Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:129

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
18/2622
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

- artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)

- artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

Appellante beschikte op 2 juli 2015 niet over de vereiste Nbw-vergunning voor de beoogde 140 melk- en kalfkoeien en 90 stuks jongvee. Die is immers pas op 22 september 2015 verleend. Voor zover appellante met haar investeringen is vooruitgelopen op het verkrijgen van deze vergunning, geldt dat in beginsel geen ruimte bestaat om aan te nemen dat sprake is van strijd met artikel 1 van het EP. Wat appellante heeft aangevoerd, onder meer over de lange duur van het traject om de benodigde vergunningen te verkrijgen, geeft geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Appellante heeft haar beroep op artikel 1 van het EP daarnaast ook nauwelijks onderbouwd, ook niet nadat zij in beroep is gewezen op de bewijslast die op haar rust. Ook hierom kan haar beroep op artikel 1 van het EP niet slagen.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2622

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2020 in de zaak tussen

V.O.F. [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: J.A. Rietveld),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 24 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1.

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2.

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellante exploiteerde een melkveehouderij, aan de [adres 1] te [plaats] en had de bedoeling het bedrijf te verplaatsen naar de [adres 2] in die plaats. Het betrof een verplaatsing naar eigen grond. Op 22 september 2015 heeft appellante een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw-vergunning) verkregen voor het wijzigen van een rundveehouderij aan de [adres 2] , voor 140 melk- en kalfkoeien en 90 stuks jongvee. Op 2 juli 2015 hield appellante 89 melk- en kalfkoeien en 71 stuks jongvee. Zij was toen nog gevestigd aan de [adres 1] .

Besluiten van verweerder

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 4.734 kg. Voor wat betreft de dieraantallen is verweerder uitgegaan van de aantallen die op

2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bijzondere omstandigheden, anders dan een financiële last, weliswaar zijn gesteld, maar niet hebben geleid tot een substantieel lager fosfaatrecht.

Beroepsgronden

4. Appellante heeft aangevoerd dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Zij heeft in verband met de bedrijfsverplaatsing een Nbw-vergunning verkregen voor een nieuwe stal met 140 melk- en kalfkoeien en 90 stuks jongvee. Appellante had met eigen jongvee geleidelijk willen groeien op de nieuwe locatie. De beoogde verplaatsing en groei was nog niet gerealiseerd op de peildatum, 2 juli 2015. Het heeft jaren geduurd voordat de benodigde vergunning is afgegeven voor de bouw van de nieuwe boerderij. Daarom heeft appellante niet tijdig kunnen uitbreiden. Appellante heeft wel geïnvesteerd in de nieuwe stal. De fosfaatrechten leggen een disproportionele last op de bedrijfsvoering. Toen appellante begon met de verplaatsing en de financiële verplichtingen aanging, was het fosfaatrechtenstelsel nog niet voorzienbaar. Verder heeft appellante aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De reden die verweerder in het bestreden besluit noemt om geen individuele en buitensporige last aan te nemen is onduidelijk en ook op grond waarvan hij dit beoordeelt. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder acht het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd met het in artikel 1 van het EP neergelegde recht op eigendom. Hij heeft de achtergrond van het fosfaatrechtenstelsel uiteengezet en gewezen op de uitspraken van het College die hierover al zijn gedaan. Voorts betwist verweerder dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Appellante heeft niet inzichtelijk gemaakt in welke mate zij wordt geraakt door het fosfaatrechtenstelsel. Appellante heeft gezien de voorzienbaarheid van productiebeperkende maatregelen een risico genomen door fors te willen uitbreiden. Een noodzaak daartoe is niet gebleken. Verder heeft appellante geen vergunning overgelegd waaruit blijkt dat zij op de peildatum het gestelde beoogde aantal van 140 melk- en kalfkoeien rechtsgeldig kon houden. De Nbw-vergunning dateert van 22 september 2015. Voorheen mocht appellante 84 melk- en kalfkoeien en

60 stuks jongvee houden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd. Gelet op de summiere stukken waarover hij beschikte, kon hij het besluit niet meer concreet motiveren. Verweerder betwist dat de redelijke termijn wordt overschreden indien binnen zes weken na de zitting uitspraak wordt gedaan.

Beoordeling

6.1.

Het betoog van appellante dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft hij al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd.

6.2.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.3.

Bij de beoordeling of een last in het individuele geval van de betrokken melkveehouder buitensporig is moeten alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last.

6.4.

Appellante beschikte op 2 juli 2015 niet over de vereiste Nbw-vergunning voor de beoogde 140 melk- en kalfkoeien en 90 stuks jongvee. Die is immers pas op

22 september 2015 verleend. Voor zover appellante met haar investeringen is vooruitgelopen op het verkrijgen van deze vergunning, geldt dat in beginsel geen ruimte bestaat om aan te nemen dat sprake is van strijd met artikel 1 van het EP (zie de uitspraak van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:7). Dit uitgangspunt geldt ook wanneer dat voor appellante aanzienlijke financiële consequenties heeft. Wat appellante heeft aangevoerd, onder meer over de lange duur van het traject om de benodigde vergunningen te verkrijgen, geeft geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Appellante heeft haar beroep op artikel 1 van het EP daarnaast ook nauwelijks onderbouwd, ook niet nadat zij in beroep is gewezen op de bewijslast die op haar rust. Onduidelijk is wat precies de feiten en omstandigheden zijn waarop appellante zich beroept, met name wanneer zij welke investeringen heeft gedaan ten behoeve van de verplaatsing en uitbreiding van haar bedrijf en in welke mate zij is getroffen door het fosfaatrechtenstelsel. Ook hierom kan haar beroep op artikel 1 van het EP niet slagen.

6.5.

Het College is met appellante van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Appellante heeft haar beroep op artikel 1 van het EP slechts summier toegelicht en onderbouwd, maar in het licht van wat zij heeft aangevoerd, is de enkele zin dat appellante weliswaar bijzondere omstandigheden heeft gesteld, maar dat deze niet hebben geleid tot een substantieel lager fosfaatrecht dan zonder dat deze bijzondere omstandigheden zich zouden hebben voorgedaan, onvoldoende.

6.6.

Appellante heeft een beroep gedaan op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het College stelt vast dat deze is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. Gelet op vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014

(ECLI: NL:RVS:2014:188)) geldt in dat geval als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Het bezwaarschrift van appellante is door verweerder ontvangen op 14 februari 2018. Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak op 3 maart 2020 de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar met ruim twee weken is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake.

6.7.

Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat appellante recht heeft op € 500,- schadevergoeding.

6.8.

Het College stelt vast dat de overschrijding aan verweerder is toe te rekenen omdat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep minder dan anderhalf jaar heeft geduurd. Het College zal daarom verweerder op de voet van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,-.

Slotsom

7.1.

Het beroep op artikel 1 van het EP slaagt niet.

7.2.

Omdat het bestreden besluit pas in beroep is voorzien van een toereikende motivering is dit in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. Het College ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, aangezien aannemelijk is dat appellante door dit gebrek niet is benadeeld. Met een deugdelijke motivering zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

7.3.

Gezien het geconstateerde gebrek ziet het College aanleiding te bepalen dat het door appellante betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed en verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van € 500,- aan appellante wegens geleden immateriële schade;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante dient te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. M.G. Ligthart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2020.

w.g. I.M. Ludwig w.g. M.G. Ligthart