Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:19

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-01-2020
Datum publicatie
10-01-2020
Zaaknummer
18/2248
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet

artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Fosfaatrecht. Artikel 1 EP. Geen sprake van een individuele en buitensporige last. Appellant had op de peildatum een fors deel van de uiteindelijk beoogde uitbreiding gerealiseerd. Hij wilde immers groeien van 65 melk- en kalfkoeien en 67 stuks jongvee naar 156 melk- en kalfkoeien en 98 stuks jongvee. Op de peildatum had appellant 120 melk- en kalfkoeien en 103 stuks jongvee op zijn bedrijf. Hiervoor zijn hem ook fosfaatrechten toegekend. Dat, zoals appellant stelt, met toekenning van slechts deze hoeveelheid fosfaatrechten de levensvatbaarheid van het bedrijf op het spel staat, is niet aannemelijk geworden. Immers, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk hoe appellant het bedrijf wel gaande heeft kunnen houden in de jaren voorafgaande aan de peildatum, toen de beoogde uitbreiding nog evenmin was bereikt. De rapportage bevat ter zake geen gegevens en biedt daarmee onvoldoende inzicht in de mate waarin appellant wordt getroffen door het fosfaatrechtenstelsel en in hoeverre sprake is van causaliteit tussen dit stelsel en de door appellant gestelde onzekerheid omtrent de voortgang van zijn bedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2020/59 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2248

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. ing. A. de Haan),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. Y. Groen en mr. M. Leegsma)

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Bij besluit van 31 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2019.

Appellant en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voor verweerder is tevens verschenen [naam 2] .

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellant exploiteert een melkveebedrijf. Hij is vanaf 2008 doende om zijn bedrijf uit te breiden van 65 melk- en kalfkoeien en 67 stuks jongvee naar 156 melk- en kalfkoeien en 98 stuks jongvee. Met oog op de uitbreiding heeft appellant in 2009 geïnvesteerd in de aankoop van grond, de bouw van een nieuwe ligboxenstal en de plaatsing van nieuwe melkrobots. Hiervoor is appellant een financieringsverplichting aangegaan. In 2012 heeft appellant verder geïnvesteerd in een opslagloods voorzien van zonnepanelen en renovatie van de jongveestal. Ook hiervoor is appellant een financieringsverplichting aangegaan. In 2014 heeft appellant nog een deel van de stalinrichting vervangen. Appellant heeft eigen aanwas ingezet om zijn veestapel uit te breiden. Op 2 juli 2015 waren op het bedrijf van appellant 120 melk- en kalfkoeien en 103 stuks jongvee aanwezig.

Besluiten van verweerder

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 6.844 kg. Voor wat betreft de dieraantallen is verweerder uitgegaan van de aantallen die op
2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Verweerder heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

4. Appellant heeft aangevoerd dat het fosfaatrechtenstelsel het ongestoord genot van zijn eigendom aantast. Hij stelt dat er in zijn geval sprake is van een individuele en buitensporige last aangezien de toegekende fosfaatrechten - gebaseerd op het aantal melk- en kalfkoeien en jongvee op zijn bedrijf op 2 juli 2015 - het hem onmogelijk maken de ingezette uitbreiding van zijn veestapel door middel van eigen opfok te voltooien. Dit terwijl hij met oog op deze uitbreiding wel forse onomkeerbare financiële verplichtingen is aangegaan. De levensvatbaarheid van het bedrijf staat dan ook op het spel. Dat mogelijk sprake zou zijn van productiebeperkende maatregelen was voor hem bij het aangaan van deze financiële verplichtingen niet voorzienbaar. Appellant verwijst naar het door hem in bezwaar overlegde deskundigenrapport van [naam 3] van 26 juni 2018.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder acht het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd met het in artikel 1 van het EP neergelegde recht op eigendom. Hij heeft de achtergrond van het fosfaatrechtenstelsel uiteengezet en gewezen op de uitspraken van het College die hierover al zijn gedaan. Voorts betwist verweerder dat op appellant een individuele en buitensporige last rust.

Verweerder wijst er daarbij in het verweerschrift op dat appellant pas over de benodigde vergunningen beschikte nadat hij de financieringsverplichting voor de uitbreiding is aangegaan. Voorts heeft appellant de door hem beoogde uitbreiding grotendeels kunnen voltooien. Aan het deskundigenrapport komt volgens verweerder niet de betekenis toe die appellant daaraan gehecht wenst te zien omdat daarin wordt gerekend met andere hoeveelheden fosfaatrechten dan waarover appellant daadwerkelijk beschikt, aangezien appellant in 2018 nog in totaal 580 kg fosfaatrechten heeft aangekocht. Niet bekend is hoe deze aankopen zijn gefinancierd. Tenslotte stelt verweerder zich onder verwijzing naar de bij het verweerschrift gevoegde rapportage van zijn adviseur op het standpunt dat het bedrijf van appellant ook zonder de invoering van het fosfaatrechtenstelsel reeds in financieel zwaar weer verkeerde.

Beoordeling

6.1

Het fosfaatrechtenstelsel is niet strijdig met artikel 1 van het EP. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522), de uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7) en de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291).

6.2

Het College oordeelt voorts dat in het onderhavige geval sprake is van een fair balance op individueel niveau; een individuele en buitensporige last (‘individual and excessive burden’) ontbreekt.

6.3

Bij de beoordeling of een last in het individuele geval van de betrokken melkveehouder buitensporig is moeten alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals bij appellant, is verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, onder 6.8.2).

6.4

Het College stelt vast dat appellant op de peildatum een fors deel van de uiteindelijk beoogde uitbreiding had gerealiseerd. Hij wilde immers groeien van 65 melk- en kalfkoeien en 67 stuks jongvee naar 156 melk- en kalfkoeien en 98 stuks jongvee. Op de peildatum had appellant 120 melk- en kalfkoeien en 103 stuks jongvee op zijn bedrijf. Hiervoor zijn hem ook fosfaatrechten toegekend. Dat, zoals appellant stelt, met toekenning van slechts deze hoeveelheid fosfaatrechten de levensvatbaarheid van het bedrijf op het spel staat, is niet aannemelijk geworden. Immers, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk hoe appellant het bedrijf wel gaande heeft kunnen houden in de jaren voorafgaande aan de peildatum, toen de beoogde uitbreiding nog evenmin was bereikt. De rapportage bevat ter zake geen gegevens en biedt daarmee onvoldoende inzicht in de mate waarin appellant wordt getroffen door het fosfaatrechtenstelsel en in hoeverre sprake is van causaliteit tussen dit stelsel en de door appellant gestelde onzekerheid omtrent de voortgang van zijn bedrijf. Dat de omvang van de door hem gedane investeringen - zoals appellant stelt - buitenproportioneel is in vergelijking met andere melkveehouders, is een ondernemerskeuze van appellant en kan op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een individuele en buitensporige last. De beroepsgrond slaagt niet.

Slotsom

7.1

Omdat het bestreden besluit pas in beroep is voorzien van een toereikende motivering is dit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk gemotiveerd. Het College ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, aangezien aannemelijk is dat appellant door dit gebrek niet is benadeeld. Met een deugdelijke motivering zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

7.2

Gezien het geconstateerde gebrek ziet het College aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2020.

w.g. I.M. Ludwig De griffier is verhinderd te tekenen