Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:122

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
18/2734
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Appellant heeft aangevoerd dat hij op 31 maart 2017 al bezwaar had gemaakt tegen besluiten van verweerder in het kader van het fosfaatreductieplan 2017. Hierin heeft appellant reeds aangegeven dat sprake was van bijzondere omstandigheden. Verweerder had deze bezwaren ook als bezwaar tegen het primaire besluit moeten aanmerken. Het College volgt appellant hierin niet. Het gaat immers om twee aparte besluiten waartegen apart bezwaar dient te worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2734

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
13 februari 2020 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Bij besluit van 11 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb volgt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop is ontvangen. Als bewijs van tijdige terpostbezorging geldt de datumstempel van het postkantoor. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder het primaire besluit op 3 januari 2018 bekend heeft gemaakt. Dit betekent dat de bezwaartermijn op 3 januari 2018 aanving en op
14 februari 2018 eindigde. Het op 2 april 2018 ter post verzonden bezwaarschrift is derhalve te laat ingediend.

3. Appellant heeft aangevoerd dat hij op 31 maart 2017 al bezwaar had gemaakt tegen besluiten van verweerder in het kader van het fosfaatreductieplan 2017. Hierin heeft appellant reeds aangegeven dat sprake was van bijzondere omstandigheden waardoor het aantal stuks melkvee op 2 juli 2015 lager uitviel. Verweerder had deze bezwaren ook als bezwaar tegen het primaire besluit moeten aanmerken.

4. Het College volgt appellant hierin niet. Het gaat immers om twee aparte besluiten waartegen apart bezwaar dient te worden gemaakt.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het bezwaar terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. J.M.M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2020.

w.g. R.C. Stam w.g. J.M.M. van Dalen