Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:108

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-02-2020
Datum publicatie
25-02-2020
Zaaknummer
18/1647
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Awb 6:7, 6:8 en 6:11 Bezwaar niet-ontvankelijk wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1647

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2020 in de zaak tussen

[naam] te [plaats] , appellant

en

de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder

(gemachtigde: mr. G.H.H. Bisschoff).

Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2018 (primair besluit) heeft verweerder de chauffeurskaart van appellant voor het verrichten van taxivervoer ingetrokken.

Bij besluit van 19 juli 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2020. Appellant is niet verschenen. De gemachtigde van verweerder is verschenen.

Overwegingen

1.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. De bezwaartermijn eindigde op 29 juni 2018. Het op 3 juli 2018 gedateerde bezwaarschrift is door verweerder op 5 juli 2018 ontvangen en is door appellant, blijkens de poststempel, op 4 juli 2018 ter post bezorgd. Appellant heeft in zijn bezwaarschrift niets aangevoerd waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

1.2.

Bij brief van 27 februari 2019 heeft verweerder het College bericht hem is gebleken dat hij appellant voorafgaand aan het bestreden besluit ten onrechte niet heeft gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding. Verweerder zal dat alsnog doen. Indien de reactie van appellant daartoe aanleiding geeft zal verweerder een nieuw besluit op bezwaar nemen dat hij naar het College zal sturen, als bedoeld in artikel 6:19, derde lid, van de Awb.

1.3.

Bij brieven van 27 februari 2019 en 20 maart 2019 heeft verweerder appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding. Appellant heeft daarop geantwoord dat hij een bezwaarschrift wilde laten opmaken door een advocaat, dat het er op leek dat deze de deadline van zes weken niet zou gaan halen en dat hij er uiteindelijk voor heeft gekozen om dit bezwaarschrift zelf op te stellen en op te sturen. Hij was in de veronderstelling dat dit nog net binnen de gestelde periode van zes weken zou gebeuren. Achteraf blijkt dat niet het geval te zijn geweest en heeft hij de termijn met enkele dagen overschreden.

1.4.

Verweerder heeft in het verweerschrift aangevoerd dat wat appellant heeft aangevoerd geen verschoonbare reden is voor termijnoverschrijding. Het bestreden besluit behoeft geen aanpassing.

2. Het College overweegt als volgt.

2.1.

Omdat verweerder pas in beroep bij appellant heeft geïnformeerd naar de reden van de termijnoverschrijding, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk voorbereid. Het College ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, aangezien aannemelijk is dat appellant door dit gebrek niet is benadeeld.

2.2.

In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.3.

Bij de beantwoording van die vraag zijn de volgende bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van belang.

artikel 6:7 Awb

De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.

artikel 6:8, eerste lid, Awb

De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt

artikel 6:11 Awb

Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.4.

Het College stelt vast dat appellant het bezwaarschrift niet tijdig, te weten uiterlijk op 29 juni 2018, heeft ingediend. Appellant heeft het bezwaarschrift pas op 4 juli 2018 per post verzonden. Het College ziet in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. Niet valt in te zien waarom appellant het bezwaarschrift niet op tijd had kunnen indienen. Verweerder heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.5.

De hiervoor onder 2.2 vermelde vraag moet bevestigend worden beantwoord. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Wat appellant in beroep heeft aangevoerd om zijn chauffeurskaart terug te krijgen kan in deze procedure (over de ontvankelijkheid van het bezwaar) niet door het College worden beoordeeld en zal daarom hier niet worden besproken.

3. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van

mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

25 februari 2020.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. J.W.E. Pinckaers