Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:1020

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
19/64
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Fosfaatrecht. Artikel 23, derde en zesde lid, van de Meststoffenwet. Het College heeft in een aantal uitspraken geoordeeld dat de wetgever heeft gekozen voor een beperkte knelgevallenregeling en dat hij ervoor heeft gekozen om niet gerealiseerde uitbreidingen niet mee te nemen bij de beoordeling van knelgevallen. Ook wat appellante subsidiair aanvoert, slaagt niet. De 2 melk- en kalfkoeien en 1 stuk jongvee zijn op de ter zitting aangevoerde alternatieve peildatum in juni 2015 door appellante afgevoerd omdat zij volgens hem minder melk produceerden. Daarmee ontbreekt een causaal verband tussen de dierziekte en het lagere aantal fosfaatrechten, omdat de dieren zijn afgevoerd vanwege een door appellante gemaakte bedrijfseconomische keuze. Voor zover appellant stelt dat vanwege de dierziekte de melkproductie lager is uitgevallen zodat de melkproductie in 2015 en ook in 2014 niet als representatief kan worden aangemerkt, overweegt het College dat appellante niet heeft onderbouwd hoe zij het door haar ter zitting genoemde excretieforfait van 40,6 heeft berekend. Evenmin valt uit de stukken duidelijk op te maken wat de daadwerkelijk door appellante geproduceerde hoeveelheid melk is geweest in boekjaar 2013/2014. Ook indien op grond van die melkproductie zou moeten worden uitgegaan van een excretieforfait van 39,1 voldoet appellante niet aan de 5%-drempel voor de toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Msw.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/64

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2020 in de zaak tussen

Stille maatschap [naam 1] , [naam 2] en [naam 3], te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.C.M. Damming),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. H.G.M. Wammes en C. Zieleman LL.B).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 21 maart 2018 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Bij besluit van 20 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het besluit van 21 maart 2018 herzien en het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2020. Namens appellante zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door – voor zover van belang – bouwwerkzaamheden of diergezondheidsproblemen (de 5%drempel), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Naar ter zitting is gebleken hield zij op 30 april 2014 65 melk- en kalfkoeien en 51 stuks jongvee. Vanaf mei 2014 is een onbekende dierziekte aanwezig geweest op het bedrijf. Als gevolg van deze ziekte zijn zes melkkoeien overleden en heeft appellante in juni 2015 2 melk- en kalfkoeien en 1 stuk jongvee afgevoerd naar de slacht omdat zij minder melk produceerden. Op 2 juli 2015 hield appellante 68 melk- en kalfkoeien en 63 stuks jongvee. In juli 2015 heeft appellante haar stal uitgebreid en het dak laten vervangen. De werkzaamheden aan de stal waren gereed in december 2015.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 3.570 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Bij het besluit van 21 maart 2018 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het besluit van 21 maart 2018 vervangen en het bezwaar van appellante ongegrond verklaard omdat zij op de door appellante aangevoerde alternatieve peildatum 30 april 2014 niet voldoet aan de 5%-drempel van de knelgevallenregeling.

Beroepsgronden

4. 1 Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte een te beperkte uitleg van de knelgevallenregeling hanteert. Volgens appellante dient de situatie op 2 juli 2015 niet te vergeleken te worden met een eerdere datum, maar aan de hand van de situatie die zou hebben bestaan op 2 juli 2015 als de bijzondere omstandigheden zich niet zouden hebben voorgedaan. Appellante dient in aanmerking te worden gebracht van de knelgevallenregeling nu zij voldoet aan de 5%drempel. Wat betreft de melkproductie dient uit te worden gegaan van de normale gemiddelde melkproductie op haar bedrijf, 9.000 kg melk per koe per jaar. Wat betreft de dieraantallen zou appellante zonder de dierziekte op 2 juli 2015 ongeveer 74,5 melk- en kalfkoeien hebben gehouden.

4.2

Voor zover van de door verweerder toegepaste uitleg van de knelgevallenregeling moet worden uitgegaan, heeft appellante het – op de zitting gewijzigde – standpunt ingenomen dat verweerder het moeten uitgaan van de gemiddelde melkproductie van het boekjaar 2013/2014 (met een excretieforfait van 40,6 in plaats van het in het beroepschrift aangevoerde 39,1) en voor de dieraantallen van een alternatieve peildatum in juni 2015 (70 melk- en kalfkoeien en 64 stuks jongvee). Op basis van deze splitsing voldoet appellante aan de 5%-drempel en dient haar fosfaatrecht te worden opgehoogd.

Standpunt van verweerder

5.1

Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de Msw en diverse uitspraken van het College stelt verweerder zich op het standpunt dat hij de knelgevallenregeling juist heeft toegepast. Voor de door appellante onder 4.2 weergegeven bepleite hypothetische situatie bestaat volgens hem geen ruimte. Door het hanteren van de alternatieve peildatum van 30 april 2014 wordt eveneens rekening gehouden met de gestelde uitval in juni 2015.

5.2

Over het subsidiaire standpunt van appellante zoals onder 4.3 weergegeven, stelt verweerder geen aanleiding te zien om voor de melkproductie uit te gaan van het boekjaar 2013/2014. Appellante heeft niet onderbouwd waarom haar excretieforfait 40,6 zou zijn. Verweerder merkt wel op dat in het bestreden besluit een fout is gemaakt in de berekening door niet uit te gaan van het excretieforfait van 39,1 maar van 37,7. Appellante voldoet ook dan niet aan de 5%drempel. De door appellante ter zitting verzochte alternatieve peildatum voor de dieraantallen, is volgens verweerder geen correcte datum omdat die datum niet in verband staat met het begin van de dierziekte en is gekozen door appellante omdat zij op dat moment het hoogste aantal dieren heeft gehouden.

Beoordeling

6.1

Voor de door appellante onder 4.1 bepleite uitleg van artikel 23, zesde lid, van de Msw bestaat geen ruimte. Het College heeft in een aantal uitspraken geoordeeld dat de wetgever heeft gekozen voor een beperkte knelgevallenregeling en dat hij ervoor heeft gekozen om niet gerealiseerde uitbreidingen niet mee te nemen bij de beoordeling van knelgevallen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van het College van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4 en van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:246). Dat geldt niet alleen voor uitbreidingen na de peildatum van 2 juli 2015, maar ook voor uitbreidingen die op die datum nog niet (volledig) waren gerealiseerd. Zoals het College in die uitspraken heeft overwogen heeft de wetgever zich een systeem gedacht waarin verweerder “terugkijkt” en een vergelijking maakt tussen de feitelijke situatie op 2 juli 2015 en de situatie die zonder de buitengewone omstandigheid in redelijkheid voor het bedrijf mocht worden verwacht.

6.2

Ook wat appellante subsidiair aanvoert, slaagt niet. De 2 melk- en kalfkoeien en 1 stuk jongvee zijn op de ter zitting aangevoerde alternatieve peildatum in juni 2015 door appellante afgevoerd omdat zij volgens hem minder melk produceerden. Daarmee ontbreekt een causaal verband tussen de dierziekte en het lagere aantal fosfaatrechten, omdat de dieren zijn afgevoerd vanwege een door appellante gemaakte bedrijfseconomische keuze.

6.3

Voor zover appellant stelt dat vanwege de dierziekte de melkproductie lager is uitgevallen zodat de melkproductie in 2015 en ook in 2014 niet als representatief kan worden aangemerkt, overweegt het College dat appellante niet heeft onderbouwd hoe zij het door haar ter zitting genoemde excretieforfait van 40,6 heeft berekend. Evenmin valt uit de stukken duidelijk op te maken wat de daadwerkelijk door appellante geproduceerde hoeveelheid melk is geweest in boekjaar 2013/2014. Ook indien op grond van die melkproductie zou moeten worden uitgegaan van een excretieforfait van 39,1 voldoet appellante niet aan de 5%-drempel voor de toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Het verschil in fosfaatrechten is in dat geval slechts 4,19%.

Slotsom

7.1

Gelet op 5.2 bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft dit pas in het verweerschrift gecorrigeerd. Het College ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, aangezien aannemelijk is dat appellante door dit gebrek niet is benadeeld. Met een deugdelijke motivering zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

7.2

In dat gebrek ziet het College aanleiding te bepalen dat het door appellante betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed en verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. M.A.A. Traousis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.