Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:225

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
19/976
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet personenvervoer 2000; Taxiverordening Amsterdam 2012 artikel 2.3, eerste lid

Invordering verbeurde dwangsom wegens het aanbieden van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt zonder Taxxxivergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/976

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2020 in de zaak tussen

[naam 1] te [plaats] , appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. A.A.K. Pieters en D. Stijnraht).

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2018 (primair besluit) heeft verweerder van appellant een verbeurde dwangsom ingevorderd.

Bij besluit van 29 mei 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2020. Appellant is niet verschenen. De gemachtigden van verweerder zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is werkzaam als chauffeur op de bel- en contractmarkt in Amsterdam. Hij beschikte ten tijde hier in geding niet over een taxivergunning voor het verrichten van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt (Taxxxivergunning).

1.2.

Bij besluit van 12 oktober 2017 heeft verweerder hem een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening). Daarbij is aan appellant de last opgelegd zich te onthouden van het aanbieden van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt zonder Taxxxivergunning. De dwangsom is vastgesteld op € 5.550,- voor elke nieuwe geconstateerde overtreding van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening, met een maximum van € 27.750,-.

1.3.

In een rapport van bevindingen (RVB) van 12 juli 2018, waarmee een handgeschreven mini-RVB van dezelfde datum is uitgewerkt, beide op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend, is het volgende vermeld:

“Op donderdag 12 juli 2018, omstreeks 21.49 uur, bevond ik mij in burger gekleed met handhaving belast op de openbare weg, te weten [adres] te [plaats] .

Ik zag daar een taxivoertuig (..) Ik, toezichthouder, zag dat voornoemd taxivoertuig stil stond op een laad en los gelegenheid op de [adres] ter hoogte van perceel nummer […] . Deze gelegenheid is gevestigd in de directe omgeving van het [locatie] en het [naam 2] . Ambtshalve is mij bekend dat

er op deze gelegenheid illegaal opstapwerk word verricht. Ik zag dat genoemd taxivoertuig voldeed aan de uiterlijke kenmerken van een taxi, waarmee bedoeld

blauwe kentekenplaten en een wit daklicht voorzien van oranje letters met de tekst taxi”. Ik zag dat er in het voertuig geen Taxxxiraamkaart aanwezig was uitgegeven door de gemeente Amsterdam. Ik zag dat genoemd taxivoertuig hier gedurende een tijd van tien minuten stil stond zonder enige activiteiten. Hierop ben ik naar de chauffeur toe gelopen en heb ik mij gelegitimeerd als toezichthouder van de gemeente Amsterdam. Ik vroeg aan de chauffeur waarom hij op deze locatie stond en ik hoorde de chauffeur zeggen” Ik wacht op klanten. Hierop heb ik de chauffeur gevraagd of hij besteld was op deze locatie en of hij dat kon aantonen, ik hoorde de chauffeur antwoorden “Ik ben niet besteld ik wacht hier tot ik besteld word.” Hierop heb ik de chauffeur naar een geldig identiteitsbewijs gevraagd en de reden van staande houding vermeld. Tevens heb ik de chauffeur erop gewezen dat hij niet tot antwoorden verplicht was. De chauffeur gaf aan aangesloten te zijn bij een TTO desgevraagd antwoorde de chauffeur dat hij reed voor TAT. (..) Uit controle bleek dat de chauffeur een aanvraag heeft gedaan op 28-06-2018 voor een Taxxxivergunning, maar op het moment van constateren niet in het bezit was van een geldige Taxxxivergunning.

De chauffeur heeft niet aannemelijk kunnen maken dat er sprake was van vervoer op de bel- of contractmarkt, waaruit ik niet anders kan concluderen dat de chauffeur aldaar aanwezig was om klanten te werven voor de opstapmarkt. Ambtshalve is mij bekend dat deze locatie wordt gebruikt als illegale opstaplocatie voor taxivervoer. (..)”

1.4.

Het bestreden besluit berust op het standpunt van verweerder dat appellant een dwangsom van € 5.550,- heeft verbeurd wegens het op 12 juli 2018 aanbieden van taxivervoer zonder Taxxxivergunning en dat hij dat bedrag, verhoogd met wettelijke rente wegens niet tijdige betaling, dient te betalen.

2. Appellant heeft in beroep, evenals in bezwaar, aangevoerd dat er geen enkel bewijs en naar zijn mening zelfs geen vermoeden is dat hij daar toen taxivervoer aanbood, behalve dat de plaats waarop de klant hem besteld had volgens de handhaver een plaats is die bekend staat voor het oppikken van klanten zonder vergunning. Appellant verwijst naar de in bezwaar door hem overgelegde kopieën met schermprints van zijn telefoon. Daaruit blijkt volgens hem dat hij daar stond te wachten op een klant die bij hem een taxirit had besteld. Appellant ontkent dat hij heeft gezegd dat hij aangesloten was bij een TTO. De enige overtreding die hij heeft begaan is dat hij stond op een laad- en losplek. Het is absurd dat hij daarvoor een boete van € 5.500,- of meer opgelegd krijgt.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1.

In dit geding is de vraag aan de orde of appellant op 15 december 2017 artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening heeft overtreden. Die bepaling luidt als volgt:

“Het is een chauffeur verboden om zonder Taxxxivergunning van het college op de in bijlage I aangegeven delen van de openbare weg taxivervoer aan te bieden.”

3.2.

Zoals het College in zijn uitspraak van 10 maart 2020, ECLI:NL:CBB:2020:140, heeft overwogen, is het van oordeel dat, wanneer een taxichauffeur met een als taxi herkenbare auto stilstaat op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande plaats in Amsterdam, zonder dat hij op dat moment bezig is met het ophalen (laden) of afzetten (lossen) van klanten die bij hem een taxirit hebben besteld, dat de conclusie rechtvaardigt dat hij daar taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt. Deze aanname kan door de taxichauffeur slechts worden weerlegd door aannemelijk te maken dat hij daar staat ter uitvoering van een bij hem bestelde taxirit dan wel dat hij daar staat als gevolg van overmacht, zoals bijvoorbeeld autopech. Indien de taxichauffeur stelt dat hij daar om andere redenen staat dan voor laden en lossen, bijvoorbeeld om op zijn telefoon te kijken of om op een oproep voor een taxirit te wachten, helpt dat hem niet, omdat er dan van mag worden uitgegaan dat hij taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt, zoals dat er overigens voor omstanders en handhavers van de gemeente Amsterdam ook uitziet. De taxichauffeur die op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande laad- en losplaats staat, zonder bezig te zijn met een bestelde taxirit, riskeert dan ook niet alleen een boete voor verkeerd parkeren of stilstaan op een plaats waar dat niet mag, maar ook dat hem een last onder dwangsom wordt opgelegd of dat hij als gevolg van een opgelegde last een dwangsom verbeurt. Het College gaat er daarbij met verweerder van uit dat algemeen bekend is of mag worden verondersteld, zeker bij taxichauffeurs in Amsterdam, welke plaatsen bekend staan als illegale opstapplaatsen voor taxi’s. Dat zijn in ieder geval de weggedeeltes waar niet geparkeerd mag worden, zoals laad- en losplaatsen, in het hele centrum van Amsterdam en vierentwintig uur per dag, bijvoorbeeld in de buurt van het Centraal Station of hotels.

3.3.

Een bestuursorgaan mag, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport van bevindingen, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Wat appellant heeft aangevoerd vormt naar het oordeel van het College geen aanleiding voor zodanige twijfel. Uit de door appellant overgelegde schermprints (één met de datum donderdag 12 juli, één met een bericht van ‘maandag 02:50’ en van een bericht van ‘vandaag 22:11’ en een schermprint met ‘vandaag 21:08 Inkomend gesprek 37 seconden’) blijkt niet dat hij bezig was met de uitvoering van een bij hem bestelde taxirit. Dat blijkt ook niet uit zijn verklaring als vermeld in het RVB: “Ik ben niet besteld ik wacht hier tot ik besteld word.”

3.4.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat, toen hij met zijn taxi op de hiervoor onder 1.3 vermelde datum en tijd en laad- en losplaats stond, hij daar stond ter uitvoering van een bij hem bestelde taxirit. Gelet hierop en op het onder 3.2 vermelde toetsingskader, is het College met verweerder van oordeel dat appellant daar toen taxivervoer heeft aangeboden op de opstapmarkt zonder Taxxxivergunning. Wat appellant verder nog heeft aangevoerd maakt dat niet anders en behoeft daarom geen bespreking.

3.5.

De hiervoor onder 3.1 vermelde vraag moet bevestigend worden beantwoord.

3.6.

Het College zal het beroep ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2020.

w.g. J.H. de Wildt w.g. J.W.E. Pinckaers