Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:1028

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
19/940
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet

artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet

artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)

Fosfaatrechten. Het beroep op de knelgevallenregeling faalt. De bewijslast rust op appellante. Ten aanzien van de uierproblemen op het bedrijf stelt het College vast dat appellante deze heeft gesteld, maar onvoldoende heeft aangetoond. De MPR-uitslagen geven weliswaar weer dat het celgetal in de melk bij enkele dieren te hoog was en uit de CRV Rundveestaat van de periode 2013 tot en met 2015 blijkt dat er op de peildatum minder dieren op het bedrijf van appellante werden gehouden dan op de alternatieve peildatum 1 juli 2013, maar niet duidelijk is of het verhoogd celgetal van de dieren is veroorzaakt door de uierproblemen. Het College acht daarbij van belang dat er geen dierenartsverklaring met betrekking tot de gestelde uierproblemen is overgelegd. Bovendien is onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke dieren zijn afgevoerd vanwege de uierproblemen. Voor zover het ontbreken van bewijs het gevolg is van de door appellante gemaakte keuzes met betrekking tot haar bedrijfsvoering, komt dat voor haar rekening.

Fosfaatrechtenvaststelling niet in strijd met artikel 1 van het EP. Geen individuele en buitensporige last. Appellante heeft niet voldaan aan de bewijslast.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/940

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2020 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. N. Latka),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Op 5 maart 2018 heeft verweerder van appellante een melding bijzondere omstandigheden ontvangen.

Bij besluit van 12 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2020. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw wordt, indien een landbouwer voor 1 april 2018, meldt en aantoont dat het krachtens het derde lid op het bedrijf rustende fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, het fosfaatrecht bepaald aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

1.3

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellante exploiteert een biologisch dynamisch melkveebedrijf en zorgboerderij. Appellante hield op de peildatum 2 juli 2015 op haar bedrijf 35 melk- en kalfkoeien, 9 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 13 stuks jongvee ouder dan 1 jaar.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 1.506 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

4.1

Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte het beroep op de knelgevallenregeling heeft afgewezen, aangezien appellante aan alle voorwaarden van de knelgevallenregeling voldoet. Appellante heeft voorafgaand aan de peildatum te maken gekregen met dierziekte, namelijk uierproblemen in juli 2013. Appellante stelt zich op het standpunt dat ze aan de hand van de overgelegde bewijsstukken haar stelling afdoende heeft onderbouwd. Uit de MPR-uitslag blijkt immers een te hoog celgetal. Gezien het hoge celgetal was appellante genoodzaakt om vanaf 2013 dieren af te voeren. Gelet daarop was er een afname van het aantal dieren van 41 stuks naar 35 stuks op de peildatum van 2 juli 2015. Appellante exploiteert een biologisch dynamisch bedrijf en doet zoveel mogelijk een beroep op zelfgenezing. Ze werkt niet met antibiotica. Een medicijnenoverzicht of veeartsenverklaring heeft zij niet en kan zij dus niet overleggen. Appellante stelt dat indien de buitengewone omstandigheid zich niet had voorgedaan haar fosfaatrecht minimaal 5% hoger had gelegen dan zonder deze buitengewone omstandigheden.

4.2

Appellante voert verder in het aanvullende stuk van 9 november 2020 nog aan dat de peildatum voor haar disproportioneel ongunstig is, omdat het vanwege haar gesloten bedrijfsvoering jaren zal duren voordat haar veestapel weer op de oorspronkelijke 41 melk- en kalfkoeien zal zitten.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep van appellante op de knelgevallenregeling terecht is afgewezen. In de melding bijzondere omstandigheden van appellante staat vermeld dat er sinds 1 juli 2013 sprake is van dierziekte. In de toelichting bij deze melding heeft appellante vermeld dat er vooral in 2014 problemen waren met het celgetal en klauwaandoeningen. Na het indienen van de melding bijzondere omstandigheden heeft verweerder tweemaal aan appellante verzocht om bewijsstukken in te dienen teneinde aan te tonen dat er sprake was van een dierziekte. Appellante heeft daarop medegedeeld dat zij een biologisch dynamische bedrijfsvoering voert waarbij zo min mogelijk met medicijnen wordt gewerkt. Om deze reden heeft zij geen bewijsstukken in de vorm van een veeartsverklaring, medicijngebruik of uitslagen van bloedonderzoeken. Verweerder merkt op dat de bewijslast om aan te tonen dat is voldaan aan de voorwaarden van de knelgevallenregeling bij appellante ligt. De MPR-uitdraaien die in beroep zijn overgelegd zijn niet goed leesbaar, zodat verweerder daaruit geen conclusies kan trekken. Voor zover al uit de MPR-uitdraaien zou volgen dat er sprake is van een verhoogd celgetal bij de afgevoerde dieren, merkt verweerder op dat een hoog celgetal meerdere oorzaken kan hebben. Een hoog celgetal kan worden veroorzaakt door bacteriƫn die uit de omgeving komen en die ook bij een biologisch dynamisch bedrijf goed te bestrijden zijn, bijvoorbeeld door een betere hygiƫne. Ook bij een biologisch bedrijf hoeft een dier met een hoog celgetal niet direct afgevoerd te worden. Verweerder stelt dat appellante geen onderzoek heeft gedaan naar de oorzaak van het gestelde hoge celgetal. Gelet op het voorgaande heeft appellante volgens verweerder niet aangetoond dat er op 1 juli 2013 sprake was van dierziekte op haar bedrijf. Ten overvloede merkt verweerder op dat de datum van 1 juli 2013 ook niet aansluit bij de overgelegde MPR-uitdraaien en het door appellante opgestelde overzicht van afgevoerde dieren.

5.2

Verweerder acht het fosfaatrechtenstelsel voorts niet in strijd met het in artikel 1 van het EP neergelegde recht op eigendom. Hij heeft de achtergrond van het fosfaatrechtenstelsel uiteengezet en gewezen op de uitspraken van het College die hierover al zijn gedaan.

Beoordeling

6.1

Het beroep van appellante op de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw, slaagt niet. Met betrekking tot de door appellante aangevoerde buitengewone omstandigheid gelegen in een diergezondheidsprobleem, spitst het geschil zich toe tot de vraag of sprake is van een diergezondheidsprobleem dat heeft geleid tot een lager vastgesteld aantal fosfaatrechten op de peildatum. De bewijslast hiervoor rust op appellante. Ten aanzien van de uierproblemen op het bedrijf stelt het College vast dat appellante deze heeft gesteld, maar onvoldoende heeft aangetoond. De MPR-uitslagen geven weliswaar weer dat het celgetal in de melk bij enkele dieren te hoog was en uit de CRV Rundveestaat van de periode 2013 tot en met 2015 blijkt dat er op de peildatum minder dieren op het bedrijf van appellante werden gehouden dan op de alternatieve peildatum 1 juli 2013, maar niet duidelijk is of het verhoogd celgetal van de dieren is veroorzaakt door de uierproblemen. Het College acht daarbij van belang dat er geen dierenartsverklaring met betrekking tot de gestelde uierproblemen is overgelegd. Bovendien is onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke dieren zijn afgevoerd vanwege de uierproblemen. Voor zover het ontbreken van bewijs het gevolg is van de door appellante gemaakte keuzes met betrekking tot haar bedrijfsvoering, komt dat voor haar rekening. De beroepsgrond slaagt niet.

6.2

Voor zover appellante een beroep heeft beogen te doen op de aantasting van haar eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het EP door te stellen dat de peildatum voor haar een individuele en buitensporige last oplevert, slaagt dit beroep niet. Appellante heeft gesteld dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last, maar dit op geen enkele wijze onderbouwd met stukken of inzichtelijk gemaakt in hoeverre zij in haar vermogenspositie wordt geraakt.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. N.C.H. Vrijsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen