Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:317

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
18/2830
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde en zesde lid, van de Meststoffenwet. Door in zijn berekening uit te gaan van de melkproductie in alle twaalf maanden van 2014 heeft verweerder geen rekening gehouden met de dierziekte die in juni 2014 is ingetreden, zodat deze in zoverre niet representatief is. Aan de andere kant heeft appellante evenmin aannemelijk gemaakt dat de melkproductie in de periode januari tot en met mei 2014 representatief is. In de eerste plaats betreft het een tamelijk korte periode van slechts vijf maanden waarvan niet duidelijk is in hoeverre daarbij rekening is gehouden met factoren die eveneens van belang zijn voor de melkproductie als afkalfperiode, weersomstandigheden, weidegang, voer en droogstand. In de tweede plaats heeft verweerder erop gewezen dat de gemiddelde melkproductie in 2013 lager was dan die in 2014 (inclusief dierziekte). Voor zover, zoals appellante ter zitting heeft aangevoerd, al met haar moet worden aangenomen dat zij haar bedrijfsvoering in 2013 heeft gewijzigd door zich te richten op een hogere melkproductie per melkkoe door haar melkvee vanaf de herfst van 2013 meer en duurdere brokken te voeren wat resulteerde in een toename van de melkproductie vanaf oktober 2013, had het op haar weg gelegen in ieder geval inzicht te bieden in die toename van de melkproductie in die laatste maanden van 2013 opdat ook die maanden hadden kunnen worden betrokken bij de melkproductie teneinde een representatief beeld ervan te krijgen. Zij heeft dat niet gedaan. Bij deze stand van zaken moet worden geoordeeld dat appellante met het door verweerder toegepaste excretieforfait van 39,1 niet is benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2830

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2020 in de zaak tussen

[naam 1] en [naam 2] V.O.F., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. A. Tymersma),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. G. Meijerink en mr. A.R. Alladin)

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 19 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gegrond verklaard en het fosfaatrecht opnieuw vastgesteld.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020. Namens appellante zijn verschenen vennoten [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door mr. E. Caspers, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 (ook wel peildatum) op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door – voor zover hier van belang – diergezondheidsproblemen of ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer een bloed- of aanverwant in de eerste graad, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

2. Verweerder heeft bij het primaire besluit het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 4.647 kg. Bij het bestreden besluit heeft hij het bezwaar van appellante gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 6.042 kg. Daarbij heeft verweerder toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling vanwege diergezondheidsproblemen (mastitis/celgetalproblemen) op het bedrijf van appellante. Hij is uitgegaan van 1 juni 2014 als alternatieve peildatum voor de dieraantallen en van de gemiddelde melkproductie in 2014. In zijn verweerschrift van 25 februari 2020 heeft verweerder uiteengezet dat het fosfaatrecht van appellante opgehoogd dient te worden naar 6.150 kg, omdat appellante heeft aangetoond in 2014 meer melk te hebben geproduceerd dan waarvan verweerder in het bestreden is uitgegaan. Verweerder heeft het College verzocht zelf in de zaak te voorzien door het fosfaatrecht van appellante op deze hoeveelheid vast te stellen.

3. Het College stelt vast dat verweerder bij de toepassing van de knelgevallenregeling is uitgegaan van de gemiddelde melkproductie van 2014 en het daarbij behorende excretieforfait van 39,1. Verweerder heeft dat gemiddelde berekend op basis van melkproductie in de twaalf maanden van 2014 en dus inclusief de maanden (vanaf 1 juni 2014) waarin de diergezondheidsproblemen op het bedrijf van appellante speelden. Appellante betoogt dat verweerder dat gemiddelde had moeten berekenen op basis van de maanden januari 2014 tot en met mei 2014, omdat de melkproductie van juni tot en met december 2014 als gevolg van de dierziekte lager was en de door verweerder gehanteerde melkproductie dus niet representatief is. Bij de door appellante berekende gemiddelde melkproductie hoort een excretiefactor van 41,3. Zoals volgt uit de uitspraak van het College van 25 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:248, onder 4) moet het bij de in het kader van de knelgevallenregeling te hanteren melkproductie gaan om de melkproductie in een periode, waar dat kan van een jaar, die representatief is voor het bedrijf en aansluit bij de gestelde bijzondere omstandigheden. Door in zijn berekening uit te gaan van de melkproductie in alle twaalf maanden van 2014 heeft verweerder geen rekening gehouden met de dierziekte die in juni 2014 is ingetreden, zodat deze in zoverre niet representatief is. Aan de andere kant heeft appellante evenmin aannemelijk gemaakt dat de melkproductie in de periode januari tot en met mei 2014 representatief is. In de eerste plaats betreft het een tamelijk korte periode van slechts vijf maanden waarvan niet duidelijk is in hoeverre daarbij rekening is gehouden met factoren die eveneens van belang zijn voor de melkproductie als afkalfperiode, weersomstandigheden, weidegang, voer en droogstand. In de tweede plaats heeft verweerder erop gewezen dat de gemiddelde melkproductie in 2013 lager was dan die in 2014 (inclusief dierziekte). Voor zover, zoals appellante ter zitting heeft aangevoerd, al met haar moet worden aangenomen dat zij haar bedrijfsvoering in 2013 heeft gewijzigd door zich te richten op een hogere melkproductie per melkkoe door haar melkvee vanaf de herfst van 2013 meer en duurdere brokken te voeren wat resulteerde in een toename van de melkproductie vanaf oktober 2013, had het op haar weg gelegen in ieder geval inzicht te bieden in die toename van de melkproductie in die laatste maanden van 2013 opdat ook die maanden hadden kunnen worden betrokken bij de melkproductie teneinde een representatief beeld ervan te krijgen. Zij heeft dat niet gedaan. Bij deze stand van zaken moet worden geoordeeld dat appellante met het door verweerder toegepaste excretieforfait van 39,1 niet is benadeeld. De beroepsgrond slaagt niet.

4. Zoals hiervoor onder 2 overwogen heeft verweerder erkend dat hij het fosfaatrecht van appellante bij het bestreden besluit onjuist heeft vastgesteld. Het beroep moet daarom gegrond worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 23, derde en zesde lid, van de Msw. Het College ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en het fosfaatrecht van appellante vast te stellen op 6.150 kg.

5. Het College ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en stelt het fosfaatrecht van appellante vast op 6.150 kg;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. M.A.A. Traousis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.