Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:209

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
18/2700
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fosfaatrechten. Knelgevallenregeling. Appellante betoogt in de eerste plaats dat voor de invulling van de 5%-drempel de niet gerealiseerde uitbreidingen op of na 2 juli 2015 moeten worden betrokken. Die beroepsgrond stuit af op de uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232).Voor de totale melkproductie moet, zoals is overwogen in de uitspraak van het College van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:248, een periode (waar dat kan van een jaar) in aanmerking worden genomen die representatief is voor het bedrijf en aansluit bij de gestelde bijzondere omstandigheden. Verweerder is terecht uitgegaan van de totale melkproductie van 2012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2700

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2020 in de zaak tussen

V.O.F. [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. M.I.J. Toonders),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.R. Alladin en mr. M.J.H. van der Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van
artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 8 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2.

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw verhoogt verweerder het fosfaatrecht, indien appellante aantoont dat haar fosfaatrecht minimaal 5% lager is (de 5%-drempel) door – voor zover van belang - diergezondheidsproblemen (de knelgevallenregeling).

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveebedrijf. In 2013 is het bedrijf getroffen door een uitbraak van streptococcus agalactiae. In mei 2014 is de dierziekte opnieuw in de veestapel van appellante geconstateerd. Als gevolg van de dierziekte heeft appellante een aantal koeien moeten droogzetten en melkkoeien moeten afvoeren.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft aan appellante 6.467 kg fosfaatrecht toegekend en weigert verhoging van het fosfaatrecht op grond van artikel 23, zesde lid, van de Msw, omdat appellante niet voldoet aan de 5%-drempel.

Beroepsgronden

4. Volgens appellante moet verweerder bij de toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Msw de 5%-drempel niet afmeten aan een historische, alternatieve peildatum, maar de 49 door haar wegens de dierziekte afgevoerde dieren optellen bij het aantal op 2 juli 2015 aanwezige dieren. Verder moet verweerder uitgaan van de in 2018 gerealiseerde gemiddelde melkproductie van 10.975 kg per koe.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder laat voor de 5%-drempel de op 2 juli 2015 niet gerealiseerde groei buiten beschouwing. Hij zet het fosfaatrecht op 29 januari 2013 en 1 oktober 2014 af tegen het toegekende fosfaatrecht. Hij rekent daarbij met de gemiddelde melkgift in 2012, het laatste jaar voor het uitbreken van de dierziekte, van, uiteindelijk, 9.991 kg. Ook dan wordt niet voldaan aan de 5%-drempel. De melkproductie in 2018 is niet (in elk geval minder) representatief. Enerzijds omdat daarin de in de sector gebruikelijke productiviteitsverbetering (door toenemende intensivering van het weidebedrijf, verbeterde huisvestingssystemen en voedingstechnieken, én een doelmatiger aanfok) is begrepen en anderzijds omdat die melkproductie kan zijn beïnvloed door de keuze om bij de door de productiebeperkende maatregelen gestimuleerde inkrimping de minst melkproducerende koeien (als eerste) af te voeren.

Beoordeling

6.1

Appellante betoogt in de eerste plaats dat voor de invulling van de 5%-drempel de niet gerealiseerde uitbreidingen op of na 2 juli 2015 moeten worden betrokken. Die beroepsgrond stuit af op de uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232).

6.2

Voor de totale melkproductie moet, zoals is overwogen in de uitspraak van het College van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:248, een periode (waar dat kan van een jaar) in aanmerking worden genomen die representatief is voor het bedrijf en aansluit bij de gestelde bijzondere omstandigheden. Verweerder is terecht uitgegaan van de totale melkproductie van 2012. Het College kan zich vinden in de daarvoor door verweerder gegeven redenen.

Slotsom

7. Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam in aanwezigheid van mr. J.M.M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2020.

De voorzitter is verhinderd te ondertekenen. De griffier is verhinderd te ondertekenen.