Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:140

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
19/984
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet personenvervoer 2000 artikelen 82a en 82b; Taxiverordening Amsterdam 2012 artikel 2.3, eerste lid.

Het College is, in lijn met zijn uitspraak van 16 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:284, van oordeel dat, wanneer een taxichauffeur met een als taxi herkenbaar voertuig stilstaat op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande plaats in Amsterdam, zonder dat hij op dat

moment bezig is met het ophalen (laden) of afzetten (lossen) van klanten die bij hem een taxirit hebben besteld, dat de conclusie rechtvaardigt dat hij daar taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt. Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat algemeen bekend is of mag worden verondersteld, zeker bij taxichauffeurs in Amsterdam, welke plaatsen bekend staan als

illegale opstapplaatsen voor taxi’s. Dat zijn in ieder geval de weggedeeltes waar niet geparkeerd mag worden, zoals laad- en losplaatsen, in het hele centrum van Amsterdam en

vierentwintig uur per dag, bijvoorbeeld in de buurt van het Centraal Station of hotels.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/780
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/984

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 maart 2020 in de zaak tussen

[naam] te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. M. Ketting),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. A.A.K. Pieters en D. Steinraht).

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2018 (primair besluit) heeft verweerder van appellant een verbeurde dwangsom van € 5.550,- ingevorderd.

Bij besluit van 23 april 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2020. Appellant en de gemachtigden van verweerder zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is werkzaam als taxichauffeur in Amsterdam. Hij beschikt niet over een vergunning voor het verrichten van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt (Taxxxivergunning).

1.2.

Bij besluit van 10 november 2017 heeft verweerder appellant een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening). De dwangsom is vastgesteld op € 5.550,- voor elke nieuwe geconstateerde overtreding van die bepaling, met een maximum van € 27.750,-.

1.3.

In een rapport van bevindingen, dat op 20 januari 2018 is opgemaakt en ondertekend door een brigadier van politie Eenheid Amsterdam (rapporteur), is het volgende vermeld:

“Op zaterdag 20 januari 2018 omstreeks 01.40 uur bevond ik, rapporteur mij (..) op de [adres] te [plaats] . Aldaar zag ik (..) op een laad- en loshaven een taxi stilstaan. (..) Ik heb hierop een rondje gereden van slechts enkele minuten, waarop ik zag dat het voertuig nog steeds op dezelfde plek stilstond. Hierop heb ik (..) de betrokken bestuurder (..) aangesproken. Ik heb [naam] gevraagd of hij besteld was. Ik hoorde dat [naam] hierop verklaarde: “Ik sta hier gewoon te wachten op een oproep. Ik ben nog niet besteld. Ik sta hier expres vlakbij het Centraal Station, de kans is namelijk groot dat als ik een oproep krijg, dit bij het Centraal Station in de buurt is.” (of woorden van gelijke strekking). Ik heb [naam] hierop medegedeeld dat hij van mij een rapport van bevindingen zou krijgen voor het aanbieden van taxivervoer op de opstapmarkt zonder geldige vergunning (..)”

1.4.

Bij brief van 24 januari 2018 heeft verweerder appellant bericht dat hij van rechtswege een dwangsom van € 5.550,- heeft verbeurd wegens het op 20 januari 2018 overtreden van voormelde last door het opnieuw aanbieden van taxivervoer zonder Taxxxivergunning.

1.5.

Met een strafbeschikking van 12 februari 2018 is aan appellant een boete opgelegd. Bij vonnis van 31 augustus 2018 heeft de strafrechter appellant vrijgesproken van het hem in de strafbeschikking ten laste gelegde ‘als vervoerder taxivervoer aanbieden of (laten) verrichten zonder geldige vergunning’ op grond van de Taxiverordening Den Haag.

1.6.

Het bestreden besluit berust op verweerders standpunt dat appellant op 20 januari 2018 taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt heeft aangeboden, dat hij daarmee een dwangsom van € 5.550,- heeft verbeurd en dat hij daarom dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, aan verweerder dient te betalen.

2. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij, nadat hem de last onder dwangsom is opgelegd, zich heeft aangesloten bij Uber. Op 20 januari 2018 was hij werkzaam via deze app. Hij heeft geen taxivervoer op de opstapmarkt aangeboden. Daar had hij geen tijd voor, zoals blijkt uit zijn rittenoverzicht. Hij stond daar te wachten op een oproep en heeft geen klanten geworven of aangesproken. De politierechter heeft hem daar van vrijgesproken. De enige fout die hij heeft gemaakt is dat hij zijn auto niet heeft geparkeerd op een parkeerplaats, maar op een laad- en losplek. Appellant vraagt zich af hoe hij kan aantonen dat hij geen taxivervoer heeft aangeboden. Volgens hem is het de wereld op zijn kop dat uit zijn enkele aanwezigheid wordt afgeleid dat hij taxivervoer aanbood en dat zijn verklaring wordt afgedaan als niet voldoende aannemelijk. Hem wordt iets verweten waarvoor geen enkel bewijs is. De verdenking is een interpretatie van de feiten door de politieambtenaar. Hij wordt bestraft voor een overtreding die hij niet heeft begaan. Het bestreden besluit berust volgens appellant dan ook niet op een deugdelijke motivering of belangenafweging en is niet zorgvuldig voorbereid.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1.

In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder bevoegd was tot het invorderen van een dwangsom van € 5.550,-. Het geschil spitst zich daarbij allereerst toe op de vraag of appellant artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening heeft overtreden.

3.2.

Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening is het een chauffeur verboden om zonder Taxxxivergunning van verweerder taxivervoer aan te bieden op de in bijlage I bij de Taxiverordening aangegeven delen van de openbare weg.

3.3.

Het College is, in lijn met zijn uitspraak van 16 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:284, van oordeel dat, wanneer een taxichauffeur met een als taxi herkenbare auto stilstaat op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande plaats in Amsterdam, zonder dat hij op dat moment bezig is met het ophalen (laden) of afzetten (lossen) van klanten die bij hem een taxirit hebben besteld, dat de conclusie rechtvaardigt dat hij daar taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt. Deze aanname kan door de taxichauffeur slechts worden weerlegd door aannemelijk te maken dat hij daar staat ter uitvoering van een bij hem bestelde taxirit dan wel dat hij daar staat als gevolg van overmacht, zoals bijvoorbeeld autopech. Indien de taxichauffeur stelt dat hij daar om andere redenen staat dan voor laden en lossen, bijvoorbeeld om op zijn telefoon te kijken of om op een oproep voor een taxirit te wachten, helpt dat hem niet, omdat er dan van mag worden uitgegaan dat hij taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt, zoals dat er overigens voor omstanders en handhavers van de gemeente Amsterdam ook uitziet. De taxichauffeur die op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande laad- en losplaats staat, zonder bezig te zijn met een bestelde taxirit, riskeert dan ook niet alleen een boete voor verkeerd parkeren of stilstaan op een plaats waar dat niet mag, maar ook dat hem een last onder dwangsom wordt opgelegd of dat hij als gevolg van een opgelegde last een dwangsom verbeurt.

3.4.

Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat algemeen bekend is of mag worden verondersteld, zeker bij taxichauffeurs in Amsterdam, welke plaatsen bekend staan als illegale opstapplaatsen voor taxi’s. Dat zijn in ieder geval de weggedeeltes waar niet geparkeerd mag worden, zoals laad- en losplaatsen, in het hele centrum van Amsterdam en vierentwintig uur per dag, bijvoorbeeld in de buurt van het Centraal Station of hotels.

3.5.

Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij stond te wachten op een oproep via Uber. Nu niet is gesteld of gebleken dat hij met zijn als taxi herkenbare auto op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande laad- en losplaats stond ter uitvoering van een bestelde taxirit, leidt wat appellant heeft aangevoerd, geplaatst in het onder 3.3 vermelde toetsingskader, het College tot het oordeel dat hij daar taxivervoer heeft aangeboden op de opstapmarkt. Wat appellant heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn hiervoor onder 2 vermelde standpunt, maakt dat niet anders en behoeft daarom geen bespreking.

3.6.

De omstandigheid dat appellant is vrijgesproken van het hem in de strafbeschikking tenlastegelegde strafbare feit, zoals hiervoor onder 1.5 vermeld, leidt het College niet tot een ander oordeel. Appellant is vrijgesproken van het als vervoerder zonder een daartoe verleende vergunning aanbieden van taxivervoer in de gemeente Den Haag. Appellant is niet vrijgesproken van de hem in dit geding door verweerder verweten overtreding van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening, te weten het als chauffeur zonder vergunning aanbieden van taxivervoer op de opstapmarkt in de gemeente Amsterdam. Aan de vrijspraak komt daarom niet de betekenis toe die appellant daaraan in dit geding toegekend wil zien.

3.7.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 12 maart 2019, ECLI:NL:CBB:2019:99, is het College van oordeel dat bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht dient te worden toegekend. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Het bestuursorgaan hoeft bij een besluit omtrent invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen en, indien hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsom (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsom zou hebben. Hoewel appellant in dit geval ter zitting heeft aangevoerd dat hij niet in staat is de verbeurde dwangsom te betalen, heeft hij dat niet aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat appellant verweerder kan verzoeken om een betalingsregeling, zodat het bedrag in termijnen kan worden betaald.

3.8.

De hiervoor onder 3.1 vermelde vragen moeten bevestigend worden beantwoord. Het College zal het beroep (on)gegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. R.W.L. Koopmans en mr. I.M. Ludwig in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.

w.g. J.H. de Wildt w.g. J.W.E. Pinckaers