Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:304

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
18/2761
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet

Artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)

Fosfaatrechten. Beroep op de knelgevallenregeling faalt. Niet gerealiseerde uitbreidingen worden niet in aanmerking genomen bij de vaststelling van het fosfaatrecht.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door het fosfaatrechtenstelsel een buitensporige last draagt. De mate waarin appellante wordt getroffen door het fosfaatrechtenstelsel is niet inzichtelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2761

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. F.M.C. Boesberg),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Leegsma).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Bij besluit van 12 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder op het bezwaar van appellant beslist.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft het College een zitting achterwege gelaten. Het College heeft vervolgens het onderzoek gesloten en bepaald dat er uitspraak zal worden gedaan.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Op grond van artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met het melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd. Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw verhoogt de minister het fosfaatrecht als appellant aantoont dat door bouwwerkzaamheden zijn fosfaatrecht minimaal 5% lager uitvalt (de knelgevallenregeling).

1.2

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellant exploiteert een melkveehouderij. In 2013 maakt hij, mede met het oog op de toetreding van zijn zoons tot het bedrijf, uitbreidingsplannen. Op 10 december 2013 verkreeg hij vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 voor het houden van 73 melkkoeien en 35 stuks jongvee. Eind 2014 kocht appellant de boerderij van zijn buurman, ten aanzien waarvan een milieuvergunning was verleend voor het houden van 130 melkkoeien en 102 stuks jongvee. De sterk verouderde ligboxenstal gebruikte de buurman voor het stallen van zijn jongvee. Het vee maakte geen onderdeel uit van de koop en is door de buurman na de overdracht elders ondergebracht. De overdracht vond plaats op 3 maart 2015 en aansluitend begon appellant met het verbouwen van die stal. Dat was op 15 februari 2016 afgerond. Op 2 juli 2015 hield appellant 57 melk- en kalfkoeien en 36 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht vastgesteld op 2.845 kg en is daarbij uitgegaan van het door appellant op 2 juli 2015 gehouden dieraantal.

Beroepsgronden

4. Appellant vraagt verhoging van zijn fosfaatrecht op grond van de knelgevallenregeling. Daarbij moet verweerder rekenen met het jongvee van de buurman en de dieren die appellant had kunnen houden als hij niet had hoeven te verbouwen op 2 juli 2015. Verder voert appellant aan dat hij door het fosfaatrechtenstelsel een buitensporige last draagt. Hij deed vóór 2 juli 2015 onomkeerbare investeringen, zoals de aankoop van de buurboerderij. Het toegekende fosfaatrecht is niet toereikend om de stallen te vullen. Een rapport van [naam 2] van 23 april 2018 (het rapport) becijfert de last op meer dan € 110.000,-, en merkt daarvan € 42.301,- als buitensporig aan. Daarbij vergelijkt het rapport de investeringen van appellant met de gemiddelde investeringen in de veehouderij.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder ziet geen reden voor toepassing van de knelgevallenregeling. De verbouwing van de stal heeft namelijk niet ertoe geleid dat hij op 2 juli 2015 minder dieren hield. Het jongvee van de buurman is niet door appellant gehouden. Met niet verwerkelijkte groeiplannen houdt verweerder geen rekening. Verweerder betwist dat appellant een buitensporige last draagt. Van het rapport en de financiële analyses bevinden zich alleen fragmenten in het dossier. Daardoor zijn de gehanteerde uitgangspunten onduidelijk. Bovendien maakt het rapport niet duidelijk op welk manier en tegen welke kosten appellant het melkvee op termijn vervangt, ondanks dat appellant geen jongvee zal houden. Een deel van de beschikbare arbeidscapaciteit blijft onbenut, en het scenario op basis van de toegekende fosfaatrechten houdt, ondanks ruim landbouwareaal, geen rekening met de opbrengst van (overtollig) ruw voer. De privé uitgaven zijn te hoog ingeboekt.

Beoordeling

6.1

Bij het tot stand brengen van de knelgevallenregeling heeft de wetgever ervoor gekozen om niet gerealiseerde uitbreidingen niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het fosfaatrecht. Dat geldt ook voor de op 2 juli 2015 nog niet gerealiseerde uitbreidingen. Hiervoor verwijst het College naar zijn uitspraken van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4; 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:232 en 5 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:555. Verweerder wijst er terecht op dat het door de buurman (en nooit door appellant) gehouden jongvee niet kan leiden tot de verhoging van het fosfaatrecht. Deze beroepsgrond faalt.

6.2.

Het College heeft de algemene uitgangspunten voor de beoordeling van het beroep op artikel 1 van het EP uiteengezet in zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en zijn uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1 t/m 7) en 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:2091). In de uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114) heeft het College zijn beoordelingskader over de individuele en buitensporige last nader gemotiveerd.

6.3

Bij de beoordeling of een last buitensporig is, moeten alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals bij appellant, is verder van belang of en zo ja, op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven appellant zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van de verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan.

6.4

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door het fosfaatrechtenstelsel een buitensporige last draagt. Het rapport van [naam 2] hanteert een verkeerde maatstaf voor de bepaling of een last buitensporig is. Hiervoor verwijst het College naar zijn uitspraak van 7 januari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:13. Bovendien geeft het rapport onvoldoende inzicht in de mate waarin het stelsel appellant treft en mist het overtuigingskracht vanwege de door verweerder genoemde bedenkingen. Deze beroepsgrond faalt.

Slotsom

7.1

Appellant heeft gelijk dat de motivering van verweerders besluiten te kort schiet. Dat is pas hersteld in het verweerschrift. Het bestreden besluit was in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet draagkrachtig gemotiveerd. Het College vindt aanleiding dat gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, aangezien het aannemelijk is dat appellant door het gebrek niet is benadeeld. Ook zonder dat gebrek zou de (materiële) uitkomst gelijk zijn geweest. Daarmee is het beroep ongegrond.

7.2

Het College ziet wel aanleiding te bepalen dat het door appellante betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed en om verweerder te veroordelen in de kosten die appellant voor beroep heeft moeten maken. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 525,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 170,- aan appellant dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 525,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen