Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:231

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
18/2195
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet, fosfaatrechten, beroep op knelgevallenregeling in verband met een dierziekte. Ten aanzien van de in aanmerking te nemen melkproductie moet het gaan om de melkproductie in een periode die representatief is voor het bedrijf en aansluit bij de gestelde buitengewone omstandigheid. Dat is in dit geval de periode van een jaar voor het intreden van de dierziekte. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2195

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2020 in de zaak tussen

maatschap [naam 1] & [naam 2] , te [plaats] , appellante,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.R. Alladin en mr. W.A.M. Ebbinge).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 22 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2020.Appellante is vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op het bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door – voor zover hier van belang – diergezondheidsproblemen of dierziekten, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveebedrijf in [plaats] . In de zomer van 2011 is de dierziekte Neospora caninum (de dierziekte) vastgesteld op het bedrijf. Op de peildatum 2 juli 2015 had het bedrijf 94 melk- en kalfkoeien en 56 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. In het primaire besluit heeft verweerder het aantal fosfaatrechten vastgesteld op 4.161 kg. Verweerder is daarbij uitgegaan van de dieraantallen op 2 juli 2015. Verweerder heeft daarnaast de generieke korting van 8,3% toegepast. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de knelgevallenregeling omdat de 5 %-drempel niet wordt behaald.

Beroepsgronden

4. Appellante stelt dat verweerder had moeten rekenen met de alternatieve peildatum 8 november 2014 en de melkproductie van 2014 of met de alternatieve peildatum 6 december 2010 en de melkproductie van 2010. Wat betreft de gevolgen van de dierziekte wijst zij op de sterke daling van de gemiddelde melkproductie vanaf 2010. In dat verband merkt zij op dat in juli en augustus 2011 op het bedrijf 24 abortussen hebben plaatsgevonden als gevolg van de dierziekte. Verder waren er als gevolg van de dierziekte ook andere vruchtbaarheidsproblemen op het bedrijf, zoals het moeilijker drachtig worden van de dieren. Positief geteste dieren zijn door natuurlijk verloop vervangen. Verder zijn 25 nieuwe, onbesmette, dieren aangekocht. Deze waren genetisch minder dan de dieren uit appellantes eigen veestapel. Pas in de tweede generatie – door fokkerij – is weer sprake van een koe die past bij het bedrijf. Deze dieren bleven in het begin dan ook achter in de melkproductie. Verder stelt appellante dat zij zonder de dierziekte in 2015 meer dieren zou hebben gehad dan zij nu had op de peildatum.

Standpunt van verweerder

5. In het verweerschrift heeft verweerder erkend dat de in het bestreden besluit uitgevoerde berekening in het kader van de knelgevallenregeling niet juist is. Dit heeft zijns inziens geen invloed op het fosfaatrecht van appellante. Verweerder gaat thans uit van de alternatieve peildatum 12 juli 2011, zijnde de dag van de eerste verwerping van de dracht door een met de dierziekte besmet dier. Voorts gaat verweerder uit van de gemiddelde melkproductie van 2015. Immers niet is gebleken dat deze niet representatief zou zijn, nu deze heeft plaats gevonden met gezonde dieren. Verweerder wijst in dat verband op de uitspraak van het College van 6 augustus 2019 (ECLI:NL:CBB: 2019:336). Uitgaande van deze gegevens wordt de 5%- drempel evenmin gehaald. Verweerder volgt niet het standpunt van appellante dat de alternatieve peildatum gelegen zou moeten zijn in 2014 of in 2010, omdat de buitengewone omstandigheid – de dierziekte – zich reeds/eerst in de zomer van 2011 heeft voorgedaan.

Beoordeling

6. Het College stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het bedrijf van appellante in 2011 is getroffen door de dierziekte en dat dit een buitengewone omstandigheid is als bedoeld in de knelgevallenregeling.

7. Het College is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte 12 juli 2011 heeft aangehouden als alternatieve peildatum. Uit de stukken blijkt immers dat op deze datum sprake is geweest van een eerste verwerping van de dracht door een met de dierziekte besmet dier op het bedrijf van appellante. Van een eerdere verwerping als gevolg van een zodanige besmetting, met name op 2 of 5 juli 2011 zoals door appellante ter zitting is gesteld, blijkt niet uit de voorhanden zijnde gegevens. Voor het in aanmerking nemen van ofwel 8 november 2014 dan wel 6 december 2010 als alternatieve peildatum bestaat geen reden vanwege het ontbreken van een relatie van deze datums met het intreden van de dierziekte op het bedrijf.

8.1

Het College volgt verweerder echter niet in het uitgangspunt dat bij de berekening van de 5%-drempel uitgegaan moet worden van de melkproductie van 2015. Verweerder heeft ten onrechte uit de uitspraak van het College van 6 augustus 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:336) afgeleid dat ook in de onderhavige zaak uitgegaan moet worden van de melkproductie van 2015. In voornoemde uitspraak gaf de ziekte van een van de vennoten aanleiding tot een beroep op de knelgevallenregeling en was er geen reden om aan te nemen dat de ziekte de gemiddelde melkproductie had beïnvloed. In het geval van appellante gaat het evenwel om een dierziekte die wel van invloed is (geweest) op de melkproductie, zoals ook duidelijk naar voren komt in de vanaf 2010 sterk dalende productiecijfers. Deze waren in 2015 nog niet teruggekeerd op het niveau van vóór het intreden van de dierziekte.

8.2

Zoals het College eerder heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:248) moet het in gevallen als het onderhavige gaan om een periode (waar dat kan van een jaar) die representatief is voor het bedrijf en aansluit bij de gestelde buitengewone omstandigheid. Het College is van oordeel dat deze periode in het geval van appellante het jaar direct voorafgaand aan het intreden van de dierziekte is, te weten van juli 2010 tot en met juni 2011.

8.3

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Het College kan niet zelf in de zaak voorzien omdat hij niet beschikt over gegevens ter zake de gemiddelde melkproductie per koe over de periode van juli 2010 tot en met juni 2011. Het College zal verweerder daarom om die reden opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

9. Voor zover appellante in beroep heeft aangevoerd dat bij toepassing van de knelgevallenregeling rekening moet worden gehouden met als gevolg van een buitengewone omstandigheid niet gerealiseerde groei, faalt deze beroepsgrond. Het College wijst in dit verband op zijn vaste rechtspraak, te vinden in bijvoorbeeld de uitspraak van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4 en de uitspraak van 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:232.

10.1

Appellante heeft in beroep ten slotte benadrukt dat zij zich misleid voelt door hetgeen tijdens de hoorzitting is besproken. Volgens appellante is tijdens de hoorzitting het beeld geschetst dat zij een voor haar gunstige alternatieve peildatum mocht selecteren. Dat verweerder de alternatieve datum 8 november 2014 heeft aangegrepen om het bezwaar ongegrond te verklaren, heeft het vertrouwen van appellante geschaad.

10.2

Het College overweegt dat de uitlatingen van de hoorambtenaar tijdens de hoorzitting wellicht ongelukkig zijn geweest en mogelijk bij appellante verwarring hebben veroorzaakt ten aanzien van de wijze van vaststelling van een alternatieve peildatum. Deze uitlatingen kunnen echter niet leiden tot de vaststelling van een andere – voor appellante mogelijke gunstigere – alternatieve peildatum.

11. Nu het College het beroep gegrond verklaart bestaat aanleiding te bepalen dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht vergoedt. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 338,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig in aanwezigheid van mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2020.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.