Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:207

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
18/1020
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fosfaatrechten. Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het betoog van appellante dat de wet had moeten voorzien in een alternatieve peildatum in de toekomst, keert zich tegen het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling. Het College verwijst naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Naar het oordeel van het College heeft appellante voorts niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1020

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2020 in de zaak tussen

Loon- en verhuurbedrijf [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: P.J. Houtsma),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.R. Alladin en mr. W.A.M. Ebbinge).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 12 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij brief van 5 april 2019 heeft het College verweerder schriftelijke vragen gesteld.

Bij besluit van 10 april 2019 (het vervangingsbesluit) heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en het bezwaar andermaal ongegrond verklaard.

Appellante heeft op het vervangingsbesluit gereageerd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Appellante had uitbreidingsplannen en zij kreeg op 1 maart 2011 een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 voor het houden van 150 melkkoeien en 90 stuks jongvee. Op 19 maart 2013 kreeg appellante een (tweede) bouwvergunning voor de verbouw van de stal en zij begon in mei 2013 met die verbouwing. De totale kosten van de uitbreiding bedroegen € 260.948,- waarvoor appellante op 2 augustus 2013 een banklening kreeg ter hoogte van € 265.000,-. Op de peildatum hield appellante 79 melkkoeien en 69 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 4.256 kg en is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren.

Beroepsgronden

4. Appellante voert aan dat het fosfaatrechtenstelsel heeft geleid tot een ongeoorloofde inbreuk op haar eigendomsrecht. Het stelsel legt op haar een individuele en buitensporige last, omdat de stal op de peildatum nog niet volledig was bezet, terwijl zij wel investeringen heeft gedaan in de uitbreiding van het bedrijf die nu niet kunnen worden terugverdiend. Het is onredelijk dat niet naar een alternatieve peildatum in de toekomst wordt gekeken.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder betwist dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Appellante heeft geen gegevens overgelegd waaruit dit blijkt.

Beoordeling

6.1

Artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt, voor zover van belang, dat het beroep tegen het oorspronkelijke besluit van rechtswege mede betrekking heeft op een gewijzigd besluit. Het vervangingsbesluit is een besluit waarover het beroep zich ingevolge artikel 6:19 van de Awb mede uitstrekt. Gesteld, noch gebleken is dat appellante nog belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit, en daarom zal het College dat beroep niet-ontvankelijk verklaren.

6.2

Het betoog van appellante dat de wet had moeten voorzien in een alternatieve peildatum in de toekomst, keert zich tegen het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling. Het College verwijst naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft hij al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau, inclusief de peildatum van 2 juli 2015, verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd. Voor het hanteren van meer peildata bestaat geen wettelijke grondslag (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:431).

6.3

Naar het oordeel van het College heeft appellante voorts niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Appellante heeft weliswaar gesteld dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last, zij heeft echter geen gegevens verstrekt die de gevolgen van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel voor het bedrijf inzichtelijk maken. Daarmee heeft zij haar beroep onvoldoende onderbouwd.

Slotsom

7. Het beroep tegen het vervangingsbesluit is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het vervangingsbesluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam in aanwezigheid van mr. J.M.M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2020.

De voorzitter is verhinderd te ondertekenen. De griffier is verhinderd te ondertekenen.