Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:173

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
19/4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB 2017; herinzaaiplicht van omgezet blijvend grasland; Natura 2000-gebied; algemene exclaveringsformule; erf?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/4

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2020 in de zaak tussen

maatschap MTS " [naam 1] ", te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. M.J.C. Mol),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van der Zwaard en mr. M.C. Sluimer).

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) bepaald dat appellante geen vergroeningsbetaling voor 2017 ontvangt voor de percelen 53 en 54, en dat deze percelen uiterlijk op 15 mei 2018 moeten zijn ingezaaid met gras.

Bij besluit van 14 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Appellante heeft in de Gecombineerde opgave 2017 onder meer twee percelen opgegeven met de nummers 53 en 54. Deze percelen zijn eigendom van de heer [naam 2] . De percelen, die eerder bestonden uit blijvend grasland, zijn door appellante in gebruik genomen voor de teelt van zeeaster en zeekraal. Verweerder is van mening dat appellante de percelen niet van blijvend grasland in bouwland mocht omzetten, en heeft daarom appellante een herinzaaiplicht opgelegd. Appellante stelt zich op het standpunt dat het verbod op omzetting niet op deze percelen van toepassing is.

2. De lidstaten wijzen blijvend grasland aan dat ecologisch kwetsbaar is in zones als bedoeld in de Habitatrichtlijn of de Vogelrichtlijn, en dat strikt moet worden beschermd teneinde de doelstellingen van die richtlijnen te verwezenlijken, zo volgt uit artikel 45, eerste lid, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). Landbouwers mogen blijvend grasland dat zich in die aangewezen gebieden bevindt, niet omzetten of ploegen, zo volgt uit de derde alinea van die bepaling. De speciale beschermingszones die overeenkomstig de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn zijn aangewezen, vormen een Europees ecologisch netwerk, Natura 2000 genaamd.

3. Blijvend grasland gelegen in gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen, worden aangemerkt als blijvend grasland dat ecologisch kwetsbaar is als hiervoor bedoeld, zo volgt uit artikel 2.15, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling. Verweerder heeft de Oosterschelde als speciale beschermingszone aangewezen in de zin van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn bij besluit van 23 december 2009, kenmerk PDN/2009/0118 (Aanwijzingsbesluit). Bij uitspraak van 28 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2814, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de beroepen tegen het Aanwijzingsbesluit, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard. Het Aanwijzingsbesluit staat dan ook in rechte vast.

4. De begrenzing van het Natura 2000-gebied Oosterschelde is aangegeven op de bij het Aanwijzingsbesluit behorende kaart. Het College stelt vast dat de percelen 53 en 54 van appellante op deze kaart onderdeel zijn van het gearceerde gebied dat is aangewezen. In paragraaf 3.4 van de Nota van toelichting – die op grond van artikel 3, eerste lid, integraal deel uitmaakt van het Aanwijzingsbesluit – is echter vermeld dat voor de begrenzing van het gebied een algemene exclaveringsformule geldt. Op grond van die algemene exclaveringsformule, voor zover hier van belang, maken bestaande bebouwing, erven, tuinen, verhardingen en hoofdspoorwegen geen deel uit van het aangewezen gebied. Erven zijn daarbij gedefinieerd als onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmede in gebruik zijnde terreinen.

5. Het College is, anders dan appellante heeft betoogd, van oordeel dat de percelen 53 en 54 niet kunnen worden aangemerkt als erf, al om de reden dat ze niet onmiddellijk aan een woning of ander gebouw zijn gelegen. Vastgesteld moet namelijk worden dat er gronden liggen tussen de percelen 53 en 54 en de woning waarvan de percelen volgens appellante het erf vormen. Dat appellante – zo begrijpt het College – van de bewoner van de woning de percelen in gebruik heeft gekregen, maakt de twee percelen nog niet tot erf. Alleen al om die reden is het College van oordeel dat de algemene exclaveringsformule niet van toepassing is op de percelen 53 en 54, zodat ze deel uitmaken van het gebied dat is aangewezen als ecologisch kwetsbaar als bedoeld in artikel 45 van Verordening 1307/2013.

6. Nu de percelen 53 en 54 deel uitmaken van het gebied dat is aangewezen als ecologisch kwetsbaar, mocht appellante het blijvend grasland op deze percelen niet omzetten of ploegen. Door dat wel te doen, heeft appellante gehandeld in strijd met artikel 45, eerste lid, derde alinea, van Verordening 1307/2013. Verweerder was daarom gehouden appellante te verplichten tot heromzetting van het betrokken areaal in blijvend grasland, op grond van artikel 42, eerste alinea, van Verordening 639/2014. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet het College evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft beslist dat appellante geen vergroeningsbetaling voor 2017 ontvangt voor de percelen 53 en 54, gelet op artikel 25, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2020.

w.g. T. Pavićević w.g. M.B.L. van der Weele