Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:121

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
18/2709
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Fosfaatrechten. Voor het vaststellen van de fosfaatruimte is bepalend de oppervlakte landbouwgrond die op 15 mei 2015 tot het bedrijf behoort. Dit volgt uit de artikelen 21a en 24, eerste en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit. Vaststaat dat appellant op 15 mei 2015 niet over de hier van belang zijnde 1,76 ha aangekochte grond beschikte. Verweerder heeft deze grond zodoende bij het vaststellen van de fosfaatruimte terecht buiten beschouwing gelaten (vergelijk de uitspraak van 10 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:399). Op 2 juli 2015 mocht appellant niet meer dan 54 melkkoeien houden. De uitbreidingsvergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 heeft appellant pas nadien verkregen. Met zijn uitbreidingsinvesteringen is appellant vooruitgelopen op die vergunning. Het College heeft eerder overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:7), dat dan in beginsel de ruimte ontbreekt om aan te nemen dat sprake is van strijd met artikel 1 van het EP. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven van dit uitgangspunt af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2709

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
13 februari 2020 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. S.J.E. Loontjes en mr. S.M. Piron)

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Bij besluit van 15 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Op grond van artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met het melkvee dat op

2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 72b, eerste en derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit) wordt het fosfaatrecht verminderd voor zover een gehele uitoefening van het fosfaatrecht de fosfaatruimte in het kalenderjaar 2015 van dat bedrijf te boven gaat.

1.3

Fosfaatruimte is de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar ingevolge artikel 8, aanhef en onder c, van de Msw mag worden gebracht op of in de tot het desbetreffende bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder ll, subonderdeel 1, van de Msw). De tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond in enig kalenderjaar is de oppervlakte landbouwgrond die op 15 mei van dat jaar tot het bedrijf behoort (artikel 24, eerste en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit; peildatum).

1.4

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellant exploiteert een melkveehouderij. Op 2 juli 2015 hield hij 63 melkkoeien en 48 stuks jongvee op zijn bedrijf. Hij beschikte toen over een vergunning voor het houden van 54 melkkoeien en 37 stuks jongvee. Op 10 januari 2017 heeft hij een vergunning aangevraagd op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 voor het houden van 66 melkkoeien en 54 stuks jongvee. Deze vergunning is op 14 juni 2017 verleend.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 3.241 kg en is daarbij uitgegaan van de dieraantallen van 2 juli 2015. Omdat het bedrijf van appellant niet volledig grondgebonden is, heeft verweerder een korting toegepast.

Beroepsgronden

4.1

Appellant voert aan dat hij door de aankoop van 1,76 hectare grond op 22 juni 2015 grondgebonden bedrijf was.

4.2

Appellant betoogt verder dat verweerder fosfaatrecht moet toekennen naar het vergunde aantal van 66 melkkoeien en 54 stuks jongvee, omdat de fosfaatrechtenvaststelling in strijd is met artikel 1 van het EP. De invoering van het fosfaatrechtenstelsel was niet (ten volle) voorzienbaar en moet in ieder geval aanleiding geven om de schade die voortvloeit uit het fosfaatrechtenstelsel gedeeltelijk te vergoeden. Bovendien leidt de fosfaatrechtenvaststelling, en in het bijzonder de toegepaste korting, voor appellant tot een individuele en buitensporige last die het voortbestaan van het bedrijf bedreigt.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder bepaalt de fosfaatruimte op basis van de grond die op 15 mei 2015 tot het melkveebedrijf behoorde. Toen beschikte appellant niet over de 1,76 ha aangekochte grond. Appellant heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Hij beschikte pas na 2 juli 2015 over de vergunningen voor uitbreiding. Hij heeft niet met bewijs onderbouwd dat hij het bedrijf niet met het toegekende aantal fosfaatrechten niet rendabel kan exploiteren.

Beoordeling

6.1

Voor het vaststellen van de fosfaatruimte is bepalend de oppervlakte landbouwgrond die op 15 mei 2015 tot het bedrijf behoort. Dit volgt uit de artikelen 21a en 24, eerste en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit. Vaststaat dat appellant op 15 mei 2015 niet over de hier van belang zijnde 1,76 ha aangekochte grond beschikte. Verweerder heeft deze grond zodoende bij het vaststellen van de fosfaatruimte terecht buiten beschouwing gelaten (vergelijk de uitspraak van 10 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:399). Deze beroepsgrond faalt.

6.2

Het betoog dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP, stuit af op het oordeel van het College in de heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en de uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin is geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau, inclusief de generieke korting, verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) is dit oordeel nader door het College gemotiveerd. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

6.3

Bij de beoordeling of een last in het geval van de betrokken melkveehouder buitensporig is, moeten alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. Zoals in de uitspraak van 23 juli 2019 onder 6.8.2 is overwogen is in dat verband vooral relevant in welke mate de individuele melkveehouder wordt geraakt door het fosfaatrechtenstelsel en het aan hem toegekende fosfaatrecht. Daarbij heeft te gelden dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht als een buitensporige last kan worden aangemerkt. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals hier, is verder van belang of en zo ja, op welk moment en met welke motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en of daarvoor onomkeerbare investeringen zijn gedaan.

6.4

Op 2 juli 2015 mocht appellant niet meer dan 54 melkkoeien houden. De uitbreidingsvergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 heeft appellant pas nadien verkregen. Met zijn uitbreidingsinvesteringen is appellant vooruitgelopen op die vergunning. Het College heeft eerder overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:7), dat dan in beginsel de ruimte ontbreekt om aan te nemen dat sprake is van strijd met artikel 1 van het EP. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven van dit uitgangspunt af te wijken. Deze beroepsgrond faalt.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. J.M.M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2020.

w.g. R.C. Stam w.g. J.M.M. van Dalen