Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:217

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
18/2739
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Fosfaatrechten. Fosfaatruimte. Fosfaatgebruiksnorm. Voor de vaststelling van de fosfaatruimte is bepalend de oppervlakte landbouwgrond die op 15 mei 2015 tot het bedrijf behoort. Dit volgt uit de artikelen 21a en 24, eerste en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit (vergelijk de uitspraak van het College van 10 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:399). Hierbij zijn de gegevens in de Gecombineerde Opgave 2015 leidend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:132), tenzij appellante aannemelijk maakt dat deze gegevens niet juist zijn. Appellante is hierin geslaagd. Het ligt namelijk voor de hand dat appellante met het inzaaien van het muizenperceel als maïsland heeft gewacht tot na de publicatie van de vrijstelling om haar subsidie of betalingsrechten voor dit perceel niet op het spel te zetten. Dat appellante bij het invullen van de Gecombineerde Opgave 2015 op 15 juni 2015 de toestand van het perceel naar dat moment heeft verwoord, acht het College in dit geval eveneens aannemelijk; voor de subsidiëring maakte het na 25 mei 2015 voor appellante geen verschil of zij het muizenperceel als grasland of bouwland opgaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2739

gerectificeerde uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. H. Sikkema),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.R. Alladin en mr. M.J.H. van der Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 10 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , bijgestaan door [naam 3] en
[naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Op grond van artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met het melkvee dat op

2 juli 2015 (de peildatum) op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

De generieke korting van het fosfaatrecht is, op grond van artikel 72b, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw gemaximeerd, kort gezegd, tot het verschil tussen de fosfaatproductie van het melkvee en de fosfaatruimte in 2015.

1.3

De fosfaatruimte is de hoeveelheid dierlijke mest die het bedrijf op zijn landbouwgrond mag opbrengen (zie artikel 1, eerste lid, aanhef en onder ll, sub 1° van de Msw). Hoeveel mest een landbouwer op zijn grond kwijt kan, hangt van de fosfaattoestand van het perceel. Als er al veel fosfaat in de grond zit, mag er weinig mest worden uitgereden, als er weinig fosfaat in de grond zit meer. De fosfaatgebruiksnorm voor grasland met een lage fosfaattoestand bedraagt 100 kilogram fosfaat per hectare (ha) per jaar. De fosfaatgebruiksnorm voor bouwland met een hoge fosfaattoestand bedraagt 50 kilogram fosfaat per ha per jaar (zie artikel 29a, eerste lid van Uitvoeringsregeling Meststoffenwet).

1.4

Artikel 1 van de Msw definieert grasland (onder q) als landbouwgrond waarop gras wordt geteeld dat is bestemd om te worden gebruikt als veevoer. Die zelfde bepaling definieert (onder r) bouwland als landbouwgrond, niet zijnde grasland.

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. In de winter 2014/2015 is zij getroffen door een muizenplaag waardoor delen van haar grasland schade hebben opgelopen. De minister heeft appellante op 25 mei 2015 in verband daarmee vrijstelling verkregen van de 80%-graslandeis.1 Die vrijstelling heeft appellante aangegrepen om een door de muizen aangetast perceel van 6,77 ha (het muizenperceel) met maïs te betelen. Zij heeft deze grond in de Gecombineerde Opgave 2015 opgegeven als bouwland. In 2016 heeft appellante circa 33 ha landbouwgrond aangekocht.

Besluiten van verweerder

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 7.000 kg. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het fosfaatrecht verhoogd naar 7.009 kg. Omdat de fosfaatproductie van appellante in 2015 hoger was dan haar fosfaatruimte heeft verweerder een korting toegepast van 513,7 kg. Hierbij heeft verweerder het muizenperceel gecategoriseerd als bouwland.

Beroepsgronden

4. Appellante voert aan dat de in 2016 aangekochte 33 ha meetelt in haar fosfaatruimte. Daarnaast voert zij aan dat het muizenperceel op 15 mei 2015 nog grasland (met een lage fosfaattoestand) was. Daardoor is haar fosfaatruimte groter moet geen korting worden toegepast op het fosfaatrecht. Pas na publicatie van de vrijstelling op 25 mei 2015 heeft appellante het muizenperceel beteeld met maïs. Appellante heeft de Gecombineerde Opgave 2015 op 15 juni 2015 ingevuld naar de feitelijke situatie op die datum.

Standpunt van verweerder

5. Volgens verweerder wordt de fosfaatruimte bepaald door de grond die op 15 mei 2015 tot het melkveebedrijf behoorde. De grond die appellante nadien heeft verworven blijft zodoende voor de fosfaatruimte buiten beeld. De Gecombineerde Opgave 2015, waar appellante het muizenperceel als maïsland heeft opgegeven, is leidend. Uit op 24 mei 2015 genomen luchtfoto’s blijkt dat het muizenperceel toen niet meer als grasland in gebruik was.

Beoordeling

6.1

Verweerder heeft de in 2016 door appellante aangekochte 33 ha grond terecht buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van de fosfaatruimte, want daarvoor is bepalend de oppervlakte landbouwgrond die op 15 mei 2015 tot het bedrijf behoort. Dit volgt uit de artikelen 21a en 24, eerste en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit (vergelijk de uitspraak van het College van 10 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:399). Deze beroepsgrond faalt.

6.2

Tussen partijen is verder in geschil of het muizenperceel op 15 mei 2015 grasland of bouwland was. Hierbij zijn de gegevens in de Gecombineerde Opgave 2015 leidend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:132), tenzij appellante aannemelijk maakt dat deze gegevens niet juist zijn. Appellante is hierin geslaagd. Het College overweegt daartoe het volgende.

6.3.1

Het College acht het aannemelijk dat appellante, zoals zij ter zitting heeft toegelicht, na 25 mei 2015 het perceel met maïs heeft ingezaaid. Het ligt namelijk voor de hand dat appellante met het inzaaien van het muizenperceel als maïsland heeft gewacht tot na de publicatie van de vrijstelling om haar subsidie of betalingsrechten voor dit perceel niet op het spel te zetten. Dat appellante bij het invullen van de Gecombineerde Opgave 2015 op 15 juni 2015 de toestand van het perceel naar dat moment heeft verwoord, acht het College in dit geval eveneens aannemelijk; voor de subsidiëring maakte het na 25 mei 2015 voor appellante geen verschil of zij het muizenperceel als grasland of bouwland opgaf.

6.3.2

De luchtfoto’s van 24 mei 2015 laten inderdaad een bruin (en geen groen) muizenperceel zien, maar dat laat zich verklaren doordat appellante het perceel, zoals zij ter zitting heeft uitgelegd, onder water had gezet om de muizen te verjagen. Dat is voor het College (dus) geen reden om te twijfelen dat het muizenperceel toen nog niet als maïsperceel was ingezaaid.

6.4

Partijen zijn het er over eens dat het landbouwgrond betreft, maar verschillen van mening of dat landbouwperceel op 15 mei 2015 grasland of maïsland was. Door de muizenplaag was het perceel op 15 mei 2015 wellicht niet (goed) meer te gebruiken als grasland, tegelijk was het toen ook niet als maïsland in gebruik. Het College houdt het er in deze omstandigheden voor dat het muizenperceel de kwalificatie als grasland pas verloor na 25 mei 2015. Daarmee was het op 15 mei 2015 (nog) grasland. Deze beroepsgrond slaagt.

Slotsom

7. Het beroep is gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf het fosfaatrecht vaststellen. Omdat de fosfaatruimte van appellante naar aanleiding van hetgeen in 6.2 tot en met 6.4 is overwogen groter is dan haar fosfaatproductie, stelt het College het aantal fosfaatrechten van appellante vast op 7.523 kg.

8. Het College veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- stelt het fosfaatrecht van appellant vast op 7.523 kilogram (fosfaat) en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het griffierecht van € 338,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. J.M.M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2020.

De voorzitter is verhinderd te ondertekenen. De griffier is verhinderd te ondertekenen.

1 Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 25 mei 2015, nr. WJZ/15065456