Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:141

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
19/1870 t/m 19/1876
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht

Verzoek om voorlopige voorziening. Afwijzen geen spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 19/1870 t/m 19/1876

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 maart 2020 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , verzoeker,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs).

Procesverloop

Bij brief van 14 november 2019, door de rechtbank Overijssel ontvangen op 21 november 2019, heeft verzoeker naar aanleiding van een aantal aanmaningen de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank Overijssel heeft de verzoeken op 10 december 2019 met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgestuurd naar het College.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, onder meer als het verzoek kennelijk ongegrond is, uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. Daartoe bestaat in dit geval aanleiding.

3. Verzoeker heeft naar aanleiding van zeven aanmaningen de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Deze aanmaningen zien op besluiten tot invordering van dwangsommen dan wel op kostenbesluiten ter zake van de toepassing van (spoed)bestuursdwang. De voorzieningenrechter gaat er op grond van de stukken van uit dat tegen deze invorderingsbesluiten of kostenbesluiten nog bezwaarprocedures lopen. Verzoeker heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt dan wel loopt er een bezwaar van rechtswege gelet op het bepaalde in de artikelen 5:31c, dan wel 5:39 van de Awb. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter de invordering van deze gelden op te schorten totdat de betreffende procedures zijn beëindigd.

4. De voorzieningenrechter wijst er allereerst op dat duidelijk is dat de termijnen die waren gesteld voordat tot toepassing van bestuursdwang zou worden overgegaan, dan wel dwangsommen zouden worden verbeurd, inmiddels ruimschoots zijn verstreken. Verzoeker kan dan ook geen spoedeisend belang meer ontlenen aan het voorkomen dat deze termijnen zouden verstrijken. Nu verweerder heeft besloten tot invordering van de – volgens hem – verbeurde dwangsommen en de in het kader van de toepassing van bestuursdwang gemaakte kosten, ziet het ernaar uit dat het spoedeisend belang op dit moment alleen kan worden ontleend aan de mogelijke financiële gevolgen die invordering zou hebben voor verzoeker, meer in het bijzonder voor de uitoefening van zijn bedrijf. Omdat verzoeker hierover zelf niet meteen duidelijkheid heeft gegeven, is hem kort na de indiening van zijn verzoek – namelijk bij brief van 21 november 2019 – al gevraagd duidelijk te maken wat zijn spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is. Bij brief van 17 december 2019 is verzoeker er van de kant van het College op gewezen dat de verzoeken betrekking hebben op een aantal documenten die niet van recente datum zijn en is en hem gevraagd te onderbouwen (zo mogelijk met stukken) welke spoedeisende belangen volgens hem vereisen dat een voorlopige voorziening wordt getroffen. Na het uitblijven van een reactie hierop is verzoeker bij brief van 13 januari 2020 opnieuw gevraagd zijn spoedeisend belang schriftelijk uiteen te zetten. Daarbij is bovendien vermeld dat hij moet aangeven welk onherstelbaar nadeel wordt toegebracht als de bestreden besluiten ten uitvoer worden gelegd. Verzoeker heeft hierop bij brief van 20 januari 2020 naar voren gebracht dat het betalen van de betreffende grote bedragen een zodanige aanslag op zijn budget zal vormen dat de voortzetting van juridische procedures ernstig bemoeilijkt zal worden. Bij brief van 21 januari 2020 heeft het College verzoeker verzocht deze stelling (met bewijsstukken) te onderbouwen. In zijn brief van
4 februari 2020 heeft verzoeker slechts zijn stelling herhaald en deze niet met bewijsstukken gestaafd.

5. Gezien het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat niet inzichtelijk is gemaakt in welke mate de financiële gevolgen van de betreffende invorderingen tot problemen leiden voor verzoeker. Daarom valt niet in te zien dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening hangende de beslissing op de bezwaren tegen de invorderingsbesluiten dan wel kostenbesluiten. De verzoeken zijn dan ook kennelijk ongegrond. Overigens wijst de voorzieningenrechter er op dat verzoeker verweerder kan vragen een betalingsregeling te treffen.

6. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2020.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. A. Verhoeven