Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:202

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
18/1665
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen goedkeuringsbesluit niet-ontvankelijk, omdat bij dat besluit goedkeuring is verleend aan het door Schiphol voorgelegde toerekeningssysteem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/996
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1665

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 maart 2020 in de zaak tussen

Royal Schiphol Group N.V. (Schiphol), te Haarlemmermeer, appellante

(gemachtigde: mr. A.A. Kleinhout)

en

Autoriteit Consument en Markt (ACM),

(gemachtigden: mr. E.T.W.M. van Leeuwen en mr. O.F. Essens).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. (KLM), te Amstelveen,

(gemachtigde: E. van Goor);

International Air Transport Association (IATA), te Geneve, Zwitserland,

(gemachtigde: F.T.J.M. Allard);

International Consolidated Airlines Group S.A. (IAG), te Madrid, Spanje,

(gemachtigde: F.T.J.M. Allard);

Ryanair Ltd., te Dublin, Ierland,

(gemachtigde: F.T.J.M. Allard);

Board of Airline Representatives In The Netherlands (BARIN), te Bloemendaal,(gemachtigde: F.T.J.M. Allard).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2018 heeft ACM het toerekeningssysteem van Schiphol goedgekeurd voor de periode 2019-2021 (Goedkeuringsbesluit).

Schiphol heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

ACM heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2020. Voor Schiphol zijn verschenen haar gemachtigde, alsmede [naam 1] RA en [naam 2] . ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Voor KLM zijn verschenen [naam 3] en [naam 4] . Voor BARIN is [naam 5] verschenen.

Overwegingen

1.1

Schiphol is als exploitant van de luchthaven Schiphol op grond van artikel 8.25d, eerste lid, van de Wet luchtvaart verplicht om eenmaal per drie jaar de tarieven en voorwaarden voor de eerstkomende periode van drie jaar vast te stellen voor de activiteiten ten behoeve van het gebruik van de luchthaven door gebruikers. Het toerekeningssysteem, dat Schiphol als exploitant voor de jaarlijkse kosten en opbrengsten van deze activiteiten vaststelt, dient Schiphol ingevolge artikel 8.25g, eerste lid, van de Wet luchtvaart ter goedkeuring aan ACM voor te leggen.

1.2

Op 20 juli 2017 heeft Schiphol het door haar vastgestelde toerekeningssysteem voor de periode 2019-2021 ter goedkeuring aan ACM voorgelegd. Hierbij heeft Schiphol de kosten voor de Gemeenschappelijke Meldkamer Infrastructuur (GMI) - een systeem van camerabewaking - toegerekend aan luchtvaartactiviteiten. ACM heeft vervolgens beoordeeld of de structuur, de grondslagen en de verdeelsleutels van het toerekeningssysteem voldoen aan de wettelijke eisen. Bij brief van 8 juni 2018 heeft ACM aan Schiphol te kennen gegeven dat de door Schiphol voorgestelde toerekening van de kosten van GMI niet verenigbaar is met het vereiste van proportionele toerekening. Nu alle activiteiten op de luchthaven Schiphol van de GMI profiteren, is sprake van medegebruik, als gevolg waarvan de kosten van GMI op basis van het gebruik moeten worden verdeeld over luchtvaart- en niet-luchtvaartactiviteiten. Het door Schiphol vastgestelde toerekeningssysteem voldeed volgens ACM niet aan de eisen van artikel 8.25g, eerste lid, van de Wet luchtvaart, waardoor ACM dit niet kon goedkeuren. Om die reden heeft ACM Schiphol verzocht om de toerekening van de GMI aan te passen. Schiphol heeft hierop gereageerd bij brief van 20 juni 2018. Volgens Schiphol wijkt het door ACM ingenomen standpunt af van het door ACM eerder in 2013 ingenomen standpunt dat de volledige kosten van GMI kunnen worden toegerekend aan luchtvaartactiviteiten. Schiphol wijst erop dat de GMI is ingevoerd als beveiligingsmaatregel naar aanleiding van Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002. De beveiliging van passagiers en hun bagage is volgens artikel 2 van het Besluit exploitatie Schiphol 2017 een luchtvaartactiviteit, zodat de kosten daarvan volgens Schiphol volledig kunnen worden toegerekend. Van daadwerkelijk medegebruik is volgens Schiphol geen sprake. Om te voorkomen dat ACM goedkeuring zou onthouden en de start van de consultatie van de tarieven en voorwaarden voor de periode 2019-2012 vertraging zou oplopen, heeft Schiphol het door haar voorgelegde toerekeningssysteem onder protest aangepast.

1.3

Op 9 juli 2019 heeft Schiphol het aangepaste toerekeningssysteem ter goedkeuring aan ACM voorgelegd. Schiphol heeft - kort gezegd - in het toerekeningssysteem de kosten voor de GMI-camera’s aan landzijde gedeeltelijk toegerekend aan niet-luchtvaartactiviteiten op basis van de algemene terminal sleutel.

2. Met het Goedkeuringsbesluit heeft ACM het toerekeningssysteem goedgekeurd voor de periode 2019-2021.

3. Schiphol heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de met GMI gemoeide kosten geheel mogen worden toegerekend aan luchtvaartactiviteiten.

4. Het College ziet zich eerst ambtshalve gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het beroep. In dat kader dient het College te beoordelen of Schiphol (nog) belang heeft bij een beoordeling van het door haar ingestelde beroep, omdat ACM met het Goedkeuringsbesluit de door Schiphol gevraagde goedkeuring heeft gegeven. Naar vaste jurisprudentie, zoals bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 7 mei 2019, ECLI:NL:CBB:2019:189, geldt dat procesbelang ontbreekt als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het beroep nastreeft, niet daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor hem geen feitelijke, maar hooguit theoretische betekenis kan hebben. Als procesbelang ontbreekt, is het beroep niet-ontvankelijk.

5. Het College stelt vast dat ACM met het Goedkeuringsbesluit haar goedkeuring heeft verleend aan het toerekeningssysteem dat door Schiphol op 9 juli 2019 is voorgelegd en waarbij de kosten voor de GMI camera’s aan landzijde gedeeltelijk zijn toegerekend aan niet-luchtvaartactiviteiten. Daarmee is ACM geheel aan het verzoek van Schiphol om goedkeuring tegemoet gekomen. Hieruit volgt dat Schiphol geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar beroep tegen het Goedkeuringsbesluit. Indien Schiphol het niet eens was met het standpunt van ACM omtrent de toerekening van de kosten van GMI en het door haar op 20 juli 2017 voorgelegde toerekeningssysteem had willen handhaven, had het op haar weg gelegen om ACM te verzoeken een definitief besluit over dat toerekeningssysteem te nemen. Het zou dan aan ACM zijn om, als zij zou volharden in haar standpunt, de gevraagde goedkeuring van dat toerekeningssysteem, al dan niet gedeeltelijk, te weigeren. Tegen dat besluit of een gedeelte daarvan had Schiphol vervolgens beroep kunnen instellen en zij had zo nodig een voorlopige voorziening kunnen vragen om de eventuele negatieve gevolgen die voor haar uit dat besluit zouden voortvloeien (zoveel mogelijk) te ondervangen. Niet valt in te zien dat van Schiphol redelijkerwijs niet kon worden gevraagd deze procedure te volgen. Het betoog van Schiphol dat haar belang bij een inhoudelijk oordeel over het thans voorgelegde Goedkeuringsbesluit daarin is gelegen dat dit bij toekomstig voor te leggen toerekeningssystemen kan worden betrokken, doet niet af aan het bovenstaande. Dat Schiphol het door haar ter goedkeuring voorgelegde toerekeningssysteem onder protest heeft gewijzigd, komt voor haar eigen risico en maakt niet dat de hierboven geschetste procedure onevenredig belastend moet worden geacht.

6. De conclusie is dat het beroep tegen het goedkeuringsbesluit niet-ontvankelijk is. Aan een bespreking van de beroepsgrond van Schiphol komt het College niet toe.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. H.S.J. Albers en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2020.

w.g. H.O. Kerkmeester De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.