Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:289

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
18/2689
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet. Geen geslaagd beroep op de knelgevallenregeling. Naar het oordeel van het College kan niet worden geconcludeerd dat door de diergezondheidsproblemen het aantal melkkoeien op 2 juli 2015 lager was dan op de alternatieve peildatum. Voorts wordt bij de toepassing van de knelgevallenregeling geen rekening gehouden met op de peildatum nog niet gerealiseerde uitbreidingsplannen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2689

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2020 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. I. Laurijssen),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: C. Zieleman en mr. Y. Groen)

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij besluit van 8 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020. Appellant werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw verhoogt de minister op een daartoe strekkend verzoek het op het bedrijf rustende fosfaatrecht, indien appellant aantoont dat het fosfaatrecht minimaal 5% lager is (de 5%-drempel) door, voor zover hier van belang, diergezondheidsproblemen.

Feiten

2.1

Appellant exploiteert een melkveehouderij. Onderzoek van melkmonsters op 2 juni 2014 en 3 oktober 2014 heeft uitgewezen dat sprake was van een salmonellabesmetting onder het melkvee. In de melkmonsters van 9 februari 2015 en 21 juni 2015 zijn geen afweerstoffen tegen de salmonellabacterie aangetoond.

2.2

Op 27 mei 2015 heeft appellant zestien melkkoeien verkocht. Deze koeien voldeden niet meer aan de hoge door appellant gerealiseerde melkgift (in 2015 van 9.895 kg per koe) en zijn afgevoerd naar een ander melkveebedrijf waar zij verder zijn gemolken.

2.3

Op 2 juli 2015 hield appellant 112 melkkoeien en 111 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 6.386 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder ziet geen aanleiding voor de verhoging van dat fosfaatrecht, omdat een causaal verband ontbreekt tussen de salmonellabesmetting en de afvoer van de melkkoeien op 27 mei 2015.

Beroepsgronden

4. Verweerder heeft alleen gekeken naar de 16 melkkoeien die op 27 mei 2015 zijn afgevoerd en niet naar de 7 op 1 mei 2014 afgevoerde dieren. Voor die 7 dieren heeft appellant een schadevergoeding gekregen van € 10.130,- en daarmee staat het verband met de salmonellabesmetting vast. De dierenarts en de uitslagen van de melkmonsters bevestigen dat het in februari 2015 nog onzeker was of de salmonella was verdwenen. De melkfabriek liet het bedrijf ingedeeld op niveau 2 en wijzigde dat pas naar niveau 1 na de tankuitslag van juni 2015. Door de salmonellabesmetting kon appellant de groei, die hij vanaf medio 2015 had voorzien, niet realiseren. Bij het toepassen van de knelgevallenregeling moet verweerder uitgaan van de situatie zoals die op het bedrijf op 2 juli 2015 zou zijn geweest als de dierziekte zich niet zou hebben voorgedaan, inclusief de aantoonbare en beoogde groei. De wetgever heeft immers expliciet de bedoeling gehad om te voorzien in deze bijzondere omstandigheden. Appellant stelt zich daarom op het standpunt dat de tot 2 juli 2015 niet gerealiseerde groei in de beoordeling moet worden meegenomen.

Standpunt van verweerder

5.1

Appellant heeft niet heeft aangetoond dat de 16 melkkoeien op 27 mei 2015 zijn afgevoerd vanwege salmonella. Deze dieren zijn verkocht voor de melkveehouderij en niet voor de slacht. De melkmonsters van 9 februari 2015 en 3 juni 2015 bevatten geen afweerstoffen tegen salmonella. Dat de melkfabriek het bedrijf liet ingedeeld in niveau 2, rechtvaardigt niet de conclusie dat de veestapel nog steeds met salmonella was besmet. Het is namelijk gebruikelijk dat de melkfabriek een melkveebedrijf pas in niveau 1 terugplaatst na twee achtereenvolgende gunstige bemonsteringen. Appellant heeft melkkoeien afgevoerd vanwege de tegenvallende melkgift en niet omdat deze dieren met salmonella waren besmet.

5.2

Verweerder heeft de gegevens van appellant op 2 juli 2015 afgezet tegen de gegevens op 30 april 2014 (toen de op 1 mei 2014 afgevoerde runderen nog op het bedrijf aanwezig waren), maar dan haalt appellant de drempel van 5% niet. Bij de toepassing van de knelgevallenregeling houdt verweerder, in overeenstemming met de uitspraken van het College van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4) en 29 oktober 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:527), geen rekening met het aantal dieren dat appellant mogelijk op 2 juli 2015 zou hebben gehad wanneer de dierziekte zich niet had voorgedaan. Dat zou volgens verweerder niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van de wetgever.

Beoordeling

6.1

Op uitdrukkelijk aangeven van appellant is in bezwaar uitgegaan van 26 mei 2015 als alternatieve peildatum. Naar het oordeel van het College kan niet worden geconcludeerd dat door de salmonellabesmetting in vergelijk tot 26 mei 2015 het aantal melkkoeien op 2 juli 2015 lager was. Weliswaar heeft appellant een schadevergoeding gekregen voor de op 1 mei 2014 afgevoerde koeien, maar dat vormt geen bewijs dat de 16 melkkoeien die op 27 mei 2015 zijn afgevoerd waren besmet met salmonella. De gunstige uitslagen op 9 februari 2015 en 21 juni 2015 doen eerder anders vermoeden en dat geldt ook voor het gegeven dat appellant de 16 dieren heeft geleverd aan een melkveehouderij. Dat de melkfabriek ondanks de eerste gunstige uitslag, het bedrijf indeelde in niveau 2, is evenmin overtuigend als bewijs dat de salmonellabesmetting voortduurde. Ook de verklaring van de dierenarts biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten, aangezien hij enkel spreekt van een ernstige verdenking op 16 mei 2015 en op dat moment geen daadwerkelijke besmetting heeft vastgesteld.

6.2

Zoals het College in zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4, onder 5.2) heeft geoordeeld en in zijn uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:232, onder 4.1) heeft bevestigd, wordt bij de toepassing van de knelgevallenregeling geen rekening gehouden met op de peildatum (nog) niet gerealiseerde uitbreidingsplannen. Dit betekent dat de groei, die appellant heeft beoogd en niet is gerealiseerd, niet hoeft te worden gecompenseerd.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2020.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd te ondertekenen.