Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:255

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
17/1440
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling fosfaatreductieplan 2017. Knelgeval. Bedrijfsongeval. Bij het wijzigingsbesluit heeft verweerder het bestreden besluit voor wat betreft het vaststellen van een alternatieve peildatum herroepen. Beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk. Verweerder heeft het primaire besluit bij het wijzigingsbesluit ten onrechte niet herroepen wegens een aan hem te wijten onrechtmatigheid. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase is ten onrechte afgewezen. De gestelde schade van de aankoop van fosfaatrechten is geen gevolg van het onrechtmatige primaire besluit. Verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1440

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2020 in de zaak tussen

de maatschap [naam 1] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante

(gemachtigde: mr. ing. J.P.J.M. Rouwet),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Raven).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante een bonus toegekend van € 425,00 voor periode 1.

Bij besluit van 15 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij besluit van 18 februari 2020 (het wijzigingsbesluit) heeft verweerder het bestreden besluit voor wat betreft het vaststellen van de alternatieve peildatum in het kader van de knelgevallenregeling als bedoeld in artikel 12 van de Regeling herroepen. Verweerder heeft bij dit besluit aan appellante een bonus toegekend van € 1.645,00 voor periode 1. Verweerder heeft het verzoek om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase afgewezen.

Appellante heeft een reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020. Namens appellante zijn verschenen [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Regeling, kan de minister indien de houder meldt en aantoont dat het referentieaantal minimaal 5% lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de houder of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van melkveestallen, op verzoek van de houder het referentieaantal bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van deze buitengewone omstandigheden is geregistreerd.

  2. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de perioden van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer melkvee houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder melkvee houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

  3. Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Op 10 maart 2017 heeft appellante een verzoek als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Regeling ingediend om het referentieaantal te bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van de bijzondere omstandigheid is geregistreerd (de melding). Appellante heeft gemeld dat de bijzondere omstandigheid op 19 maart 2015 is ingetreden. [naam 2] is toen door een bedrijfsongeval arbeidsongeschikt geworden. Daarna is besloten tot de verkoop van 13 drachtige vaarzen, zodat er minder kalfjes werden geboren op het bedrijf en de echtgenote het werk beter aankon. Daarom heeft appellante verzocht om een alternatieve peildatum te hanteren waarbij het referentieaantal wordt bepaald aan de hand van het aantal runderen zoals deze gemiddeld over het kalenderjaar 2014 dan wel gemiddeld vanaf 1 januari tot 1 maart 2015 op het bedrijf aanwezig is geweest.

  4. Artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt, voor zover van belang, dat het beroep tegen het oorspronkelijke besluit van rechtswege mede betrekking heeft op een gewijzigd besluit. Het wijzigingsbesluit is een besluit waarover het beroep zich ingevolge artikel 6:19 van de Awb mede uitstrekt. Gesteld, noch gebleken is dat appellant nog belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit, en daarom zal het College dat beroep niet-ontvankelijk verklaren.

  5. Bij het wijzigingsbesluit heeft verweerder overwogen dat appellante hem in beroep heeft gewezen op de beslissing op bezwaar inzake de fosfaatrechten. Bij dit besluit heeft verweerder bij de toepassing van de knelgevallenregeling in artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet als alternatieve peildatum 1 maart 2015 aangehouden. In het wijzigingsbesluit heeft verweerder verder overwogen naar aanleiding van het beroep het causaal verband tussen de bijzondere omstandigheid en het lagere referentieaantal wel aan te nemen. Verweerder heeft daarom, conform het verzoek van appellante, de alternatieve peildatum in het kader van de Regeling ook vastgesteld op 1 maart 2015. Bij het wijzigingsbesluit is verweerder dus in zoverre aan appellante tegemoetgekomen.

  6. Appellante kan zich niet verenigen met het wijzigingsbesluit, omdat daarbij alleen de geldsom voor periode 1 is herzien. Verweerder was er bij het nemen van dit besluit mee bekend dat ook de geldsommen voor de perioden 2 tot en met 5 onjuist zijn vastgesteld, omdat in deze perioden onjuiste referentieaantallen zijn gehanteerd. Bij een correcte besluitvorming met de juiste referentieaantallen zouden aan appellante ook over die perioden hogere bonusgeldsommen toekomen, aldus appellante.
    Appellante heeft verder naar aanleiding van het wijzigingsbesluit om schadevergoeding verzocht, omdat zij vanwege de vaststelling van het onjuiste referentieaantal en de daardoor dreigende oplopende boeten genoodzaakt was fosfaatrechten aan te kopen. Verweerder is hier niet aan tegemoetgekomen.
    Ook de proceskostenvergoeding in bezwaar is nog in geschil.

6.1.

In dit geschil moet de vraag worden beantwoord of verweerder bij het wijzigingsbesluit het primaire besluit had moeten herroepen wegens een aan hem te wijten onrechtmatigheid. Bij het wijzigingsbesluit is opnieuw beslist op het bezwaar tegen het primaire besluit. Deze besluiten hebben alleen betrekking op periode 1. Het wijzigingsbesluit is het besluit dat in beroep voorligt. Dit betekent dat het College niet toekomt aan de vraag of verweerder de besluiten die betrekking hebben op de perioden 2 tot en met 5 ook had moeten herzien. Appellante is ter zitting voorgehouden dat zij indien zij dat wil voor die perioden een verzoek om herziening kan indienen bij verweerder. Deze beroepsgrond faalt.

6.2.

Verweerder stelt dat hij in het wijzigingsbesluit uit een oogpunt van coulance aan het verzoek van appellante om 1 maart 2015 als alternatieve datum te hanteren is tegemoetgekomen, maar naar het oordeel van het College mocht van verweerder ook worden verlangd dit te doen. Appellante heeft 13 melkkoeien kort voor het bedrijfsongeval afgevoerd. Deze koeien hebben plaats gemaakt voor de 13 drachtige vaarzen die begin april 2015 zouden afkalven maar die op 4 april 2015 zijn verkocht vanwege de arbeidsongeschiktheid van Peeters. Deze drachtige vaarzen zouden melkkoeien zijn geweest en zouden als zodanig hebben meegeteld bij de berekening van het referentieaantal op 2 juli 2015 als het bedrijfsongeval zich niet zou hebben voorgedaan. Er bestaat dan ook een causaal verband tussen de bijzondere omstandigheid en het lagere referentieaantal op 2 juli 2015. Dit heeft verweerder in het primaire besluit niet onderkend. Uit het voorgaande volgt dat verweerder het referentieaantal in het primaire besluit te laag heeft vastgesteld. Verweerder heeft dit besluit bij het wijzigingsbesluit ten onrechte niet herroepen wegens een aan hem te wijten onrechtmatigheid. Dit betekent dat verweerder ten onrechte het verzoek om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase heeft afgewezen. Deze beroepsgrond slaagt.

6.3.

Appellante stelt dat zij als gevolg van het besluit schade heeft geleden. Die schade bestaat er volgens appellante uit dat zij, achteraf ten onrechte, fosfaatrechten heeft aangekocht. Het College volgt appellante niet in haar stelling dat zij als direct gevolg van het primaire besluit schade heeft geleden. Het onrechtmatige besluit op grond van de Regeling is op 17 juni 2017 genomen. Het besluit over de fosfaatrechten is op 3 januari 2018 genomen. In dat besluit is van dezelfde peildatum uitgegaan als het besluit van 17 juni 2017. Bij het besluit op bezwaar over de fosfaatrechten van 16 november 2018 is verweerder aan het verzoek van appellante om 1 maart 2015 voor de knelgevallenregeling als alternatieve peildatum te hanteren tegemoetgekomen. Appellante is in september 2018 overgegaan tot het aankopen van fosfaatrechten. Op het moment van de aankoop had verweerder met toepassing van het stelsel van fosfaatrechten de fosfaatrechten van appellante bij een achteraf onrechtmatig gebleken besluit vastgesteld. Zou verweerder daarvoor een besluit op bezwaar met de juiste peildatum hebben genomen, dan zou appellante de fosfaatrechten niet hebben gekocht. Daar komt bij dat de Regeling fosfaatreductieplan een ander toetsingskader kent dan het stelsel van fosfaatrechten (vergelijk de uitspraak van 15 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:504). Onder die omstandigheden ontbreekt het causale verband tussen het onrechtmatige primaire besluit dat ziet op fosfaatreductie en de aankoop van aanvullende fosfaatrechten. Dat betekent dat de gestelde schade van de aankoop van fosfaatrechten in september 2018 geen gevolg is van het onrechtmatige primaire besluit. Voor vergoeding van schade bestaat dan ook geen aanleiding.

7. Het beroep tegen het wijzigingsbesluit is gegrond en dit besluit zal worden vernietigd voor zover daarbij het verzoek van appellante om de proceskosten in de bezwaarfase te vergoeden, is afgewezen. Het College zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het wijzigingsbesluit. Het College zal verweerder veroordelen in de in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.362,50 (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het beroepschrift, 0,5 punt voor de reactie op een nieuw besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 1). Het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen.

Beslissing

Het College

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het wijzigingsbesluit gegrond;

- vernietigt het wijzigingsbesluit, voor zover daarbij het verzoek van appellante om een vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase is afgewezen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het wijzigingsbesluit;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 333,00 aan appellante dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.362,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Daalder, in aanwezigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.