Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:21

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-01-2020
Datum publicatie
10-01-2020
Zaaknummer
19/658
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Last onder bestuursdwang, kostenbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/50
JB 2020/47
JOM 2020/259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/658

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. S. Benayad),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik).

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van het bepaalde in de Wet dieren en het Besluit houders van dieren (Bhd).

Appellante heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij mondelinge uitspraak van 30 november 2018 (niet gepubliceerd) heeft de voorzieningenrechter dat verzoek afgewezen.

Bij besluit van 19 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 12 juni 2019 (het kostenbesluit) heeft verweerder de kosten van de bestuursrechtelijke handhaving bij appellante in rekening gebracht.

Appellante heeft naar aanleiding van het kostenbesluit aanvullende beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Aan de kant van appellante zijn tevens verschenen [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Appellante had negen Husky’s, vier volwassen Husky’s en vijf pups.

1.3

Naar aanleiding van een melding zijn twee agenten van de politie [plaats] (de politie) op 24 oktober 2018 ter plaatse geweest bij de woning van appellante. Van hetgeen zij daar hebben aangetroffen hebben zij op ambtseed/ambtsbelofte een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. De politie heeft van dit onderzoek tevens telefonisch verslag gedaan aan een districtsinspecteur van de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID). Hetgeen de districtsinspecteur van de politie heeft vernomen, is door hem neergelegd in het toezichtrapport van 30 oktober 2018.

1.4

In voornoemd toezichtrapport heeft de districtsinspecteur van de LID op basis van de bevindingen van de politie overtredingen van de Wet dieren en het Bhd vastgesteld, waarvoor aan appellante bij het primaire besluit een last onder bestuursdwang is opgelegd. In dit besluit staat onder meer het volgende:

“Bij de controle is vastgesteld dat het welzijn van uw honden is aangetast. De volgende overtredingen zijn geconstateerd:

- De huisvesting van uw honden was vervuild met ontlasting en urine. Er lag in de gehele woning overal rommel en vuil, vermengd en verontreinigd met uitwerpselen en urine. U heeft uw honden geen schone en zindelijke huisvesting gegeven. Dit is een overtreding van Art. 1.7 sub d Besluit houders van dieren. Een onzindelijke huisvesting benadeelt het welzijn van dieren en kan de weerstand van dieren tegen ziektes verlagen en hun gezondheidsrisico’s vergroten. U moet ervoor zorgen dat u uw dieren een schone en zindelijke huisvesting geeft.

- Uw honden hebben te lange nagels. U heeft de nagels van uw honden niet op tijd en op de juiste wijze verzorgd. Dit is een overtreding van Art. 2.2 lid 8 Wet dieren. U moet ervoor zorgen dat u uw dieren op de juiste wijze verzorgt.”

De maatregelen die aan appellante zijn opgelegd hielden in dat zij ervoor moest zorgen dat haar honden altijd een schone en zindelijke huisvesting hebben. Appellante diende hiertoe onder andere de aanwezige ontlasting, urine, vuil en rommel uit haar woning te verwijderen en de ruimtes goed te reinigen. Ook moest appellante ervoor zorgen dat de nagels van haar honden tijdig en op de juiste wijze werden verzorgd. Indien nodig kon zij hiervoor een dierenarts inschakelen. Appellante diende de eerste maatregel te nemen voor 14 november 2018. De tweede maatregel moest voor 21 november 2018 genomen zijn.

1.5

Ten aanzien van de bij de last opgelegde maatregelen hebben twee districtsinspecteurs van de LID een hercontrole uitgevoerd op 29 november 2018. Bij deze hercontrole was ook een dierenarts aanwezig. De districtsinspecteurs hebben hun bevindingen vastgelegd in het toezichtrapport van 10 december 2018. Tijdens de hercontrole hebben zij aan appellante te kennen gegeven dat zij niet aan de opgelegde maatregelen van de last onder bestuursdwang heeft voldaan, omdat de woning nog steeds zwaar vervuild was en de nagels van de honden nog steeds te lang waren. Ook de dierenarts heeft verklaard dat de nagels van de honden te lang waren en dat de huisvesting van appellante zeer sterk bevuild was.

1.6

De districtsinspecteurs hebben op 12 december 2018 opnieuw een hercontrole uitgevoerd. Zij hebben hun bevindingen van deze hercontrole neergelegd in het toezichtrapport van 17 december 2018. De districtsinspecteurs hebben aan appellante wederom te kennen gegeven dat zij niet aan de maatregelen van de last onder bestuursdwang heeft voldaan en dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) hierover in kennis zou worden gesteld. Een van de districtsinspecteurs heeft daarop tijdens de controle nog contact gezocht met een medewerker van RVO, die opdracht heeft gegeven om de woning van appellante onder toepassing van bestuursdwang schoon te maken. Volgens het toezichtrapport zijn appellante, haar gemachtigde en RVO ermee akkoord gegaan dat het [naam 4] op 17 december 2018 in de ochtend de schoonmaak van de woning van appellante zou realiseren. Uit een proces-verbaal van meevoeren en opslaan en het toezichtrapport blijkt dat de honden op 12 december 2018 zijn meegevoerd en opgeslagen in verband met de toestand in de woning en het feit dat appellante zelf geen opvang voor hen kon regelen.

1.7

Uit het toezichtrapport van 17 december 2018 en uit het toezichtrapport van 3 januari 2019 blijkt dat de op 17 december 2018 geplande schoonmaak van de woning van appellante door het [naam 4] niet is gerealiseerd. Het toezichtrapport van 3 januari 2019 is opgemaakt naar aanleiding van een hercontrole die de districtsinspecteurs op 19 december 2018 hebben uitgevoerd bij appellante. Over de niet-gerealiseerde schoonmaak hebben de districtsinspecteurs blijkens het toezichtrapport van 3 januari 2019 contact gehad met RVO, waarop besloten is de schoonmaak te realiseren “op grond van het bestuursrecht en de daarmee gepaarde inzet van een schoonmaakploeg”. Daarop heeft verweerder een schoonmaakploeg geregeld die de woning van appellante op 19 december 2018 diende schoon te maken. Deze schoonmaak heeft niet plaatsgevonden.

1.8

Bij brief van 15 januari 2019 heeft verweerder appellante meegedeeld dat zij niet heeft voldaan aan de bij het primaire besluit opgelegde maatregelen. In de brief heeft verweerder voorts meegedeeld dat de honden van appellante bij een opvangadres zijn geplaatst en dat de kosten hiervoor in rekening zullen worden gebracht bij appellante.

1.9

Bij brief van 23 januari 2019 heeft verweerder aan appellante meegedeeld onder welke voorwaarden zij haar honden terug kan krijgen. In deze brief staat dat (i) appellante de geschatte kosten van € 5.131,61 voor 30 januari 2019 dient te betalen; (ii) zij de huisvestingsituatie moet herstellen en (iii) de locatie moet doorgeven waar zij haar honden (tijdelijk) gaat huisvesten.

1.10

Bij het kostenbesluit heeft verweerder de kosten van de bestuursrechtelijke handhaving bij appellante in rekening gebracht. Verweerder heeft voor de periode van 12 december 2018 tot en met 31 maart 2019 voor een bedrag van € 17.508,30 facturen ontvangen voor het onderbrengen van de honden bij een opslaghouder, het consulteren van een dierenarts, de noodzakelijke medische verzorging en het inschakelen van een schoonmaakbedrijf. Hiervan heeft verweerder een bedrag van € 9.222,37 bij appellante in rekening gebracht.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat tijdens de controle op 24 oktober 2018 is gebleken dat de honden van appellante in een sterk vervuilde woning verbleven. Ook hing in de woning een penetrante ammoniaklucht. Het mag volgens verweerder bekend verondersteld worden dat een sterke ammoniaklucht bij mens en dier slecht is voor de luchtwegen en de ademhaling. Door de ernstige vervuiling wordt een dier blootgesteld aan ziekteverwekkers. Daarnaast hadden de honden van appellante lange nagels en zaten de poten helemaal onder de ontlasting en urine, hetgeen risico’s op ziekten en ontstekingen met zich brengt, aldus verweerder. Hoewel verweerder de goede intenties van appellante voor wat betreft de verzorging en huisvesting van haar honden niet in twijfel trekt, stelt verweerder niet anders dan te kunnen concluderen dat de gezondheid en het welzijn van de honden ten tijde van de controle op 24 oktober 2018 zijn benadeeld. Verweerder is daarom handhavend opgetreden om ervoor te zorgen dat de gezondheid en het welzijn van de honden wordt gewaarborgd.

3. In het door appellante tegen het bestreden besluit ingediende beroepschrift voert appellante het volgende aan. Volgens appellante heeft verweerder geen rekening gehouden met haar belangen en zijn de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig in verhouding met het te dienen doel. Omdat appellante onder andere een autistische stoornis heeft, heeft zij verweerder verzocht om controles ruim van tevoren aan te kondigen. Dat is meerdere keren niet gebeurd. De komst van de LID en de schoonmaakploeg op 19 december 2018 is pas een uur van tevoren aangekondigd. Daardoor heeft zij geen eerlijke kans gekregen om de woning te laten schoonmaken, hetgeen er toe heeft geleid dat de honden in bewaring zijn genomen. Na de inbewaringneming was het volgens appellante onmogelijk om haar honden terug te krijgen. Appellante lijdt enorm onder de afwezigheid van de honden, die het middelpunt van haar leven waren. Voorts voert appellante aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel, omdat aan haar zou zijn aangegeven dat haar honden zijn ondergebracht bij verschillende gastgezinnen. Echter, de honden worden volgens appellante te koop aangeboden door verschillende dierenopvangcentra, wat haar erg raakt. Ten slotte is appellante van mening dat het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit onzorgvuldig is geweest, zodat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Appellante verwijst daarbij wederom naar het feit dat de controles, tegen de gemaakte afspraken in, pas kort van tevoren werden aangekondigd. De indruk is gewekt dat de LID niet samenwerkte met verweerder.

4. In het kader van haar beroepsgronden tegen het kostenbesluit voert appellante aan dat dit besluit onrechtmatig is, omdat de herstelmaatregelen onterecht en onzorgvuldig zijn uitgevoerd. Appellante stelt dat de kosten zijn ontstaan omdat haar woning niet is schoongemaakt. Volgens appellante kan dit haar echter niet verweten worden. Appellante betoogt dat zij de schoonmaakhulp van het [naam 4] heeft geweigerd omdat het [naam 4] de schoonmaak alleen zouden uitvoeren als zij een ondersteuningsplan zou ondertekenen. Ondertekening van dit ondersteuningsplan zou betekenen dat haar aanvraag voor een persoonsgebonden budget (PGB-aanvraag) geannuleerd zou worden, omdat het [naam 4] geen specifieke zorg voor mensen met autisme biedt. De weigering van de schoonmaakploeg is volgens appellante dan ook een direct gevolg geweest van het opgelegde ondersteuningsplan. Daarnaast voert appellante aan dat van haar werd verwacht dat zij binnen zes dagen een groot bedrag voor de opvang van haar honden zou betalen. Gelet op de financiële situatie van appellante was dit niet mogelijk, terwijl de bewaringskosten intussen opliepen. Ook is het voor appellante niet duidelijk hoe de kosten die zij moet betalen zijn opgebouwd, zodat het kostenbesluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Tevens is er volgens appellante sprake van onnodige kosten voor wat betreft het chippen van de honden.

5. In het verweerschrift zet verweerder uiteen dat appellante naar zijn mening alle gelegenheid heeft gehad om zelf, al dan niet met hulp van anderen, te voorkomen dat bestuursdwang werd uitgeoefend. Binnen de mogelijkheden die aan verweerder ter beschikking stonden, is volgens verweerder wel degelijk rekening gehouden met de belangen van appellante. Het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel strekken echter niet zover dat de belangen van appellante zwaarder dienen te wegen dan het belang van de bescherming van het dierenwelzijn dat door de uitvoering van de last onder bestuursdwang wordt gediend. Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel stelt verweerder dat tijdens een gesprek met appellante inderdaad is aangegeven dat de honden zijn ondergebracht bij verschillende gastgezinnen. Volgens verweerder kan appellante hieraan echter op geen enkele wijze verwachtingen ontlenen. Bovendien is in het primaire besluit gesproken over een opslaghouder/opvangadres. De opslaghouder/het opvangadres herplaatst of verkoopt de dieren nadat ze door verweerder zijn vrijgegeven. Voor wat betreft de kosten in het kostenbesluit die zien op het chippen van de honden, stelt verweerder dat de door appellante overgelegde producties niet zonder meer aantonen dat de honden al gechipt waren. Verweerder is van oordeel dat de kosten voor het chippen redelijkerwijs bij appellante in rekening kunnen worden gebracht.

De overtreding

6.1

Het College ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verweerder terecht heeft vastgesteld dat appellante met betrekking tot de verzorging van de nagels van de honden artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en ten aanzien van de hygiënische omstandigheden in de woning van appellante artikel 1.7, aanhef en onder d, van het Bhd heeft overtreden. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

6.2

Artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren bepaalt dat het houders van dieren verboden is aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden. In artikel 1.7, aanhef en onder d, van het Bhd staat dat degene die een dier houdt er zorg voor draagt dat een dier een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden.

6.3

Bij de vaststelling van de overtreding heeft verweerder zich voor de feiten gebaseerd op het toezichtrapport van 30 oktober 2018. Volgens vaste jurisprudentie van het College, waaronder de uitspraak van 21 juni 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:230) mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde controleur en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Het ligt dan op de weg van degene bij wie de controle is verricht om aannemelijk te maken dat de bevindingen niettemin onjuist zijn.

6.4

Gelet op de in het toezichtrapport vermelde bevindingen met betrekking tot de hygiënische omstandigheden waaronder de honden in de woning van appellante verbleven en de nagels de honden, heeft verweerder naar het oordeel van het College terecht vastgesteld dat sprake is van de onder 6.1 genoemde overtredingen. Uit deze bevindingen, die zijn gebaseerd op het op ambtseed/ ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de politie en de in verband hiermee door de politie telefonisch aan de LID verstrekte informatie, blijkt dat de woning van appellante ten tijde van de controle op 24 oktober 2018 sterk vervuild was met ontlasting en urine. Daarnaast lag de woning vol allerhande spullen en hing er een zeer doordringende geur. Geconstateerd is voorts dat de nagels van de honden te lang waren. Deze bevindingen worden ondersteund door de door de politie gemaakte foto’s die bij het toezichtrapport zijn gevoegd. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet het College geen reden tot twijfel aan genoemde bevindingen. Appellante heeft deze bevindingen niet gemotiveerd betwist.

6.5

Gelet op het bovenstaande was verweerder naar het oordeel van het College bevoegd om handhavend op te treden en appellante een last onder bestuursdwang op te leggen.

6.6

In hetgeen appellante heeft gesteld ziet het College geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid. Of de hercontroles onzorgvuldig zijn uitgevoerd omdat zij in strijd met een gemaakte afspraak niet tijdig zijn aangekondigd is hierbij niet relevant, omdat deze controles geen rol hebben gespeeld bij het besluit van verweerder om appellante de in geding zijnde last onder bestuursdwang op te leggen.

6.7

Voor zover appellante zich in het kader van haar beroep met betrekking tot deze last keert tegen de feitelijke tenuitvoerlegging daarvan, kan dit worden betrokken in de beantwoording van de vraag of verweerder de kosten van de toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in redelijkheid bij appellante in rekening heeft kunnen brengen. De toepassing van bestuursdwang is feitelijk handelen, waartegen als zodanig op grond van de Awb geen bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld.

6.8

Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit is ongegrond.

Het kostenbesluit

7.1

Gelet op artikel 5:31c van de Awb neemt het College het kostenbesluit mee in de beoordeling van het beroep, nu appellante dit besluit heeft betwist. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

7.2

Gelet op de bevindingen bij de hercontrole op 29 november 2018 staat vast dat appellante niet tijdig heeft voldaan aan de haar bij de last onder bestuursdwang opgelegde maatregelen. Ook uit de bevindingen bij de hercontroles van 4 en 12 december 2018 blijkt overigens dat er toen nog niets was veranderd wat betreft de hygiënische omstandigheden in de woning van appellante en dat de nagels van de honden nog niet waren geknipt. Zij heeft deze bevindingen ook niet gemotiveerd bestreden. Dit betekent dat verweerder bevoegd was om tot toepassing van bestuursdwang over te gaan.

7.3

Met betrekking tot de stelling van appellante dat er een afspraak is gemaakt met verweerder over de hercontroles en de komst van de schoonmaakploeg ter uitvoering van de last onder bestuursdwang, overweegt het College als volgt. Volgens appellante zouden deze hercontroles ruim van tevoren worden aangekondigd. De schoonmaakpoging van 19 december 2018 is volgens appellante in strijd met die afspraak. Zou de komst van de schoonmaakploeg conform de afspraak hebben plaatsgevonden, dat wil zeggen dat de komst van de schoonmaakploeg tijdig zou zijn aangekondigd, dan zou appellante haar medewerking hebben verleend, zo heeft zij ter zitting aangegeven. Dit zou volgens appellante tot gevolg hebben gehad dat zij haar honden terug zou hebben gekregen, waardoor verweerder niet had hoeven over te gaan tot de inbeslagneming en herplaatsing van de honden. Appellante zou dan ook niet met de kosten zitten die zij nu aan verweerder moet betalen.
Naar het College begrijpt beoogt appellante hiermee te betogen dat verweerder met haar de (harde) afspraak heeft gemaakt of aan haar de toezegging heeft gedaan dat bij haar alleen hercontroles zouden worden uitgevoerd en haar woning slechts dan zou worden schoongemaakt, wanneer deze ruim van tevoren bij haar waren aangekondigd en dat, nu verweerder deze afspraak niet is nagekomen, de kosten van de toegepaste bestuursdwang niet in redelijkheid op haar kunnen worden verhaald.

7.4

Naar het oordeel van het College heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat verweerder vorengenoemde afspraak heeft gemaakt of genoemde toezegging heeft gedaan. Ter zitting heeft verweerder onweersproken verklaard dat het niet gebruikelijk is om hercontroles vooraf aan te kondigen en dat verweerder nooit van tevoren krijgt te horen wanneer een hercontrole plaatsvindt. In dit geval is met (de gemachtigde van) appellante niettemin afgesproken dat verweerder/de toezichthouders voor zover mogelijk vooraf contact zou(den) zoeken met (de gemachtigde van) appellante om door te geven wanneer een hercontrole zou plaatsvinden en dat verweerder waar mogelijk rekening heeft willen houden met appellante met als doel dat de schoonmaak van de woning zou kunnen plaatsvinden. Het College leidt hieruit af dat verweerder bereid is geweest zoveel mogelijk rekening te houden met de toestand van appellante, maar niet concreet is toegezegd, of de afspraak is gemaakt, dat bij appellante alleen dan een hercontrole en schoonmaak zouden plaatsvinden als deze een bepaalde tijd van tevoren zouden zijn aangekondigd. Appellante heeft geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat dit wel het geval is geweest. Het College ziet daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder bij het uitvoeren van de hercontroles en de schoonmaak van de woning in het kader van de toepassing van bestuursdwang onvoldoende rekening heeft gehouden met de toestand van appellante en dat verweerder reeds op grond daarvan redelijkerwijs niet of niet geheel de kosten van de toepassing van bestuursdwang bij haar in rekening heeft kunnen brengen. Uit de toezichtrapporten van 17 december 2018 (hercontroles van 4 en 12 december 2018) en van 3 januari 2019 (hercontrole op 19 december 2018) komt naar het oordeel van het College naar voren dat verweerder/de toezichthouders zich voldoende hebben ingespannen om, voor zover mogelijk, vooraf contact te krijgen met de gemachtigde van appellante en/of haar mantelzorger in verband met een aanstaande hercontrole. Ook over de planning en uitvoering van de schoonmaak van de woning heeft verweerder zich voldoende ingespannen om binnen redelijke grenzen rekening te houden met de toestand van appellante. Hierbij is het volgende nog van belang. Uit het toezichtrapport van 17 december 2018 blijkt dat naar aanleiding van de hercontrole op 12 december 2017 met appellante de afspraak is gemaakt dat haar woning op 17 december 2017 in de ochtend zou worden schoongemaakt door het [naam 4] en dat de honden tot die tijd wegens de onhygiënische situatie in de woning met toestemming van appellante op een opvangadres zouden worden ondergebracht. De toezichthouder heeft appellante daarbij gewezen op de consequenties wanneer deze schoonmaak niet zou worden gerealiseerd, namelijk dat verweerder dan op een nadere datum de schoonmaak zal laten uitvoeren. Vast staat dat de geplande schoonmaak op 17 december 2017 niet is doorgegaan. In het toezichtrapport van 17 december 2017 staat hierover dat appellante de schoonmaakploeg van het [naam 4] niet wilde binnenlaten. Appellante heeft haar stelling dat zij niet heeft meegewerkt aan deze schoonmaak, omdat zij dan een ondersteuningsplan zou moeten ondertekenen dat zou inhouden dat haar PGB-aanvraag geannuleerd zou worden niet met enig bewijs onderbouwd. Het College ziet dan ook geen reden om appellante niet verantwoordelijk te houden voor het niet laten uitvoeren van de eerder door verweerder met haar afgesproken schoonmaak op 17 december 2017. Uit het toezichtrapport van 3 januari 2019 blijkt dat verweerder vervolgens heeft besloten om bestuursdwang toe te passen en de schoonmaak in dat kader te laten uitvoeren door een schoonmaakbedrijf. Nadat hierover aan het einde van de middag van 18 december 2018 en na overleg met de politie in verband met de veiligheid van betrokkenen een afspraak was gemaakt met het schoonmaakbedrijf, heeft de toezichthouder op 19 december 2018 om 8.40 uur de gemachtigde van appellante telefonisch op de hoogte gebracht van het feit dat de schoonmaak rond 10.00 uur zou beginnen. De gemachtigde heeft daartegen toen niet geprotesteerd en gemeld dat zij het zou doorgeven aan appellante. Gezien de ernstige vervuiling van de woning en de voorgeschiedenis, acht het College het begrijpelijk en aanvaardbaar dat verweerder de woning zo snel mogelijk wilde laten schoonmaken. Vast staat dat appellante de schoonmaakploeg op 19 december 2018 niet heeft binnengelaten en dat de schoonmaak van de woning daardoor niet heeft plaatsgevonden. Voor de stelling van appellante dat zij medewerking aan deze schoonmaak heeft geweigerd omdat zij een afspraak had met een forensisch psychiater ontbreekt elk bewijs. Daarin ziet het College dus geen reden om aan te nemen dat sprake was van een belemmering om de schoonmaak te laten realiseren.

7.5

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat verweerder in redelijkheid de kosten die gemoeid zijn met het opslaan van de honden vanaf 19 december 2019 en het inschakelen van een schoonmaakbedrijf voor de schoonmaak van de woning op 19 december 2018 bij appellante in rekening heeft gebracht.

7.6

Het College volgt appellante niet in haar stelling dat verweerder de berekening van deze kosten niet inzichtelijk heeft gemaakt. Appellante heeft niet onderbouwd waarom het bij het kostenbesluit gevoegde “overzicht te verhalen kosten dierenwelzijn” in samenhang met de door verweerder overgelegde facturen hiervoor ontoereikend zijn. Van enige toezegging van de kant van verweerder dat alle honden in gastgezinnen zouden worden opgevangen, is het College niet gebleken. Reeds daarom ziet het College niet in dat verweerder niet redelijkerwijs de kosten van de opvang van de honden bij opslaghouders, niet zijnde gastgezinnen, bij appellante in rekening heeft mogen brengen.

7.7

De kosten die in rekening zijn gebracht voor het chippen van de honden acht het College wel onredelijk. Ter zitting heeft appellante gemotiveerd gesteld dat haar honden al gechipt waren voordat zij in bewaring zijn genomen. Ter onderbouwing hiervan heeft zij gewezen op door haar overgelegde kopieën van de dierenpaspoorten van een aantal honden. Verweerder heeft in reactie hierop ter zitting op geen enkele manier aannemelijk kunnen maken dat de honden niet waren gechipt. Nu in het proces-verbaal van bevindingen van de politie van 24 oktober 2018 van vier honden van appellante de transpondernummers zijn vermeld en gelet op genoemde dierenpaspoorten, lag dit wel op de weg van verweerder. Het moet er naar het oordeel van het College voor worden gehouden dat de bij het kostenbesluit in rekening gebrachte kosten voor het chippen van alle honden van appellante ten bedrage van
€ 49,01 ten onrechte in rekening zijn gebracht bij appellante.

7.8

Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij niet in staat is de kosten van de bestuursdwang te betalen, gelet op haar financiële situatie. Een bestuursorgaan hoeft bij een besluit omrent een kostenverhaal in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen en indien hierover een geschil bestaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de te verhalen kosten van bestuursdwang (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. De overtreder dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verhaalde kosten zou hebben (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1058). Appellante heeft deze informatie niet overgelegd. Haar enkele stelling dat zij de financiële middelen niet heeft om het verschuldigde bedrag te kunnen betalen, leidt daarom niet tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot het kostenverhaal zou kunnen overgaan.

7.9

Gelet op hetgeen in 7.7 is overwogen, is het beroep van appellante tegen het kostenbesluit gegrond en komt het kostenbesluit voor vernietiging in aanmerking. Het College zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien en de hoogte van de door appellante aan verweerder verschuldigde kosten van de toepassing van bestuursdwang bepalen op € 9.173,36 (€ 9.222,37 minus de kosten van het chippen ten bedrage van € 49,01).

Conclusie

8. Het College verklaart het beroep van appellante tegen het bestreden besluit (last onder bestuursdwang) ongegrond. Het beroep tegen het kostenbesluit is gegrond en dit besluit zal worden vernietigd. Het College voorziet in zoverre zelf in de zaak door te bepalen dat appellante aan kosten voor de toepassing van bestuursdwang een bedrag van € 9.173,36 is verschuldigd aan verweerder en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde kostenbesluit.

9. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep tegen het kostenbesluit gegrond;

  • -

    vernietigt het kostenbesluit;

  • -

    bepaalt dat appellante aan kosten voor de toepassing van bestuursdwang een bedrag van € 9.173,36 is verschuldigd aan verweerder en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde kostenbesluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van C.H.R. Mattheussens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2020.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. C.H.R. Mattheussens