Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:281

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
18/1809
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling fosfaatreductieplan 2017. Appellante kan geen beroep doen op de knelgevallenregeling in artikel 12, tweede lid, van de Regeling en artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Niet aannemelijk dat sprake is van een individuele en disproportionele last.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1809

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2020 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 2, 6, 9 en 16 december 2017 en 27 januari 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante heffingen opgelegd van € 946,- voor periode 1, van € 994,- voor periode 2, van € 293,- voor periode 3, van €293,- voor periode 4 en van € 1.018,- voor periode 5.

Bij besluit van 19 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna het College het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

Overwegingen

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer melkvee houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder melkvee houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

  2. Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Bij brief van 28 maart 2017 heeft appellante verweerder verzocht om het referentieaantal te verhogen (het verzoek). Appellante heeft in het verzoek vermeld dat zij voor 2 juli 2015 een kleinschalig biologisch melkveebedrijf is gestart met een beoogd aantal melkkoeien tussen de 10 en 20 en dat er verschillende bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden.

  3. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om het referentieaantal te verhogen. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante geen beroep kan doen op de knelgevallenregeling in artikel 12 van de Regeling omdat het referentieaantal op de peildatum door de bouwwerkzaamheden niet minimaal 5% lager was. Verweerder is daarbij van 15 februari 2013 uitgegaan als alternatieve peildatum .
    Appellante komt volgens verweerder ook niet in aanmerking voor de toepassing van de knelgevallenregeling voor nieuw gestarte bedrijven in artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit). Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrijf van appellante niet als een nieuw gestart bedrijf kan worden aangemerkt, omdat er al voor 1 januari 2014 melk werd geproduceerd en niet voldaan is aan de 10% drempel.
    Tot slot heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een individuele disproportionele last, omdat van bijzondere omstandigheden, anders dan een biologische bedrijfsvoering en/of investeringsverplichtingen en een financiële last, niet is gebleken.

  4. Appellante betoogt dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat zij 15 februari 2013 als nieuwe peildatum heeft aangedragen. Zij heeft immers helemaal geen baat bij het vragen om een eerdere peildatum, omdat zij een nieuw gestart bedrijf is dat in het voorjaar van 2015 nog in opbouw was. De veebezetting was daardoor nog niet op peil.
    Verder betoogt appellante dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij niet als een nieuw gestart bedrijf kan worden aangemerkt omdat vóór 1 januari 2014 al melk zou zijn geproduceerd. Appellante voert aan dat het melkveebedrijf in het voorjaar van 2015 is gestart, dat het bedrijf sinds 1 april 2015 lid is van de coöperatie Eko‑Holland en dat pas op 6 mei 2015 de eerste melk is geleverd. Appellante wijst daarbij op een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 19 maart 2015, en een uitdraai van Z‑net.
    Tot slot betoogt appellante dat in haar geval sprake is van een individuele disproportionele last. Appellante heeft toegelicht dat haar bedrijf feitelijk te klein is om lid te zijn van de coöperatie Eko-Holland, of een andere afnemer, en dat zij nu al aan de ondergrens van de mogelijkheden zit, omdat de computergestuurde pompinstallatie van de transporteur technisch niet in staat is om nog kleinere hoeveelheden melk op een juiste manier in te nemen. Thans gebeurt dit op basis van enige goodwill en door gemaakte afspraken over de ‘melkluwe’ wintermaanden. Wanneer zij minder koeien zou mogen melken en minder melk zou kunnen leveren, komt haar lidmaatschap bij de coöperatie Eko‑Holland in gevaar en zal dit ertoe leiden dat haar bedrijf moet worden beëindigd, aldus appellante.

Artikel 12, tweede lid, van de Regeling

4.1.

Het College is met verweerder van oordeel dat appellante geen beroep kan doen op de knelgevallenregeling in artikel 12, tweede lid, van de Regeling. Dit artikel maakt het verhogen van het referentieaantal mogelijk door het vervroegen van het peilmoment. Vervroeging van de peildatum leidt voor appellante echter niet tot een hoger, maar juist lager referentieaantal, omdat het bedrijf van appellante nog in opbouw was en de veebezetting nog niet op het beoogde peil. Zoals het College eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 13 november 2018, ECLI:NL:CBB:2018:598), biedt artikel 12, tweede lid, van de Regeling verweerder niet de mogelijkheid om rekening te houden met beoogde, maar niet gerealiseerde groei van de veestapel. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit

4.2.

De per 1 januari 2018 geldende fosfaatrechtenregeling kent in de artikelen 72 en 72a van het Uitvoeringsbesluit, op advies van de Commissie Kalden, twee aanvullende knelgevallen, namelijk nieuw gestarte bedrijven en een op de peildatum tijdelijk kleinere veestapel door de realisatie van een natuurgebied of de aanleg of onderhoud van publieke infrastructuur. Voor de toepassing van de Regeling erkent verweerder deze situaties eveneens als knelgevallen zonder dat de Regeling zelf hierop is aangepast.

4.3.

Ingevolge artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit verhoogt de minister het fosfaatrecht bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet op verzoek van een landbouwer met een nieuw gestart bedrijf. Ingevolge het tweede lid, is een nieuw gestart bedrijf een bedrijf dat aantoonbaar:
“a. beschikt over een voor 2 juli 2015 aan de landbouwer verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor 2 juli 2015 door de landbouwer ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer voor het houden van melkvee;
b. onomkeerbare financiële verplichtingen is aangegaan voor 2 juli 2015;
c. tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking;
d. op 1 januari 2018 minimaal 15 melk- en kalfkoeien hield als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, onder 1°, van de wet;
e. geen aanspraak maakt op rechten uit hoofde van artikel 23, vierde lid, van de wet.”

4.4.

Het College is van oordeel dat het bedrijf van appellante niet als een nieuw gestart bedrijf kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit, alleen al omdat zij op 1 januari 2018 niet minimaal 15 melk- en kalfkoeien hield. Dit blijkt uit een uitdraai van het Identificatie en Registratiesysteem (I&R-systeem) dat verweerder in beroep heeft overgelegd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante daarmee niet heeft voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 72, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit.

4.5.

In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat het bedrijf van appellante geen nieuw gestart bedrijf is omdat al voor 1 januari 2014 melk werd geproduceerd op haar bedrijf. In het verweerschrift is hij niet ingegaan op de beroepsgrond die appellante hier tegenin heeft gebracht. Het College gaat er daarom van uit dat deze afwijzingsgrond ten onrechte is gehanteerd.
In plaats hiervan heeft verweerder zich voor het eerst in verweer op het standpunt gesteld dat appellante op 1 januari 2018 niet minimaal 15 melk- en kalfkoeien hield. Omdat het bestreden besluit pas in verweer is voorzien van een toereikende motivering, is het in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. Het College ziet aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, aangezien aannemelijk is dat appellante door dit gebrek niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.

4.6.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Individuele en disproportionele last

4.7.

Bij beoordeling of een last in het individuele geval van de betrokken melkveehouder disproportioneel is, moeten alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. Niet ieder vermogensverlies geldt als een disproportionele last en de beoordeling hangt af van alle individuele omstandigheden van het geval. De uiteindelijke bewijslast dat sprake is van een disproportionele last, rust op appellante. Daarvoor is inzicht nodig in al haar bedrijfsmatige gegevens en omstandigheden (vergelijk de uitspraak van het College van 21 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:417).

4.8.

Het door appellante overgelegde overzicht van investeringen is onvoldoende om een disproportionele last aan te nemen. Appellante heeft geen inzicht gegeven in de financiële positie van haar bedrijf en heeft geen stukken overgelegd die haar stelling onderbouwen dat haar lidmaatschap bij Eko-Holland en daarmee de continuïteit van haar bedrijf in gevaar komt. Appellante heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van een individuele en disproportionele last. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Slotsom

5. Het beroep is ongegrond.

6. Gelet op het in 4.5. geconstateerde gebrek bestaat aanleiding te bepalen dat het door appellante betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het College

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 170,- aan appellante dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. A. Koelewijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2020.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.