Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:294

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
18/2838
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meststoffenwetgeving, fosfaatrechten. Knelgevallenregeling en startersregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2838

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2020 in de zaak tussen

[naam] V.O.F. , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ing. C.G.H. Braakhuis),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.E. Loontjes).

Procesverloop

Op 6 februari 2018 heeft appellante verweerder verzocht om fosfaatrechten vast te stellen voor haar bedrijf. Op dezelfde datum heeft zij ook een melding bijzondere omstandigheden gedaan.

Bij besluit van 6 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de melding van appellante afgewezen.

Bij besluit van 19 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het aantal fosfaatrechten van appellante vastgesteld op nul kg.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2020. Appellante is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.


Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door – voor zover hier van belang – diergezondheidsproblemen, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

1.3

Ingevolge artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit) verhoogt de minister het fosfaatrecht bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Msw op verzoek van een landbouwer met een nieuw gestart bedrijf (startersregeling).

Feiten

2. Appellante heeft op 6 maart 2015 een melkveehouderij gekocht en deze is aan haar geleverd op 1 april 2015. Op de peildatum 2 juli 2015 was geen melkvee op het bedrijf aanwezig.

Beroepsgronden

4. Appellante beroept zich op de knelgevallenregeling en de startersregeling.

Zij stelt dat de veestapel op het aangekochte bedrijf ernstige gezondheidsproblemen had. Op advies van de veearts zijn de dieren toen afgevoerd. Hierdoor was het bedrijf op 2 juli 2015 feitelijk ‘leeg’ en was er sprake van een nieuw gestart bedrijf als bedoeld in artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit. Appellante benadrukt dat deze omstandigheden moeten worden beoordeeld in samenhang.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder wijst het beroep op deze regelingen af. Appellante wist dat de dieren op het bedrijf ziek waren. Het komt voor risico van appellante dat zij het bedrijf desondanks heeft gekocht. Bovendien is appellante de rechtsopvolger van het bedrijf dat getroffen is door de diergezondheidsproblemen. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat geen sprake is van een nieuw startend bedrijf omdat appellante een bestaand bedrijf heeft overgenomen en voortgezet. Dat zij daarna is gestart met een nieuwe veestapel doet daaraan niet af.

5.2

In het verweerschrift wijst verweerder er ter zake de diergezondheidsproblemen nog op dat appellante geen alternatieve peildatum heeft genoemd. Verder kan niet worden voldaan aan de 5 %- drempel omdat er vanaf 1 april 2015 - de datum van levering van het bedrijf aan appellante – tot en met 1 juli 2015 geen dieren geregistreerd stonden in I&R. Met betrekking tot de startersregeling wijst verweerder er nog op dat de rechtsvoorganger van appellante de melkveehouderij exploiteerde op de door appellante overgenomen bedrijfslocatie met de door appellante overgenomen dieren op basis van de voor deze locatie verleende vergunningen. Er is derhalve geen sprake van een situatie van ‘vanaf nul’ beginnen.

Beoordeling

6.1

Het College is van oordeel dat het beroep van appellante op de knelgevallenregeling faalt. Op grond van artikel 23, zesde lid, van de Msw wordt het fosfaatrecht bepaald aan de hand van de gegevens waarover de landbouwer zonder de in die bepaling genoemde omstandigheden zou hebben beschikt. Hiertoe vergelijkt verweerder de gegevens van het bedrijf op de peildatum 2 juli 2015 met de gegevens op de opgegeven alternatieve peildatum. Appellante heeft echter geen alternatieve peildatum opgegeven. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat 1 april 2015 - de datum van de juridische levering van het bedrijf aan appellante - in dezen als zodanig zou moeten gelden, stuit het beroep af op het door verweerder in het verweerschrift gestelde en door appellante niet betwiste gegeven dat op deze datum geen dieren op haar bedrijf geregistreerd stonden. Overigens twijfelde appellante reeds in maart 2015 over de gezondsheidsstatus van de veestapel en heeft in verband daarmee advies gevraagd aan een dierenarts. Dat appellante, ondanks de negatieve bevindingen van de arts en diens advies de dieren niet aan te houden, de aankoop van het bedrijf toch heeft doorgezet, komt voor haar rekening en risico en staat evenzeer in de weg aan een geslaagd beroep op de knelgevallenregeling.

6.2

Ook het beroep op de startersregeling faalt. Zoals verweerder op goede gronden heeft overwogen, was sprake van een voortzetting van een bestaand bedrijf. Dat appellante de dieren na de aankoop vanwege diergezondheidsproblemen heeft afgevoerd en dat het bedrijf op 2 juli 2015 dientengevolge, in de woorden van appellante, ‘leeg’ was, maakt dit niet anders.

Slotsom

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2020.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen