Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:305

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
19/166 en 19/167
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Rapport indicatieve waardering aandelen. Ten onrechte vermeld dat in de waardering is uitgegaan van toekomstgerichte informatie afkomstig van het management van de vennootschap en ten onrechte nagelaten te vermelden dat en om welke reden(en) een claim van € 10 miljoen niet bij de indicatieve waardebepaling is betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 19/166 en 19/167

Uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2020 op de hoger beroepen van:

[naam 1] N.V., te [plaats 1] ( [naam 1] )

(gemachtigde: mr. E.P. Groenewegen-Caris),

en

[naam 2] RA RV CRAd, te [plaats 2] ( [naam 2] )

(gemachtigde: mr. J.F. Garvelink),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 17 december 2018, gegeven op een klacht, door [naam 1] ingediend tegen [naam 2] .


Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van
17 december 2018, met nummer 18/716 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2018:87). Dit hoger beroep is bij het College geregistreerd met zaaknummer 19/166.

[naam 2] heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak van de accountantskamer. Dit hoger beroep is bij het College geregistreerd met zaaknummer 19/167.

[naam 1] en [naam 2] hebben een schriftelijke reactie op elkaars hogerberoepschrift gegeven.

Bij brief van 29 november 2019 heeft [naam 1] nadere stukken ingediend.

Bij brief van 11 december 2019 heeft [naam 2] op verzoek van het College nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2019.

[naam 2] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [naam 1] heeft zich door haar gemachtigde laten vertegenwoordigen. Van de zijde van [naam 1] zijn tevens verschenen [naam 3] en [naam 4] , alsmede [naam 5] , werkzaam bij SMAN Business Value.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

[naam 2] was ten tijde van belang verbonden aan [naam 6] B.V. ( [naam 6] ), onderdeel van [naam 7] B.V., een dienstverlener op het gebied van accountancy, belastingadvies, financieel-economisch en strategisch advies.

[naam 1] is een onderneming die zich ten tijde van belang bezighield met het opzetten, in stand houden en exploiteren van orthodontie- en tandartspraktijken. De aandelen in [naam 1] werden voor 17,23% gehouden door [naam 8] ( [naam 8] ). Enig aandeelhouder en bestuurder van [naam 8] is [naam 9] ( [naam 9] ). [naam 9] was sinds 1987 voor [naam 1] werkzaam als manager van diverse vestigingen en later ook als statutair bestuurder. Medio december 2012 kreeg [naam 9] zijn ontslag aangezegd.

Het bestuur van [naam 1] heeft op 11 november 2013 tot een aandelenemissie besloten. Op 10 december 2013 zijn 3.779.755 aandelen uitgegeven tegen een prijs van (afgerond) € 0,27 per aandeel. [naam 8] heeft haar statutaire voorkeursrecht op een evenredig deel van de uit te geven aandelen niet uitgeoefend. Met uitzondering van [naam 8] en de broer van [naam 9] hebben alle aandeelhouders/certificaathouders aan de emissie deelgenomen. Als gevolg van de aandelenemissie is het aandelenbelang van [naam 8] verwaterd tot circa 3%.

[naam 9] (en [naam 8] ) en [naam 1] zijn in civielrechtelijke procedures verwikkeld geraakt over zowel het ontslag als over de aandelenemissie. Ter zake van het ontslag heeft [naam 9] een bedrag van € 10 miljoen geclaimd van [naam 1] .

In verband met de aandelenemissie heeft [naam 2] in opdracht van [naam 8] op 14 januari 2015 een rapport uitgebracht, getiteld “Indicatie Waardering [naam 1] N.V.” (rapport). [naam 2] heeft daarin geconcludeerd dat de indicatieve waarde van 100% van de aandelen per 31 december 2013 € 13.894.000,- bedraagt.

[naam 10] RV ( [naam 10] ), werkzaam bij Hermes Advisory B.V., heeft op
3 februari 2016 een rapport aan [naam 8] uitgebracht betreffende het afgeven van een opinie over de aandelenemissie [naam 1] (rapport Hermes).

Het Gerechtshof Amsterdam (Hof) heeft in zijn arrest van 20 december 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:5502), voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de uitgifte van de (certificaten van) aandelen als gevolg van het besluit van [naam 1] van
11 november 2013 jegens [naam 8] onrechtmatig is en [naam 1] veroordeeld tot betaling aan [naam 8] van de als gevolg hiervan jegens [naam 8] geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

In de schadestaatprocedure heeft [naam 8] schadevergoeding gevorderd. In een in opdracht van [naam 8] opgesteld rapport van 1 december 2017 heeft [naam 10] op basis van het door [naam 2] opgestelde rapport de schade van [naam 8] per 31 december 2018 begroot op € 5.628.879,-.

In het kader van de onderhavige tuchtprocedure is in opdracht van [naam 1] door Alvarez & Marsal (A&M) op 12 maart 2018 een rapport uitgebracht, getiteld “ [naam 1] N.V. waardebepaling van de aandelen per 1 december 2013” (rapport A&M), en door SMAN Business Value (SMAN) op 14 maart 2018 een rapport, getiteld “Waardering [naam 1] N.V. per peildatum 1 december 2013” (rapport SMAN). SMAN heeft op 14 maart 2018 tevens een memo uitgebracht.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt de volgende verwijten in:

  1. [naam 2] hanteert in zijn rapport de termen ‘indicatieve waardering’, ‘waarde van de onderneming’, ‘waardebepaling’ en ‘waarde in het economisch verkeer’ door elkaar, waardoor het Hof op het verkeerde been is gezet;

  2. [naam 2] stelt in zijn rapport dat hij zich heeft gebaseerd op informatie van het management van [naam 1] , maar dat is niet correct, nu alleen [naam 9] informatie heeft verstrekt en daardoor is [naam 2] uitgegaan van onvolledige informatie en heeft hij verzuimd relevante vragen te stellen;

  3. [naam 2] benoemt relevante feiten en omstandigheden betrekking hebbend op de financiële positie van [naam 1] ten tijde van de emissie niet en betrekt deze niet in zijn oordeel;

  4. [naam 2] is in zijn rapport uitgegaan van onjuiste aannames en SMAN en A&M onderschrijven dat in hun rapporten;

  5. Het rapport ontbeert een deugdelijke grondslag doordat [naam 2] geen hoor en wederhoor heeft toegepast;

  6. Na het gesprek dat plaatsvond op 12 januari 2018 (waarover [naam 2] leugens heeft verkondigd) had [naam 2] contact moeten opnemen met [naam 9] , die hem had kunnen informeren over nieuw beschikbare stukken, en nader onderzoek moeten doen, omdat hij wist dat zijn rapport in rechte zou worden gebruikt;

  7. [naam 2] vermeldt in het rapport dat hij alleen feiten en omstandigheden zoals die bekend waren op 31 december 2013 in zijn rapport heeft gebruikt, maar dat is feitelijk niet juist.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klachtonderdelen 2 en 3 gedeeltelijk gegrond verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. De accountantskamer heeft aan [naam 2] de maatregel van waarschuwing opgelegd.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep


Het hoger beroep van [naam 1]

3. Grief 1

3.1

De eerste grief van [naam 1] is gericht tegen overweging 4.5 van de bestreden uitspraak. Daarin heeft de accountantskamer geoordeeld dat klachtonderdeel 1, dat het verwijt inhoudt dat [naam 2] door de terminologie in zijn rapport het Hof op het verkeerde been heeft gezet, ongegrond is. Dienaangaande heeft de accountantskamer het volgende overwogen, waarbij voor “betrokkene” [naam 2] en voor “klaagster” [naam 1] moet worden gelezen:

“ (…) de Accountantskamer [stelt] voorop dat het rapport als titel heeft “Rapport indicatieve waardering [naam 1] N.V.”. Op bladzijde 4 van dit rapport is vermeld dat het doel van de waardering is om de indicatieve waarde vast te stellen per datum vóór de aandelenemissie die op 10 december 2013 heeft plaatsgevonden. Vervolgens is uiteengezet op basis van welke methode de waarde zal worden bepaald. In Bijlage I - “Aard en reikwijdte van de verrichte werkzaamheden” - is uitgelegd wat onder indicatieve waarde wordt verstaan en dat deze waarde wordt gebaseerd op vooronderstellingen, aannames, schattingen en professional judgement “welke per definitie subjectief zijn” en dat de aard van de opdracht impliceert dat de uitgevoerde werkzaamheden niet alle voor het bepalen van de economische waarde noodzakelijke procedures en werkzaamheden omvatten. Met betrekking tot de gerapporteerde indicatieve waarde impliceert dit, volgens het rapport, dat de bepaalde indicatieve waarde geen economische waarde is, dat bij het uitvoeren van de opdracht geen “hoor- en wederhoor” is toegepast en dat bij een opdracht tot het bepalen van de “economische waarde” en toepassen van “hoor- en wederhoor” de uitkomsten anders geweest zouden kunnen zijn. Naar het oordeel van de Accountantskamer heeft betrokkene hiermee voldoende duidelijk gemaakt wat de door hem bepaalde indicatieve waardering inhoudt en wat de aan deze wijze van waarderen klevende beperkingen zijn. Er bestaat geen enkele grond om aan te nemen dat betrokkene door de in dit rapport gekozen terminologie het Hof, zoals door klaagster is gesteld, op het verkeerde been heeft gezet. Klachtonderdeel 1 is dan ook ongegrond.”

3.2

[naam 1] stelt dat [naam 2] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt wat de door hem bepaalde indicatieve waardering inhoudt en welke beperkingen aan deze wijze van waarderen kleven. Volgens [naam 1] is hij onzorgvuldig geweest met betrekking tot de in zijn rapport gebruikte terminologie en de gevolgen daarvan. In paragraaf 1.3 van het rapport stelt hij uitdrukkelijk dat hij “de waarde in het economisch verkeer bepaald” heeft. Hij heeft dus niet, zoals de accountantskamer overweegt, slechts de indicatieve waarde bepaald. [naam 2] is ook niet consequent met zijn terminologie. Hij spreekt regelmatig van ‘waarde van de onderneming’, ‘waardebepaling’ en ‘waarde in het economisch verkeer’. Hiermee wordt ten onrechte de indruk gewekt dat sprake is van een waardering en niet slechts van een indicatieve waardering, wat tot verwarring zal leiden bij de lezer. [naam 1] stelt dat [naam 2] met de bewuste keuze van formuleren heeft bewerkstelligd, althans het risico op de koop toe heeft genomen, dat zijn waardering zou leiden tot een toewijzing van de vorderingen van [naam 9] in verdere procedures en dus een belemmering van de objectieve waarheidsvinding zou opleveren. De wetenschap dat zijn rapport gebruikt zou worden in de onrechtmatige daadprocedure en de daarop volgende schadestaatprocedure, ter verdere onderbouwing van de stellingen van [naam 9] , had juist tot een (nog) grotere zorgvuldigheid moeten leiden. Op deze belangen heeft [naam 2] onvoldoende acht geslagen. Het rapport is ook niet (altijd) als indicatief door het leven gegaan. Zo spreekt het Hof ook consequent over ‘waarderingen’ en ‘waarde’. Dit is onder meer het directe gevolg van de door [naam 2] gebruikte terminologie en de wijze waarop [naam 10] – met zijn instemming – naar het rapport verwijst. De ‘waardering’ van [naam 2] vormt de basis voor de schadeberekening door [naam 10] , terwijl [naam 2] heeft bevestigd dat dit niet kan en niet mag. [naam 1] acht klachtwaardig dat [naam 2] hieraan zelf medewerking heeft verleend en desondanks zijn rapport handhaaft. Dat hij ook na de constatering door [naam 1] bij brief van 10 maart 2016 weigert de door hem veroorzaakte situatie recht te zetten, maakt zijn handelen nog onzorgvuldiger en daarmee des te klachtwaardiger. Ook het feit dat het rapport geen voorbehoud maakt met betrekking tot de tolerantie waarmee de indicatieve waarde van de aandelen van € 13,9 miljoen moet worden bezien, illustreert dat het Hof wel degelijk op het verkeerde been is gezet. In het rapport wordt er niet op gewezen dat de afwijking van een indicatieve waardering, gezien de beperkingen daaraan, ver kan liggen buiten de ‘range’ van plus/minus 10-15% die in de praktijk bij waarderingen wordt aanvaard. De door SMAN en A&M berekende ondernemingswaarden bevinden zich binnen die marge, terwijl de ‘waardering’ van [naam 2] met een afwijkende ondernemingswaarde van 119,6% tot 152,4% daar ver buiten valt.

3.3

Het College is met de accountantskamer van oordeel dat uit het door [naam 2] uitgebrachte rapport duidelijk blijkt dat zijn rapport een indicatieve waardebepaling betreft en dat hij voldoende duidelijk heeft gemaakt wat de door hem bepaalde indicatieve waardering inhoudt en wat de aan deze wijze van waarderen klevende beperkingen zijn. De stelling van [naam 1] dat het Hof door de in het rapport gebruikte terminologie op het verkeerde been zou zijn gezet, treft geen doel. Uit rechtsoverweging 3.10 van het arrest van 20 december 2016 blijkt dat het Hof zonder meer heeft begrepen dat in het rapport de indicatieve waarde van 100% van de aandelen [naam 1] is bepaald. Overigens blijkt uit de rechtsoverwegingen 3.12 en 3.13 van het arrest dat het Hof er rekening mee heeft gehouden dat het rapport van [naam 2] door een partij-deskundige is uitgebracht en dat voor het Hof vooral heeft meegewogen dat in het voorliggende geval drie deskundigen in gemotiveerde rapporten tot dezelfde slotsom zijn gekomen, terwijl [naam 1] daar onvoldoende tegenover heeft gesteld.

De grief slaagt niet.

4. Grieven 2 en 3

4.1.1

De tweede grief van [naam 1] is gericht tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 5, dat het verwijt inhoudt dat het rapport een deugdelijke grondslag ontbeert doordat [naam 2] geen hoor en wederhoor heeft toegepast. Ten aanzien hiervan heeft de accountantskamer in overweging 4.6.1 van de bestreden uitspraak het volgende overwogen:

“Ten aanzien van de klachtonderdelen 2, 3 en 5 stelt de Accountantskamer voorop dat betrokkene in Bijlage 1 van het rapport ook heeft vermeld dat hij de werkzaamheden ten behoeve van het rapport heeft verricht in overeenstemming met Standaard 5500N van de NVCOS. De Accountantskamer zal in het midden laten of deze standaard van toepassing is op de waardebepaling die betrokkene heeft uitgevoerd, omdat de klacht daarop niet ziet. Zij volstaat met het herhalen van haar jurisprudentie dat voor rapporten die (zoals het onderhavige) worden uitgebracht met het oog op de onderbouwing van het standpunt van een partij in een (aan te spannen) procedure de eisen gelden die voortvloeien uit de fundamentele beginselen, bedoeld in de VGBA, in het bijzonder het beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Die eisen houden in ieder geval (zeer kort gezegd) in dat een dergelijk rapport gebaseerd is op een deugdelijke grondslag. Daartoe kan bijdragen het horen van de wederpartij van de opdrachtgever van de accountant, klaagster in dit geval. Dat horen is evenwel volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven niet verplicht. Klachtonderdeel 5 dat kennelijk berust op de opvatting dat klaagster ten behoeve van het opstellen van een rapport als dit ten allen tijde moet worden gehoord, is dan ook ongegrond.”

4.1.2

De derde grief van [naam 1] is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer in overweging 4.6.3 van de bestreden uitspraak, dat niet aannemelijk is geworden dat indien [naam 2] wel navraag zou hebben gedaan bij het management hem een rapport van SMAN van 8 november 2013 ter beschikking zou zijn gesteld. Ten aanzien hiervan heeft de accountantskamer het volgende overwogen:

“Klaagster heeft zich immers vele jaren lang in de civiele zaak bij rechtbank en Hof niet alleen niet beroepen op dit rapport van SMAN, maar zij heeft het bestaan van dat rapport zelfs niet gemeld aan de civiele rechter. Ook in het gesprek van 12 januari 2018 met betrokkene heeft klaagster het rapport niet verstrekt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien dat klaagster dat voor betrokkene onbekende rapport eind [2013] wel aan betrokkene zou hebben verstrekt. In zoverre is klachtonderdeel 2 daarom ongegrond.”

4.2.1

Het oordeel van de accountantskamer dat hoor en wederhoor in zijn algemeenheid niet verplicht is, is volgens [naam 1] onvoldoende gemotiveerd en onjuist. Door geen hoor en wederhoor toe te passen, ontbeert het rapport van [naam 2] een deugdelijke grondslag en is de objectieve waarheidsvinding belemmerd. Het oordeel van de accountantskamer rijmt ook niet met de vaststelling dat het rapport is uitgebracht ter onderbouwing van het standpunt van een partij in een (aan te spannen) procedure. De accountantskamer had moeten motiveren uit welke jurisprudentie volgt dat er geen verplichting is en waarom dat ook in dit specifieke geval geldt. Het oordeel is bovendien onjuist, omdat er in dit geval juist wel een verplichting is tot hoor en wederhoor, althans om duidelijk te maken waarom dit niet noodzakelijk is. Volgens [naam 1] heeft het College in een vergelijkbaar geval geoordeeld dat de accountant voor een deugdelijke grondslag van de waardering, ook indien sprake was van indicatieve waardering, tevens het standpunt van de leiding van de onderneming had moeten inwinnen (uitspraak van 17 januari 2018, ECLI:NL:CBB:2018:26). Ook in de onderhavige zaak is sprake van een indicatieve waardering, waarvan bekend is dat deze gebruikt zal worden ter bepaling van een standpunt in een juridisch conflict. Juist bij dit soort rapporten dient de accountant, zoals de accountantskamer (in de uitspraak van 11 januari 2019, ECLI:NL:TACAKN:2019:4, r.o. 4.15) heeft overwogen, “ook actief op zoek te gaan naar informatie die een ander licht op de zaak zou kunnen werpen. Hij had zijn bevindingen daaromtrent, alsook zijn voorlopige conclusies, dan ook aan klaagster dienen voor te leggen en naar aanleiding van het wederhoren zo nodig nader onderzoek moeten verrichten”. [naam 2] heeft geen evenwichtig rapport gepresenteerd op basis waarvan de rechter een juist oordeel kan vellen. Het door hem verrichte werk is onvoldoende. Hij heeft zich niet actief opgesteld en onvoldoende gedaan om tot een volledig, te verantwoorden oordeel te komen, waardoor dit voor de rechter eveneens niet mogelijk is. Hij heeft aldus onzorgvuldig gehandeld en niet voor een deugdelijke grondslag gezorgd. Het feit dat naderhand in de civiele procedure nog op het rapport kan worden gereageerd, doet niet af aan de eis dat het rapport zelf een deugdelijke grondslag moet hebben. Verder wijst [naam 1] erop dat paragraaf 4 van Handreiking 1127 “Opdrachten uitgevoerd ter ondersteuning bij (potentiële) geschillen” (juni 2014) vermeldt dat “Hoor en wederhoor (…) veelal verplicht [is], tenzij dit absoluut niet noodzakelijk is om een deugdelijke grondslag te verkrijgen”. Uit niets blijkt dat [naam 2] een dergelijke afweging heeft gemaakt. Zijn argument dat hoor en wederhoor niet nuttig zou zijn, doet niet ter zake. Het gaat erom wat een zorgvuldige, vakbekwame en professionele accountant moet doen om een deugdelijke grondslag te verkrijgen. Ook het feit dat conform NVCOS 5500N zou zijn gehandeld, levert geen vrijwaring op. Er dient immers ook te worden aangesloten bij de eisen die voortvloeien uit het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid, zeker als het gaat om rapporten die tot doel hebben een standpunt te ondersteunen in een procedure waarvan juist ook derden, zoals rechters, kennisnemen.

4.2.2

Het oordeel van de accountantskamer ten aanzien van klachtonderdeel 2 is volgens [naam 1] eveneens onjuist en onvoldoende gemotiveerd. Dat het rapport van 8 november 2013 van SMAN niet in de civiele procedure is overgelegd, wil niet zeggen dat zij dit rapport in een ander kader niet ter beschikking zou hebben gesteld. [naam 9] heeft zich in de civiele procedure ook niet beroepen op de beweerdelijke wanverhouding tussen de waarde van de aandelen en de emissieprijs. De Ondernemingskamer dan wel het Hof heeft de argumenten voor deze (nieuwe) grondslag tijdens de gecombineerde mondelinge behandeling zelf bij elkaar gezocht, met name aan de hand van het rapport van [naam 2] en het daarop gebaseerde rapport van [naam 10] , en heeft dit argument uitgewerkt en geheel onverwacht ten grondslag gelegd aan het arrest. Als [naam 1] van de opdracht van [naam 2] had geweten, dan had zij hem uiteraard op de hoogte gebracht van hetgeen SMAN op 8 november 2013 had gerapporteerd. Ook had zij hem allerlei andere, aanvullende informatie gegeven, zoals de ook aan SMAN ter beschikking gestelde vijfjarenprognose van [naam 1] , opgesteld ten behoeve van de financieringsaanvragen. [naam 2] heeft ervoor gekozen om de aandelen te waarderen per 31 december 2013 omdat er volgens hem geen tussentijdse cijfers per datum emissie voorhanden waren. Dit had hij kunnen voorkomen indien hij hoor en wederhoor had toegepast. Door beschikbare informatie niet te gebruiken en af te gaan op de gerapporteerde cijfers per ultimo boekjaar 2013 heeft hij geen rekening gehouden met onzekere factoren vóór en op de datum emissie, terwijl hij in zijn rapport wel rekening houdt met alle positieve factoren na datum emissie, waaronder het inmiddels geslaagd zijn van de emissie. Dat SMAN geweigerd zou hebben bekend te maken waar de in haar rapport opgenomen cijfers vandaan komen, is volgens [naam 1] onbegrijpelijk, aangezien het rapport dit uitdrukkelijk vermeldt.

4.3.1

Het College is van oordeel dat [naam 1] , mede in het licht van het door [naam 2] gevoerde verweer, niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 2] over onvoldoende informatie beschikte om een indicatieve waardebepaling op te kunnen stellen. [naam 2] heeft beargumenteerd dat hij een deugdelijk onderbouwde indicatieve waardebepaling kon geven op basis van de informatie die hem was verstrekt door zijn opdrachtgeefster die jarenlang nauw betrokken was geweest bij de onderneming. Tot kort voor de opdracht was [naam 9] bijna tien jaar bestuurder geweest van de onderneming en de peildatum van het rapport lag niet ver voorbij de datum van het vertrek van [naam 9] als bestuurder. Voorts is [naam 9] na zijn ontslag bij de onderneming betrokken gebleven als aandeelhouder en in die hoedanigheid van de belangrijkste ontwikkelingen op de hoogte gebleven, zodat ook daarom ervan kan worden uitgegaan dat er in dit geval geen wezenlijk verschil was tussen het relevante kennisniveau van de opdrachtgeefster en van de leiding van de onderneming, althans niet aannemelijk is gemaakt of gebleken dat het tegendeel het geval was. Voor zover [naam 1] een beroep heeft gedaan op paragraaf 4 van Handreiking 1127 overweegt het College dat daaruit niet blijkt dat altijd sprake is van een verplichting tot het toepassen van hoor en wederhoor in het kader van opdrachten uitgevoerd ter ondersteuning bij (potentiële) geschillen. Zoals het College onder meer heeft overwogen in zijn uitspraak van 31 mei 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BW7869) ontbeert een document niet reeds een deugdelijke grondslag op grond van het enkele feit dat geen hoor en wederhoor is toegepast, maar is hoor en wederhoor een middel om een deugdelijke grondslag te verkrijgen. Dat het in dit geval voor een deugdelijke grondslag van het rapport noodzakelijk was om de leiding van de onderneming te horen ziet het College gelet op het hiervoor overwogene niet in. Het College acht in dit verband voorts van belang dat [naam 2] in zijn rapport heeft vermeld dat hij geen hoor en wederhoor heeft toegepast en dat, onverminderd het vereiste van een deugdelijke grondslag, in de civiele procedure de mogelijkheid bestond om feitelijk op het rapport van [naam 2] te reageren. Van een persoonsgericht onderzoek, zoals [naam 1] heeft gesteld, of assurance is overigens geen sprake.

4.3.2

[naam 1] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat (en welke) informatie zou zijn verstrekt indien [naam 2] bij het management van [naam 1] informatie had ingewonnen. Voor zover [naam 1] in dit verband heeft gewezen op een rapport van SMAN van 8 november 2013 acht het College het om de in overweging 4.6.3 van de bestreden uitspraak genoemde redenen (en nog daargelaten dat de cijfers in dat rapport niet zijn onderbouwd) onwaarschijnlijk dat [naam 2] indien hij navraag zou hebben gedaan bij het management dit document ter beschikking zou hebben gekregen. Voor de door [naam 1] genoemde vijfjarenprognoses 2012-2017 geldt hetzelfde. Dit document heeft [naam 1] pas in deze hogerberoepsprocedure voor het eerst ingebracht (als productie 25 bij het hogerberoepschrift).

Grieven 2 en 3 slagen niet.

5. Grief 4

5.1.1

De vierde grief van [naam 1] is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer

dat klachtonderdeel 3, dat het verwijt inhoudt dat [naam 2] relevante feiten en omstandigheden betrekking hebbend op de financiële positie van [naam 1] ten tijde van de emissie niet benoemt en niet betrekt in zijn oordeel, ongegrond is. De accountantskamer heeft in overweging 4.6.4 van de bestreden uitspraak het volgende overwogen:

“In klachtonderdeel 3 heeft klaagster aangevoerd dat in het rapport een drietal door klaagster genoemde omstandigheden ten onrechte niet als risico voor de onderneming is aangemerkt. Zo heeft betrokkene de door [naam 9] tijdens de aandeelhoudersvergadering van
27 november 2013 gesignaleerde bedreigingen voor de onderneming ten onrechte niet meegenomen in zijn SWOT-analyse op bladzijde 8 van het rapport. Ook het effect van de verwachte tariefdaling is ten onrechte niet meegenomen. Verder heeft betrokkene de claim van [naam 9] van € 10.000.000,-- ten onrechte onbesproken gelaten. Het enkele feit dat tijdens de aandeelhoudersvergadering van klaagster op 27 november 2013 door [naam 9] een aantal omstandigheden als bedreiging voor de onderneming is aangeduid, betekent naar het oordeel van de Accountantskamer echter niet dat betrokkene deze omstandigheden in zijn rapport ook als risico behoorde te benoemen. Klaagster heeft haar standpunt niet verder onderbouwd, zodat het klachtonderdeel in zoverre onvoldoende gemotiveerd is. De verwachte tariefdaling heeft betrokkene onweersproken meegewogen in de door hem bij de waardebepaling gehanteerde disconteringsvoet. Ook in zoverre slaagt het klachtonderdeel niet.”

5.1.2

De vierde grief van [naam 1] is tevens gericht tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 4, dat het verwijt inhoudt dat [naam 2] in zijn rapport is uitgegaan van onjuiste aannames, hetgeen SMAN en A&M in hun rapporten onderschrijven. Ten aanzien hiervan heeft de accountantskamer in overweging 4.7 van de bestreden uitspraak het volgende overwogen:

“Ten aanzien van klachtonderdeel 4 stelt de Accountantskamer voorop dat betrokkene in het rapport heeft vermeld dat hij bij het opstellen hiervan is uitgegaan van continuering van de bestaande activiteiten van de onderneming. Klaagster bestrijdt dit uitgangspunt onder meer met een verwijzing naar “de juiste effecten en cijfers” in een 5-jarenplan dat in 2013 is opgesteld. Ze heeft dat plan echter niet in het geding gebracht en daarom kan aan deze verwijzing geen betekenis worden gehecht. Ook met de door klaagster ingebrachte rapporten van SMAN van 14 maart 2018 en van A&M van 12 maart 2018 is naar het oordeel van de Accountantskamer niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene zich heeft gebaseerd op aannames die evident onjuist waren. Betrokkene heeft de rapporten van SMAN en van A&M bovendien gemotiveerd weersproken. Dit klachtonderdeel slaagt dan ook niet.”

5.2

[naam 1] stelt dat [naam 2] de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels heeft geschonden doordat hij niet alles in het werk heeft gesteld om juiste en recente informatie te vergaren. Daardoor is hij van onjuistheden uitgegaan en heeft hij significante omstandigheden miskend. De accountantskamer heeft de gedragingen van [naam 2] te lichtvaardig beoordeeld en heeft niet in zijn totaliteit bekeken of hij in strijd met de normen heeft gehandeld. [naam 2] was zich bewust van de rol van zijn rapport en de juridische procedure(s) waarin [naam 1] en zijn opdrachtgeefster verwikkeld waren, maar heeft niet naar de in de VGBA gestelde regels gehandeld door onzorgvuldig te werk te gaan met betrekking tot de (niet) gebruikte informatie in zijn rapport.

[naam 2] is volgens [naam 1] niet zorgvuldig geweest in zijn informatievergaring. Hij heeft alleen informatie van [naam 9] gebruikt, maar die was al ruim twee jaar geen lid meer van het management. [naam 2] kon er in redelijkheid niet van uitgaan dat die informatie juist, volledig, objectief en relevant was. Hij had de juistheid van deze informatie moeten nagaan, hoor en wederhoor moeten toepassen en een actieve houding moeten aannemen. Na het uitbrengen van zijn rapport heeft hij een en ander niet meer recht willen zetten.

Door deze onzorgvuldige manier van werken zijn enkele (zeer) relevante omstandigheden waarvan [naam 2] op de hoogte was niet in het rapport meegenomen, althans hij heeft niet toegelicht waarom ze niet van invloed zijn op de indicatieve waardering, althans de afwezigheid van deze omstandigheden is onvoldoende toegelicht. [naam 1] bestrijdt dat zij haar standpunt dat [naam 2] deze omstandigheden als risico had moeten benoemen, zoals de accountantskamer in overweging 4.6.4 van de bestreden uitspraak heeft overwogen, onvoldoende zou hebben gemotiveerd.

[naam 1] kan zich niet verenigen met het oordeel van de accountantskamer dat de overige omstandigheden niet hadden hoeven worden meegenomen. De accountantskamer gaat eraan voorbij dat [naam 2] de andere risico’s waarvan hij op de hoogte was uit zorgvuldigheid mee had moeten nemen of had moeten motiveren waarom ze niet van invloed zouden zijn op het rapport en de daarin vastgestelde (indicatieve) waarde. Ingevolge artikel 7 van NVCOS 5500N behoort het definiëren van risico’s en mogelijkheden tot het analytisch proces. [naam 2] had de door [naam 1] gesignaleerde bedreigingen en de verwachte tariefdalingen moeten meenemen of moeten uitleggen waarom ze niet van invloed zijn op de berekende waarde. Dat het om een indicatieve waarde gaat, ontslaat hem niet van de verplichting deskundig en zorgvuldig te rapporteren. Hij was van deze informatie op de hoogte en heeft op geen enkel punt in zijn rapport inzichtelijk gemaakt waarom hij (schijnbaar) keuzes heeft gemaakt om bepaalde zaken wel of niet mee te nemen. Hiermee heeft [naam 2] het risico op de koop toe genomen dat zijn conclusies onjuist zouden zijn.

[naam 1] stelt dat de onjuiste conclusies verder worden versterkt doordat het handelen van [naam 2] getuigt van strijdigheid met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. De conclusies in het rapport zijn onvoldoende onderbouwd en stroken niet met de (financiële) feiten. [naam 1] vindt het opmerkelijk dat [naam 2] in reactie op de door SMAN en A&M geconstateerde onjuistheden volstaat met een categorische afwijzing van ieder kritiekpunt. Laatgenoemden hebben daar op hun beurt uitgebreid op gereageerd. Overweging 4.7 van de bestreden uitspraak dat [naam 2] de opmerkingen van SMAN en A&M gemotiveerd heeft weersproken, is onwaar en geeft een onjuist en onvolledig beeld. Juist [naam 1] heeft haar standpunten uitvoerig inhoudelijk toegelicht, gesteund door twee gerenommeerde bureaus. Daarop is onvoldoende en op veel punten zelfs onjuist en onwaar door [naam 2] gereageerd. De accountantskamer had de reactie inhoudelijk moeten toetsen.

5.3

Het College constateert dat de op de financiële positie van de onderneming ten tijde van de emissie betrekking hebbende relevante feiten en omstandigheden die [naam 2] , volgens het in klachtonderdeel 3 geformuleerde verwijt, niet in zijn oordeel heeft betrokken, ten eerste de bedreigingen voor de onderneming betreffen die [naam 9] tijdens de aandeelhoudersvergadering van 27 november 2013 heeft gesignaleerd. Ten tweede heeft [naam 1] gesteld dat [naam 2] ten onrechte niet het effect van de verwachte tariefdaling heeft meegenomen. Ten aanzien van de tijdens de aandeelhoudersvergadering van 27 november 2013 gesignaleerde bedreigingen heeft de accountantskamer, naar het oordeel van het College terecht, geoordeeld dat het enkele feit dat [naam 9] toen een aantal omstandigheden als bedreiging voor de onderneming heeft aangeduid, niet betekent dat [naam 2] deze omstandigheden ook als risico behoorde te benoemen. Wat de verwachte tariefdaling betreft stelt het College vast dat [naam 1] de vaststelling door de accountantskamer dat [naam 2] de verwachte tariefdaling heeft meegewogen in de door hem bij de waardebepaling gehanteerde disconteringsvoet, niet heeft bestreden.
In hoger beroep heeft [naam 1] opnieuw op destijds aan de orde gestelde omstandigheden gewezen, zonder toe te lichten waarom [naam 2] die omstandigheden had moeten meewegen. Als weerspreking van het oordeel van de accountantskamer volstaat dit niet. Voor zover [naam 1] in dit verband doelt op [naam 9] ’s claim van € 10 miljoen, verwijst het College naar rechtsoverweging 9.1 en volgende van deze uitspraak. Voor zover [naam 1] doelt op de in de notulen van de aandeelhoudersvergadering genoemde ‘bleeders’ – dat wil zeggen enkele door [naam 1] overgenomen verlieslatende praktijken – overweegt het College dat dit onderwerp niet door [naam 9] aan de orde is gesteld, maar door zijn broer en voorts dat uit de notulen blijkt dat door het management van [naam 1] juist werd weersproken dat sprake zou zijn van een groot risico. De aankoop werd (door het management van) [naam 1] als een normaal bedrijfsrisico beschouwd dat zij bij elke overname loopt. [naam 1] heeft niet gemotiveerd waarom [naam 2] dit niettemin anders had moeten zien.

Ten aanzien van klachtonderdeel 4 is het College van oordeel dat [naam 1] ook in hoger beroep niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 2] zich bij het opstellen van het rapport op evident onjuiste aannames heeft gebaseerd. Ten aanzien van het gemotiveerde standpunt van [naam 2] om welke redenen hij bij de indicatieve waardering van continuering van de bestaande activiteiten van de onderneming is uitgegaan, en ook mocht uitgaan, heeft [naam 1] niet beargumenteerd dat dit uitgangspunt klaarblijkelijk onjuist is. Het enkele feit dat [naam 2] en de door [naam 1] ingeschakelde bureaus SMAN en A&M van mening verschillen, wil zeker bij een indicatieve waardebepaling niet meteen zeggen dat slechts één van hen het bij het rechte eind kan hebben. Ook het feit dat op het weerwoord van [naam 2] een gemotiveerde reactie is gekomen, maakt dat weerwoord nog niet onjuist. Overigens heeft [naam 2] er terecht op gewezen dat SMAN in het rapport van 14 maart 2018 een veel negatiever beeld van de prestaties van de onderneming heeft geschetst dan hetgeen in werkelijkheid heeft plaatsgevonden en dat ook de in hoger beroep alsnog door [naam 1] overgelegde (ten behoeve van de banken opgestelde) vijfjarenprognose niet van een verlies uitgaat.

De grief slaagt niet.

6. Grief 5

6.1

De vijfde grief van [naam 1] is gericht tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 6, dat het verwijt inhoudt dat [naam 2] na het gesprek op 12 januari 2018 (waarover hij leugens heeft verkondigd) contact had moeten opnemen met [naam 9] , die hem had kunnen informeren over nieuw beschikbare stukken, en nader onderzoek had moeten doen, omdat hij wist dat zijn rapport in rechte zou worden gebruikt. Ten aanzien hiervan heeft de accountantskamer in overweging 4.8 van de bestreden uitspraak het volgende overwogen:

“ Ten aanzien van klachtonderdeel 6 stelt de Accountantskamer voorop dat betrokkene op
12 januari 2018 een gesprek heeft gevoerd met het bestuur en de raad van commissarissen van klaagster. Naar aanleiding van dit gesprek heeft betrokkene op 13 februari 2018 schriftelijk laten weten dat hij erkent dat “informatie” waarop hij zijn rapport gebaseerd heeft, niet afkomstig is van het management van de onderneming, maar van [naam 9] . Betrokkene heeft in die brief ook aangeboden dat klaagster zijn brief in rechte mocht gebruiken. Voor zover klaagster in dit klachtonderdeel informatie over de claim van [naam 9] op het oog heeft, voegt het niets toe aan de onderbouwing van klachtonderdeel 3, waarover de Accountantskamer al heeft geoordeeld in 4.6.4 van deze uitspraak, en behoeft het in zoverre geen bespreking. Klaagster heeft niet concreet duidelijk gemaakt over welke andere informatie [naam 9] beschikte die betrokkene had moeten nopen tot nader onderzoek. Daartoe kan immers niet het hiervoor (in 4.6.3 van deze uitspraak) vermelde rapport van SMAN van 8 november 2013 behoren, omdat klaagster niet heeft weersproken dat [naam 9] dat stuk destijds niet kende. In zoverre is het klachtonderdeel dan ook niet aannemelijk gemaakt. Dat betrokkene leugens zou hebben verkondigd over het op 12 januari 2018 gevoerde gesprek is weliswaar door klaagster gesteld, maar is in het geheel niet onderbouwd. Dat hiervan sprake is geweest is de Accountantskamer dan ook niet gebleken. Dit klachtonderdeel slaagt daarom ook overigens niet.”

6.2

[naam 1] bestrijdt dat zij niet heeft onderbouwd dat door [naam 2] naar aanleiding van het gesprek op 12 januari 2018 leugens zijn verkondigd. Zoals uit het klaagschrift blijkt, heeft zij wel degelijk feiten en omstandigheden benoemd waarover [naam 2] onjuistheden heeft verkondigd. [naam 2] stelt over dit gesprek dat [naam 1] niets aan relevante input en/of commentaar heeft geleverd, maar het tegendeel blijkt uit het gespreksverslag. Zij heeft ook helemaal niet geweigerd op de door [naam 2] gestelde vragen in te gaan. Zo is de vergelijking met de BMW taxatie overduidelijk. Deze en andere constateringen tijdens het gesprek, die het gevolg waren van de (informatie)uitwisseling tussen partijen, waren voor [naam 2] zelfs aanleiding om een lange schorsing van de bespreking te vragen, en vervolgens een termijn van twee weken voor overleg met zijn partners, om op de verzoeken van [naam 1] te kunnen beslissen. Het ergert [naam 1] dat [naam 2] de input en houding van [naam 1] naderhand als zinloos en niet nuttig afschildert. Wederom kiest hij ervoor om ondanks constructieve kritiekpunten geen nader onderzoek te verrichten en/of de (on)juistheid van zijn aannames te toetsen. Sinds 10 maart 2016 is er door [naam 1] input geleverd en al die tijd heeft [naam 2] zijn rapport ongewijzigd in stand gelaten.

6.3

Het College onderschrijft hetgeen de accountantskamer in overweging 4.8 van de bestreden uitspraak ten aanzien van klachtonderdeel 6 heeft geoordeeld en maakt dat oordeel tot de zijne. [naam 1] heeft niet duidelijk gemaakt welke van [naam 9] afkomstige informatie [naam 2] tot nader onderzoek had moeten nopen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, mocht [naam 2] bij de uitvoering van zijn opdracht afgaan op de van [naam 9] afkomstige informatie. [naam 2] is niet, zoals [naam 1] lijkt te suggereren, naar aanleiding van de bespreking op 12 januari 2018 tot het besef gekomen dat hij destijds informatie bij het management van [naam 1] had moeten opvragen. Er was van meet af aan beslist dat het ten behoeve van het opstellen van een indicatieve waardebepaling niet nodig zou zijn het management van [naam 1] te horen. Er was dan ook geen aanleiding voor [naam 2] zijn rapport aan te passen. Het rapport was al in rechte ingebracht en ten tijde van de bespreking had het Hof allang zijn arrest gewezen. In het kader van de schadestaatprocedure zou een nieuwe rapportage aan de orde zijn. Dat [naam 2] over het op 12 januari 2018 gevoerde gesprek leugens zou hebben verkondigd, is ook het College niet gebleken.

7. Tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 7 heeft [naam 1] geen grief aangevoerd.

8. De slotsom is dat het hoger beroep van [naam 1] ongegrond is.

Het hoger beroep van [naam 2]

9.1

[naam 2] kan zich niet verenigen met het oordeel van de accountantskamer ten aanzien van klachtonderdeel 3 dat het rapport niet met de vereiste vakbekwaamheid en zorgvuldigheid tot stand is komen doordat hij een onderzoek naar en een beoordeling van de claim van [naam 9] van € 10 miljoen achterwege heeft gelaten. Ten aanzien hiervan heeft de accountantskamer in overweging 4.6.4 van de bestreden uitspraak het volgende overwogen:

“(…) Wel is de Accountantskamer van oordeel dat betrokkene de claim van [naam 9] in verband met zijn ontslag (zie onder 2.3 van deze uitspraak), van € 10.000.000,--, waarvan betrokkene op de hoogte was, maar waarover de rechter ten tijde van het uitbrengen van het rapport nog geen beslissing had genomen, in zijn rapport als risico had moeten benoemen. Betrokkene had moeten onderzoeken en gemotiveerd moeten beoordelen of in verband met deze claim al dan niet een voorziening zou moeten worden getroffen. Honorering van deze claim zou er ongetwijfeld toe hebben geleid dat sprake was van een ondeugdelijke grondslag voor zijn conclusie over de indicatieve waarde van de onderneming. Het achterwege laten van dit onderzoek en van die beoordeling wordt bepaald niet gerechtvaardigd door de mededeling in Bijlage I bij het rapport dat “eventuele claims, in welk opzicht dan ook, zijn opgenomen in de door of namens opdrachtgever verstrekte informatie”. Het ligt immers niet voor de hand dat [naam 9] zelf zijn vordering van € 10.000.000,-- op klaagster hangende de procedure over die claim op nihil inschatte. Op grond van de informatie van [naam 9] mocht betrokkene dan ook niet zonder nader onderzoek aannemen dat diens vordering niet tot een uitstroom van middelen zou leiden. De Accountantskamer is gelet op het voorgaande van oordeel dat het rapport wat dit punt betreft in strijd met het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder d, van de VGBA, niet met de vereiste vakbekwaamheid en zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Het klachtonderdeel is dan ook in zoverre gegrond.”

9.2

[naam 2] stelt dat er, ook met de kennis van heden, geen grondslag was om in zijn rapport aan de claim van [naam 9] een waardering toe te kennen. Hij heeft zich daarbij gebaseerd, en kon zich baseren, op de hem ter beschikking staande informatie. Volgens [naam 2] had de accountantskamer een aantal relevante omstandigheden moeten meewegen. Dit betreft ten eerste het feit dat de claim in drie instanties is afgewezen en dus inderdaad geen enkele waarde vertegenwoordigde. Uit het arrest van het Hof van 20 december 2016 blijkt ook duidelijk dat het Hof wist dat de claim van [naam 9] in de indicatieve waardering niet was gewaardeerd. Dat had verder geen enkele invloed op de beslissing van het Hof. Dat de claim niet is meegenomen in de indicatieve waardering van [naam 2] is ook duidelijk. Als hij er immers waarde aan had toegekend, was dat zichtbaar geweest in het rapport. Verder wijst [naam 2] erop dat hij zich bij het opstellen van de indicatieve waardering heeft gebaseerd op [naam 1] eigen stukken. Het was duidelijk dat zij het niet nodig vond voor de claim een voorziening te treffen. Dat bleek ook duidelijk uit haar uitlatingen. Die uitlatingen waren gefundeerd en zijn door [naam 2] in acht genomen. De indruk dat hij hierbij alleen op zijn opdrachtgeefster zou zijn afgegaan, is onjuist. Voorts passen in een rapport als hier aan de orde geen niet in de balans opgenomen verplichtingen, zijnde de toelichtende teksten op risico’s die niet tot een getalsmatige verwerking in de cijfers leiden. Het gaat hier, aldus [naam 2] , om een indicatieve waardering, niet om volledige waardering. In overweging 4.5 van de bestreden uitspraak beschrijft de accountantskamer op correcte wijze dat een dergelijke waardering berust op onder meer aannames, inschattingen en professioneel ‘judgement’. De accountantskamer is van oordeel dat dit ook voldoende duidelijk in de door [naam 2] opgestelde indicatieve waardering staat. Het was de (terechte) inschatting van [naam 2] , op basis van de beschikbare informatie, dat de claim van [naam 9] niet van invloed was op de indicatieve waardering. Dat was voor een indicatieve waardering voldoende. Voor een volledige waardering had dat waarschijnlijk niet volstaan en zou [naam 2] bijvoorbeeld een opinie hebben gevraagd, maar dat deed zich hier niet voor.

[naam 2] stelt, samengevat, dat de claim van [naam 9] geen waarde vertegenwoordigde, dat ook [naam 1] vond dat die claim geen waarde vertegenwoordigde, dat [naam 9] zelf aan [naam 2] had aangegeven geen hooggespannen verwachtingen te hebben en dat het getalsmatig meenemen van de claim in de waardering dus vaktechnisch onjuist was geweest. De claim was volgens [naam 2] ook niet waardeerbaar, dus had het hooguit geleid tot vermelding in het rapport dat er een claim van [naam 9] was die niet te waarderen was en dus niet getalsmatig is verwerkt. Hoewel geen van de gebruikers heeft gedacht dat de claim van [naam 9] wel zou zijn verwerkt, betekent het vorenstaande volgens [naam 2] niet dat het niet beter zou zijn geweest in de rapportage uitdrukkelijker te vermelden – overigens dan slechts in beschrijvende zin – dat de claim niet van invloed was op de waardering. In zoverre is inderdaad sprake van een verbeterpunt. Zoals aangegeven, is de civiele rechter evenwel geenszins op het verkeerde been gezet geweest, zodat dat verder geen nadelig effect heeft gehad. [naam 2] herhaalt daarbij dat hij ook thans niet inziet hoe hij op vaktechnisch verantwoorde wijze in zijn indicatieve waardering de claim van [naam 9] had moeten verwerken (voor zover iemand dat zou willen betogen). [naam 2] zou dat onbegrijpelijk achten. Het aanpassen van de waardering van [naam 1] op basis van de claim van [naam 9] zou hij als vaktechnisch niet juist bestempelen.

9.3

Het College is van oordeel dat het betoog van [naam 2] kan worden gevolgd voor zover dat is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer dat hij had moeten onderzoeken en gemotiveerd had moeten beoordelen of in verband met de claim van € 10 miljoen al dan niet een voorziening zou moeten worden getroffen. Het College acht aannemelijk dat [naam 2] , zoals hij heeft gesteld, ter uitvoering van zijn opdracht wel degelijk onderzoek heeft verricht, in die zin dat hij op basis van de jaarrekening van [naam 1] heeft geconstateerd dat (het management van) [naam 1] het zelf niet nodig vond om voor de claim van [naam 9] van € 10 miljoen een voorziening te treffen. Naar het oordeel van het College voert het gelet op dit feit te ver om nog van [naam 2] te verlangen de noodzaak van het treffen van een voorziening voor bedoelde claim nader te onderzoeken.

De grief van [naam 2] slaagt dus ten dele, maar dit leidt niet tot een andere uitkomst. Ter zitting van het College heeft [naam 2] immers erkend dat hij in het rapport had moeten vermelden dat en om welke reden(en) hij de claim van [naam 9] niet bij de indicatieve waardebepaling heeft betrokken. Derhalve blijft de conclusie staan dat het rapport, in strijd met het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder d, van de VGBA, niet met de vereiste vakbekwaamheid en zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

Maatregel

10.1

[naam 2] heeft ten aanzien van de hem opgelegde maatregel van waarschuwing naar voren gebracht dat hij zorgvuldig werk heeft geleverd en een goed rapport heeft geschreven. Zoals hij heeft aangetoond, zat hij met zijn indicatieve waardering zeer dicht bij de daadwerkelijke ontwikkelingen binnen de ondernemingen en was hij veel accurater dan de later door SMAN en A&M opgestelde waardering (die daarvoor de werkelijkheid hebben moeten negeren). Uiteraard is het altijd mogelijk dat de tekst van een rapport niet helemaal perfect is of dat er verbeterpunten zijn. [naam 2] heeft ook aangegeven dat dat hier ook zo is. Voor het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel is dat naar zijn mening echter te weinig. Bij elk rapport van een dergelijke omvang is achteraf wel enige kritiek of enig verbeterpunt aan te wijzen, maar dat betekent niet dat al die rapporten ook tuchtrechtelijk laakbaar zijn. [naam 2] is van mening dat hij hier geen maatregel zou verdienen.

10.2

Het College stelt voorop, zoals al eerder is overwogen in de uitspraak van
20 september 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:364), dat de tuchtrechter op grond van artikel 2 van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) bevoegd is om bij (gedeeltelijke) gegrondverklaring van een klacht een maatregel op te leggen. In dit artikel is voorzien in een schakering van tuchtrechtelijke maatregelen. De Wtra voorziet niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid om bij een gegrondverklaring van een klacht af te zien van het opleggen van een maatregel. Het College leidt hieruit af dat de Wtra ertoe strekt dat bij (gedeeltelijke) gegrondverklaring van een klacht – waaraan immers het oordeel vooraf gaat dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld – in beginsel een maatregel wordt opgelegd. Van dit beginsel kan slechts worden afgeweken in gevallen waarin sprake is van een zodanig geringe verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van een accountant of waarin de verwijtbare gedraging anderszins van zodanig geringe betekenis is gelet op de specifieke omstandigheden van het geval dat oplegging van een maatregel niet is aangewezen. Naar het oordeel van het College is hier van een dergelijk geval geen sprake.

[naam 2] heeft een rapport uitgebracht dat op twee punten niet voldoet aan het fundamenteel beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid van artikel 2, aanhef en onder d, van de VGBA. Hij heeft ten onrechte in zijn rapport vermeld dat hij in de waardering is uitgegaan van toekomstgerichte informatie afkomstig van het management van de vennootschap en hij heeft ten onrechte nagelaten in zijn rapport te vermelden dat en om welke reden(en) hij een claim van € 10 miljoen niet bij de indicatieve waardebepaling heeft betrokken. Naar het oordeel van het College zijn deze verwijten voldoende serieus om het opleggen van de maatregel van waarschuwing te rechtvaardigen. Er is geen aanleiding om het opleggen van een maatregel achterwege te laten.

11. De slotsom is dat zowel het hoger beroep van [naam 1] als het hoger beroep van [naam 2] ongegrond is.

12. De beslissing op deze hoger beroepen berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College verklaart zowel het hoger beroep van [naam 1] als het hoger beroep van [naam 2] ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. J.L. Verbeek en
mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.