Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:269

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
18/2688
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, zesde lid, van de Msw. Het beroep op de knelgevallenregeling slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2688

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2020 in de zaak tussen

[naam] v.o.f., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. G.H. Blom),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.E. Loontjes)

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 8 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020. Appellante is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw verhoogt de minister op een daartoe strekkend verzoek het op het bedrijf rustende fosfaatrecht, indien appellant aantoont dat het fosfaatrecht minimaal 5% lager is (de 5%-drempel) door ziekte van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer (de knelgevallenregeling).

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveehouderij in de vorm van een vennootschap onder firma met twee vennoten. Reeds vanaf 19 september 2008 beschikt appellante over een vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor het houden van 317 melkkoeien en 165 stuks jongvee.

2.2

Op 13 december 2013 is één van de vennoten van appellante door een ziekte gedeeltelijk arbeidsongeschikt geraakt. In september 2014 verergerde deze ziekte waardoor deze vennoot tot augustus 2017 volledig arbeidsongeschikt was.

2.3

Appellante hield op 2 juli 2015 124 melkkoeien en 78 stuks jongvee. Op 21 maart 2018 heeft zij bij verweerder een melding bijzondere omstandigheden gedaan. Met deze melding heeft zij verweerder verzocht bij het vaststellen van haar fosfaatrecht rekening te houden met de bijzondere omstandigheid ziekte van een persoon van het samenwerkingsverband.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 6.185 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren.

Beroepsgronden

4. Appellante voert aan dat zij het plan had opgevat om vanaf medio 2014 te groeien naar 315 melkkoeien en 185 stuks jongvee. Vanwege de tijdelijke arbeidsongeschiktheid van één van haar vennoten is de uitvoering van dit plan volledig stil komen te liggen. Appellante stelt dat de dieraantallen, die op 2 juli 2015 op haar bedrijf aanwezig waren, niet representatief zijn. Het fosfaatrecht had minimaal 5% hoger gelegen, indien de vennoot niet arbeidsongeschikt was geraakt. Appellante verzoekt daarom de niet gerealiseerde groei mee te nemen bij het toepassen van de knelgevallenregeling.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep van appellante op de knelgevallenregeling terecht is afgewezen. Op basis van een vergelijking tussen het toegekende fosfaatrecht en het fosfaatrecht dat appellante toegekend zou krijgen als wordt uitgegaan van de alternatieve peildata 27 juni 2014 of 27 september 2014, concludeert verweerder dat op de alternatieve peildata sprake is van een daling van het fosfaatrecht in plaats van een stijging. Volgens verweerder kan bij het toepassen van de knelgevallenregeling geen rekening worden gehouden met het aantal dieren dat appellante mogelijk op 2 juli 2015 zou hebben gehad. Dat zou niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van de wetgever.

Beoordeling

6. Zoals het College in zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4, onder 5.2) heeft geoordeeld en in zijn uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:232, onder 4.1) heeft bevestigd, wordt bij de toepassing van de knelgevallenregeling geen rekening gehouden met op de peildatum (nog) niet gerealiseerde uitbreidingsplannen. Dit betekent dat de groei, die door de tijdelijke arbeidsongeschiktheid niet kon worden ingezet, niet hoeft te worden gecompenseerd. Verweerder heeft gemotiveerd gesteld dat het fosfaatrecht op 2 juli 2015 hoger is dan het fosfaatrecht op de door appellante genoemde peildata van 27 juni 2014 en 27 september 2014. Appellante heeft dit niet betwist.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2020.

De voorzitter is verhinderd te ondertekenen De griffier is verhinderd te ondertekenen