Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:155

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
18/2386
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet. Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dat appellant heeft besloten tot een uitbreiding van zijn veestapel en de daarvoor benodigde stalcapaciteit (van, gerekend met de aantallen van 2009, 137 melk- en kalfkoeien en 69 stuks jongvee) naar 200 melk- en kalfkoeien en 112 stuks jongvee dient gelet op het tijdstip van de daartoe gedane investeringen voor zijn rekening en risico te komen. Dat, zoals appellant stelt, de bestaande gebouwen verouderd waren en aan vervanging toe, is begrijpelijk, maar dat het bedrijfseconomisch noodzakelijk was om daarbij tevens uit te breiden naar de uiteindelijk gerealiseerde omvang van de stalcapaciteit is niet aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2386

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: R. Scholten),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: R. Kuiper).

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Msw het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op nul kg.

Bij besluit van 7 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het fosfaatrecht van appellant alsnog vastgesteld op 6.492 kg.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.R. van Welsum en mr. A.H. Spriensma-Heringa. Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Appellant heeft op 4 november 2019 nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft op 27 november 2019 een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 18 december 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en financieel adviseur [naam 2] van [naam 3] ( [naam 3] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder is tevens verschenen [naam 4] , financieel adviseur.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellant exploiteert een melkveehouderij. De veestapel van appellant is in 2002 en in 2009 geruimd wegens dierziekten. Op 31 juli 2009 heeft appellant een nieuwe veestapel aangevoerd. Op 31 oktober 2009 begon ook deze veestapel diergezondheidsproblemen te vertonen. In 2014 heeft appellant besloten de veestapel volledig te vervangen en een nieuwe ligboxenstal te bouwen. Voor de bouw van deze stal is op 1 december 2014 een omgevingsvergunning verleend. Verder is op 24 september 2014 een vergunning verleend op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) voor het houden van onder meer 200 melk- en kalfkoeien en 108 stuks jongvee. Op 27 mei 2015 is appellant een lening aangegaan van € 1.150.000,- voor onder meer de bouw van de stal, de inrichting van de melkstal en de veestapel. Voorts is geïnvesteerd uit eigen middelen. Op de peildatum, 2 juli 2015, waren geen dieren aanwezig op het bedrijf van appellant. In december 2015 is de nieuwe ligboxenstal in gebruik genomen. Appellant heeft in december 2015 een nieuwe veestapel aangekocht van 151 koeien.

Besluiten van verweerder

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op nul kg. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en appellant in aanmerking gebracht voor de knelgevallenregeling als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Msw op grond van dierziekte en bouwwerkzaamheden. Verweerder is hierbij uitgegaan van de alternatieve peildatum 31 oktober 2009 en heeft op basis van de aanwezigheid van 137 melk- of kalfkoeien en in totaal 69 stuks jongvee op die datum het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 6.492 kg.

Beroepsgronden

4. Appellant heeft aangevoerd dat het fosfaatrechtenstelsel het ongestoord genot van zijn eigendom aantast en dat in zijn geval sprake is van een individuele en buitensporige last.

Appellant heeft minimaal 11.044 kg fosfaat nodig om zijn bedrijf te kunnen voortzetten.

Hij heeft geïnvesteerd in een uitbreiding van de ligboxenstal voor een bedrag ter hoogte van 29,93% van zijn balanstotaal. De stal staat deels leeg, waardoor hij de gedane investering niet volledig kan benutten. Ter onderbouwing van de gestelde last heeft appellant een rapport ‘Buitensporige last fosfaatrechtenstelsel’ van [naam 3] overgelegd van 12 oktober 2018, aangevuld op 16 oktober 2019.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder acht het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd met het in artikel 1 van het EP neergelegde recht op eigendom. Hij heeft de achtergrond van het fosfaatrechtenstelsel uiteengezet en gewezen op de uitspraken van het College die hierover al zijn gedaan. Voorts betwist verweerder dat op appellant een individuele en buitensporige last rust. In dat verband stelt hij zich onder meer op het standpunt dat een causaal verband tussen de invoering van het fosfaatrechtenstelsel en de zorgwekkende situatie van het bedrijf van appellant ontbreekt. Indien wordt uitgegaan van reële uitgangspunten is ook in de door appellant beoogde opzet sprake van een fors tekort in de betalingscapaciteit. Verder wilde appellant uitbreiden op het moment dat het fosfaatrechtstelsel al voorzienbaar was.

Beoordeling

6.1

Het betoog van appellant dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft hij al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd.

6.2

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.3

Bij de beoordeling of een last in het individuele geval van de betrokken melkveehouder buitensporig is moeten alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals bij appellant, is verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, onder 6.8.2).

6.4

Appellant heeft in 2015 een nieuwe ligboxenstal gebouwd en daarmee de capaciteit van zijn bedrijf uitgebreid naar 200 melk- en kalfkoeien en 112 stuks jongvee. Hiervoor had hij ook de benodigde vergunningen. Dat, zoals verweerder heeft gesteld, ook een vergunning op grond van de Flora- en faunawet noodzakelijk was is niet aannemelijk geworden.

Zoals het College eerder heeft geoordeeld had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Een en ander noopte tot voorzichtigheid bij het nemen van investeringsbeslissingen als de onderhavige. Dat appellant heeft besloten tot een uitbreiding van zijn veestapel en de daarvoor benodigde stalcapaciteit (van, gerekend met de aantallen van 2009, 137 melk- en kalfkoeien en 69 stuks jongvee) naar 200 melk- en kalfkoeien en 112 stuks jongvee dient gelet op het tijdstip van de daartoe gedane investeringen voor zijn rekening en risico te komen. Dat, zoals appellant stelt, de bestaande gebouwen verouderd waren en aan vervanging toe, is begrijpelijk, maar dat het bedrijfseconomisch noodzakelijk was om daarbij tevens uit te breiden naar de uiteindelijk gerealiseerde omvang van de stalcapaciteit is niet aangetoond.

Slotsom

7.1

Omdat het bestreden besluit pas in beroep is voorzien van een toereikende motivering is dit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk gemotiveerd. Het College ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, aangezien aannemelijk is dat appellant door dit gebrek niet is benadeeld. Met een deugdelijke motivering zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

7.2

Gezien het geconstateerde gebrek ziet het College aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.312,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. M.A.A. Traousis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.

w.g. I.M Ludwig w.g. M.A.A. Traousis