Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:136

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
18/2667
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Het beroep van appellante dat de knelgevallenregeling onjuist is toegepast slaagt niet. Het College verwijst naar zijn uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232) waarin is geoordeeld dat bij toepassing van de knelgevallenregeling, niet gerealiseerde uitbreidingen op of na 2 juli 2015 niet worden betrokken. Geen aanleiding wordt gezien in deze zaak anders te oordelen. Het verzoek tot vergoeding van de kosten in de bezwaarfase is door verweerder onterecht afgewezen. Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder veroordeeld tot vergoeding van de door appellante in bezwaar en beroep gemaakte kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2667

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2020 in de zaak tussen

stille maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. W. Graafland),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. Y. Groen en C. Zieleman).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 27 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en het fosfaatrecht verhoogd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2020. Voor appellante is, met bericht, niemand verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1.

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2.

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw wordt het fosfaatrecht hoger vastgesteld indien appellante aantoont dat het krachtens het derde lid op het bedrijf rustende fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden (de knelgevallenregeling).

Feiten en omstandigheden

2. Appellante heeft aangegeven dat per 15 oktober 2014 op haar bedrijf sprake was van een verbouwing. Op 2 juli 2015 hield appellante 58 melk- en kalfkoeien en 40 stuks jongvee op het bedrijf. De totale melkproductie in 2014 bedroeg 556.317 kg.

Besluiten van verweerder

3.1.

Bij het primaire besluit is het fosfaatrecht vastgesteld op 2.812 kg. Daarbij is verweerder uitgegaan van een totale melkproductie in 2015 van 508.042 kg, een gemiddelde melkproductie per koe in 2015 van 8.482 kg en een excretieforfait van 42 kg. Verder is verweerder ervan uitgegaan dat op 2 juli 2015 appellante 58 melkkoeien, 20 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 20 stuks jongvee van 1 jaar en ouder hield.

3.2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder – voor zover hier van belang – het aantal fosfaatrecht verhoogd naar 3.257 kg, daarbij uitgaande van de gegevens van 15 oktober 2014 en de totale melkproductie in 2014; 68 melk- en kalfkoeien, 23 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 17 stuks jongvee van 1 jaar en ouder, een jaarproductie van 556.317 kg, een gemiddelde melkproductie per koe van 8.994 kg en een excretieforfait van 43,5 kg. Vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase heeft verweerder geweigerd.

Beroepsgronden

4. Volgens appellante is verweerder bij de toepassing van de knelgevallenregeling uitgegaan van te lage dieraantallen. In haar melding bijzondere omstandigheden heeft zij uiteengezet welke dieraantallen zij op de peildatum van 2 juli 2015 zou hebben gehouden als de verbouwing zich niet zou hebben voorgedaan, te weten 70 melkkoeien, 24 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 20 stuks jongvee van 1 jaar en ouder.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder meent dat hij terecht is uitgegaan van de dieren die appellante op

15 oktober 2014 hield. Hij houdt geen rekening met de hypothetische aantallen, die appellante op 2 juli 2015 zou hebben gehouden als de verbouwing zich niet zou hebben voorgedaan. Steun voor dit standpunt vindt verweerder in de wetsgeschiedenis en de uitspraak van het College van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4).

Beoordeling

6.1.

In gevallen waar een bedrijfsgroei (tijdelijk) stagneert ten gevolge van een verbouwing, zal het bedrijf veelal niet voldoen aan de vijf procent voorwaarde van de knelgevallenregeling als het na de dip ten gevolge van de verbouwing de ingezette groei weer voortzet en dus een stijgende lijn laat zien in plaats van de min of meer horizontale lijn die bedrijven met een stabiel aantal dieren karakteriseert.

6.2.

In zijn uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232) heeft het College geoordeeld dat bij toepassing van de knelgevallenregeling, niet gerealiseerde uitbreidingen op of na 2 juli 2015 niet worden betrokken en daartoe het volgende overwogen.

“In zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4) heeft het College over artikel 23, zesde lid, van de Msw geoordeeld dat ook in geval van (deels gerealiseerde) uitbreidingsplannen, een vergelijking tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum moet plaatsvinden. Dat dit tot gevolg kan hebben dat de stagnatie in de groei ten gevolge van de buitengewone omstandigheid, niet meer kan worden gecompenseerd, heeft het College in die uitspraak onder

ogen gezien en aanvaard. Het College heeft hiermee aangesloten bij de uitdrukkelijke wens van de wetgever om niet gerealiseerde uitbreidingen niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het fosfaatrecht (zie de door verweerder aangehaalde Kamerstukken II, 2015-2016, 34532, nr.3, p. 40 “De knelgevallenvoorziening die in het wetsvoorstel is opgenomen betrekt bewust niet wat in de toekomst met de op 2 juli 2015 beschikbare productiemiddelen mogelijk zou zijn, maar kijkt naar het verleden…” en Kamerstukken II, 2016-2017, 34532, nr.7, p. 47 ” Het gaat er nadrukkelijk niet om een vergelijking met de toekomst te maken. Ondernemers die voornemens waren hun bedrijf uit te breiden maar die uitbreiding nog niet hadden gerealiseerd, komen niet in aanmerking voor de knelgevallenregeling”). Dat verweerder dit uitgangspunt niet alleen hanteert voor (beoogde en gerealiseerde) uitbreidingen na 2 juli 2015, maar ook van toepassing acht op niet gerealiseerde uitbreidingen op de peildatum, heeft het College in die uitspraak in lijn geacht met de bedoeling van de wetgever in het kader van de vaststelling van de situatie die in redelijkheid op het bedrijf mocht worden verwacht. De wetgever zag geen plaats om toekomstige ontwikkelingen te betrekken, teneinde verhoging van het fosfaatrecht door (nog niet verwezenlijkte) uitbreidingsplannen te voorkomen.”

6.3.

Het College ziet geen aanleiding in deze zaak anders te oordelen. Dit betekent dat verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling en dat de beroepsgrond die hierop betrekking heeft niet slaagt.

7. Appellante heeft verzocht om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten voor de door een derde verleende rechtsbijstand. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen met als motivering dat hij de melding bijzondere omstandigheden (gelet op de datum) niet bij de totstandkoming van het primaire besluit kon betrekken. Hiermee ziet hij eraan voorbij dat de toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Msw een besliscomponent vormt van de vaststelling van het fosfaatrecht. Het is aan verweerder om de voor die vaststelling benodigde gegevens te verzamelen en hij draagt de verantwoordelijkheid voor de juistheid van alle besliscomponenten van het primaire besluit. Dit betekent dat hem de onrechtmatigheid van het (herroepen) primaire besluit wel kan worden aangerekend. Aan de vereisten van artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt derhalve voldaan.

8. Uit 7 volgt dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voor zover daarin is nagelaten appellante een vergoeding toe te kennen voor de bezwaarkosten. Tevens ziet het College aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

9. De door appellante in bezwaar en beroep gemaakte kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover vergoeding van de bezwaarkosten is afgewezen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2020.

w.g. R.C. Stam w.g. J.M. Baars