de financiële toezichthouder) om te bepalen dat bepaalde gegevens na verloop van tijd niet meer vertrouwelijk zijn. Voor het stellen van prejudiciële vragen ziet het College geen aanleiding.

4.7

Het College volgt de minister in zijn standpunt dat hij het rapport heeft verkregen op een wijze die overeenkomt met de wijze waarop de minister thans gegevens en inlichtingen kan verkrijgen op grond van artikel 1:42, eerste lid, van de Wft. Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 4 september 2009 is het rapport opgemaakt in opdracht van STE, na overleg met de minister, en betreft het gegevens die zien op de wijze waarop de beurzen VvdE en VEOE toezicht hebben gehouden op [naam 2] en [naam 3] en de wijze waarop STE toezicht heeft gehouden op genoemde beurzen. Het College ziet, anders dan appellant, in het voorgaande voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat ook ten tijde van het opstellen van het rapport, sprake was van een “toezicht op toezicht”-situatie. STE was met ingang van 1 februari 1989 door de minister belast met het toezicht op de effectenbeurzen, eerst uit hoofde van de toen nog in werking zijnde Beurswet 1914 en vanaf 15 juni 1992 uit hoofde van de Wet toezicht effectenverkeer (Wte), welke wet in 1995 werd vervangen door de Wte 1995. Anders dan appellant stelt, volgt uit de omstandigheid dat de minister bij de uitvoering van het toezicht op de effectenbeurzen veel ruimte voor zelfregulering heeft gelaten aan de organisaties die de beurzen hielden niet dat destijds geen sprake kon zijn van een “toezicht op toezicht”-situatie. Dat het toezicht door STE ten tijde van de kwesties [naam 2] en [naam 3] in de periode 1989-1993 met het oog op zelfregulering marginaal was doet er niet aan af dat er door STE toezicht werd gehouden op de VvdE en VEOE. Ook in de omstandigheid dat op 20 oktober 1999 artikel 48a van de Wte 1995, de voorganger van artikel 1:42 van de Wft, in werking is getreden, ziet het College aanleiding voor het oordeel dat ook destijds sprake van een situatie waarin het zogeheten “toezicht op toezicht” aan de orde was. Artikel 48a van de Wte 1995 gaf de minister een wettelijke grondslag om gegevens en inlichtingen te verkrijgen die nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van de Wte 1995 of op de wijze waarop een toezichthouder de Wte 1995 heeft uitgevoerd, het zogeheten “toezicht op toezicht”. Anders dan appellant betoogt staat de omstandigheid dat op het tijdstip waarop de minister het rapport in 1996 heeft verkregen artikel 48a van de Wte 1995 nog niet bestond, thans niet aan de toepassing van artikel 1:42, vijfde lid, van de Wft in de weg. Naar het oordeel van het College is in het licht van de hiervoor in 4.3 genoemde beoordeling bepalend dat de wijze waarop de minister de gegevens en inlichtingen heeft verkregen – achteraf bezien – past binnen het bepaalde van artikel 1:42, eerste en tweede lid, van de Wft (en die van artikel 48a, eerste en tweede lid, van de Wte 1995) en overeenkomt met de wijze waarop de minister thans gegevens en inlichtingen kan verkrijgen op grond van artikel 1:42, eerste lid, van de Wft.

4.8

Uit het voorgaande volgt dat de minister zich in hoger beroep terecht op het standpunt heeft gesteld dat het verzoek van appellant op grond van artikel 1:42, vijfde lid, van de Wft moet worden afgewezen. Gelet hierop ziet het College aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 14 april 2015 in stand te laten.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het College het beroep van appellant tegen het besluit van 14 april 2015 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. Het College zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek van appellant in stand blijft.

6.1

Het College veroordeelt de minister in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.100,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank, 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het College, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

6.2

Daarnaast dient de minister aan appellant het door hem bij de rechtbank betaalde griffierecht van € 168,- te vergoeden, alsmede het griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep van € 253,-.

Beslissing

Het College:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van appellant gegrond;

- vernietigt het besluit van 14 april 2015;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    draagt de minister op het betaalde griffierecht van in totaal € 421,- aan appellant te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.100,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. M.M. Smorenburg en mr. J.A.M van den Berk, in aanwezigheid van mr. A. Graefe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd de
de uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen