Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:17

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-01-2020
Datum publicatie
10-01-2020
Zaaknummer
18/2006
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

POR-regeling, ongegrond verwijzing naar ECLI:NL:CBB:2019:130

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2020/57 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2006

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2020 in de zaak tussen

Varkenshouderij [naam] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: H.W. Verhees)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa)

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van appellante om een ontheffing op grond van de Meststoffenwet (Msw) afgewezen.

Bij besluit van 16 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Appellante heeft verzocht om ontheffing van het verbod om pluimvee te houden zonder (voldoende) pluimveerechten als bedoeld in artikel 20 van de Msw. Deze ontheffing zou in de plaats treden van de eerder aan appellante verleende ontheffing op grond van de zogenoemde POR 2-regeling.

2. Verweerder heeft dit verzoek bij het primaire besluit afgewezen, omdat het verlenen van een dergelijke ontheffing haaks staat op het beleid dat verweerder voert gericht op de naleving van de voor Nederland geldende fosfaatproductieplafonds.

3. Appellante voert in beroep kort samengevat aan dat er geen sprake is van overschrijding van het sectorale fosfaatplafond en de pluimveesector veel mestverwerking heeft gerealiseerd. Ook zou de looptijd van de POR-regeling tegelijk eindigen met het afschaffen van het dierenrechtenstelsel, welk stelsel na 31 december 2017 is gehandhaafd. Verweerder heeft verder gehandeld in strijd met het vertrouwens-, evenredigheids- en zekerheidsbeginsel. Appellante heeft daarbij onder meer verwezen naar de grote investeringen die zij heeft moeten doen om de ontheffing op grond van de POR te krijgen en de extra investeringen die zij heeft moeten doen om alsnog (duurdere) varkensrechten aan te schaffen. Bij de op 3 mei 2019 ontvangen aanvulling van de gronden van het beroep heeft appellante deze investeringen nader toegelicht.

4. Het College overweegt als volgt.

4.1

In zijn uitspraak van 9 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:130) heeft het College in een groot aantal vergelijkbare geschillen als het onderhavige geschil, de beroepen tegen het afwijzen van een ontheffing als ook door appellante verzocht, ongegrond verklaard.

4.2

De gronden die door appellante in het onderhavige beroep zijn aangevoerd zijn inhoudelijk gelijkluidend aan de gronden die in de uitspraak van 9 april jl zijn besproken en waarvan is geoordeeld dat deze niet slagen. Het College komt dan ook, onder verwijzing naar deze uitspraak, tot de slotsom dat hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd niet slaagt. Met betrekking tot de door appellante nader toegelichte nadelige financiële gevolgen geldt daarbij dat ook in haar geval geoordeeld moet worden dat de gedane investeringen behoren tot de normale bedrijfsrisico’s van appellante. Appellante was niet verplicht om aan de POR-regeling deel te nemen en zij wist bij aanvang van de ontheffing van de POR II-regeling dat nu de ontheffing voor maximaal drie jaar zou zijn, de investeringen mogelijk niet binnen die tijd terug verdiend konden worden. Zij had daar rekening mee kunnen en moeten houden bij de keuze voor deelname aan de regeling. Ook het risico dat zij op een later moment duurdere varkensrechten zou moeten kopen had appellante bij haar keuze mee moeten en kunnen nemen.

5. De conclusie is dat het beroep ongegrond is.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van S.S. Autar, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2020.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. S.S. Autar