Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:13

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-01-2020
Datum publicatie
10-01-2020
Zaaknummer
18/2073
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel kan als een buitensporige last worden aangemerkt. In dat verband rust de stelplicht en bewijslast op appellante. Zij heeft geen concreet inzicht gegeven in (laat staan bewijs geleverd van) de bedrijfseconomische effecten van het fosfaatstelsel voor haar bedrijfsvoering. In ieder geval is ontoereikend dat het investeringsbedrag 15% van het balanstotaal overstijgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2020/54 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2073

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2020 in de zaak tussen

[naam] Melkveebedrijf, te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. ing. A. de Haan),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: K.R. van Welsum).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het op het bedrijf van appellante rustende fosfaatrecht vastgesteld.

Bij besluit van 3 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2019. Appellante is

niet verschenen, verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1.

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) stelt de minister het op

een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op

2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2.

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Op 13 juni 2014 kreeg appellante een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 voor de verbouw van de ligboxenstal en uitbreiding naar 175 melkkoeien (met bijbehorend jongvee). Tot die tijd gold een (revisie-) milieuvergunning voor het houden van 50 melkkoeien (met bijbehorend jongvee), vier schapen en 200 varkens. Voor de nieuwe melkveestal met melkrobots en de aankoop van 1,3 ha grond, kreeg appellante in augustus 2014 een banklening van € 730.000,-, bovenop het al bestaande krediet van € 382.770,-. Op 27 oktober 2014 is de aannemingsovereenkomst getekend. Op 2 juli 2015 hield appellante 102 melkkoeien.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft op grond van artikel 23, derde lid, van de Msw het fosfaatrecht vastgesteld op 4.432 kg.

Beroepsgrond

4. Appellante voert aan dat het fosfaatrechtstelsel een (onaanvaardbare) inbreuk maakt op haar eigendomsrecht doordat het op haar een individuele en buitensporige last legt. Zij is, in verband met de uitbreiding, in 2013 onomkeerbare verplichtingen aangegaan.

Het fosfaatrechtstelsel was voor haar niet voorzienbaar. Zij heeft geïnvesteerd in een uitbreiding tot 175 melkkoeien en kan deze plaatsen nu niet meer volledig benutten. Zij heeft 26% van haar balanstotaal geïnvesteerd en dat is aanzienlijk meer dan de in de sector gebruikelijke 15%. De last door het fosfaatrechtstelsel bedraagt € 295.000,-, daarvan is

€ 126.000,- buitenproportioneel. Daarom is de last die zij draagt buitensporig.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder betwist dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Appellante had toen zij de investeringsverplichtingen aanging voorzichtigheid moeten betrachten, omdat vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft, productiebegrenzende maatregelen te verwachten waren. De gevolgen van haar beslissing om uit te breiden behoren tot het ondernemersrisico. Appellante heeft verder onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat zij een individuele en buitensporige last draagt. De stukken die zij heeft ingezonden zien op de gedane onomkeerbare investeringen. In de samenvatting van de zogenoemde Quickscan fosfaatrechten ontbreken de achterliggende cijfers en een toelichting. Appellante heeft ten slotte het ontbreken van alternatieve aanwendingsmogelijkheden onvoldoende onderbouwd.

Beoordeling

6.1.

Bij de beoordeling of een last in het geval van de betrokken melkveehouder buitensporig is, moeten alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. Zoals in de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) onder 6.8.2 is overwogen, is in dat verband vooral relevant in welke mate het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder treft. Daarbij heeft te gelden dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel als een buitensporige last kan worden aangemerkt. In dat verband rust de stelplicht en bewijslast op appellante. Zij heeft geen concreet inzicht gegeven in (laat staan bewijs geleverd van) de bedrijfseconomische effecten van het fosfaatstelsel voor haar bedrijfsvoering.

6.2

In ieder geval is ontoereikend dat het investeringsbedrag 15% van het balanstotaal overstijgt. Met die maatstaf zoekt het appellante klaarblijkelijk aansluiting bij het op

29 juni 2017 door Wageningen Economic Research op verzoek van de Commissie knelgevallen fosfaatrechten opgestelde rapport “achtergronden bij knelgevallenanalyse melkveehouderij”. Dat rapport had tot doel om de commissie (meer) inzicht te geven in de investeringen die melkveehouders hadden gedaan en de omvang van de uitbreidingsgevallen, zodat zij het effect van de invoering van een knelgevallenvoorziening op de generieke korting kon inschatten. Dat onderzoek en de daarbij gebruikte methode was dus, anders appellante veronderstelt, niet gericht op het formuleren van een maatstaf voor het bepalen wanneer het financiële effect voor een individuele veehouder buitensporig zou (kunnen) zijn. Appellante gaat dus uit van en bouwt voort op een niet bestaande maatstaf. Bij het bepalen of sprake is van een individuele disproportionele last voor de veehouder in verhouding tot het doel dat de regulering van het eigendomsrecht dient, biedt deze methodiek voor het College overigens ook inhoudelijk geen bruikbaar houvast.

6.3.

Appellante heeft terecht opgemerkt dat verweerder in het bestreden besluit is voorbijgegaan aan haar financiële onderbouwing en dat dit besluit pas bij het verweerschrift is gemotiveerd. Het bestreden besluit mist een voldoende draagkrachtige motivering, nu verweerder heeft volstaan met de opmerking dat andere omstandigheden dan een financiële last zijn gesteld noch gebleken en dat appellante zich niet onderscheidt van andere melkveehouders die ook (forse) onomkeerbare investeringsverplichtingen zijn aangegaan. Gelet hierop is het bestreden besluit dus in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College ziet aanleiding dit gebrek te passeren op grond van

artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Verweerder is immers in beroep alsnog adequaat op het betoog van appellante in het kader van artikel 1 van het EP ingegaan. Dit leidt ertoe dat het College het beroep weliswaar ongegrond zal verklaren, maar zal bepalen dat het door appellante betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed en verweerder zal veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante dient te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. M.G. Ligthart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2020.

w.g. R.C. Stam w.g. M.G. Ligthart