Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:1003

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
19/450
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Fosfaatrechten. Knelgevallenregeling. Uit de door verweerder ter zitting overgelegde grafiek van de dieraantallen van appellante blijkt geen structurele afname in de dieraantallen na de pijnklachten van de vader vanaf 2012 tot en met juni 2015. De dieraantallen fluctueren ondanks de aanwezige klachten aanzienlijk en appellante heeft in juni 2014 – ondanks de reeds aanwezige klachten – nog jongvee aangekocht. Dit komt niet overeen met de stelling van appellante dat door de aanhoudende klachten van de vennoot vanaf 1 juli 2014 minder dieren gehouden konden worden (vergelijk de uitspraak van 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:229). Voorts blijkt uit de door appellante overgelegde gegevens niet dat op 1 juli 2014 of 1 oktober 2014 een omstandigheid heeft plaatsgevonden die rechtvaardigt dat na die data een (kleine) daling in de dieraantallen heeft plaatsgevonden. Anders dan appellante betoogt bestaat bij de toepassing van de knelgevallenregeling geen mogelijkheid om met omstandigheden als verplaatsing van arbeid rekening te houden. Bij de knelgevallenregeling wordt een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op het moment van intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:232). Verweerder heeft een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/450

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: S. van den Hoving),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 15 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar maten [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent (de 5%-drempel) lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover een landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveebedrijf. De maatschap bestaat sinds 2008 uit, onder anderen, [naam 3] (vader) en [naam 2] (zoon). De vader is in december 2009 geopereerd aan een liesbreuk. Vanwege de klachten is hij van juli 2012 tot en met 29 maart 2013 onder behandeling geweest bij het pijnbehandelcentrum. Van 28 januari 2015 tot en met 1 juni 2015 was hij ook onder behandeling wegens klachten. Als gevolg van de pijnklachten en (tijdelijke) arbeidsongeschiktheid van de vader is de zoon vanaf 2014 volledig werkzaam op het bedrijf.

2.2

Op 23 maart 2018 heeft appellante een melding bijzondere omstandigheden ingediend waarin ze heeft aangegeven dat de vader vanaf een half jaar voor de operatie op 22 juni 2015 niet volledig inzetbaar was en als gevolg daarvan geen jongvee is aangekocht. Als datum voordat de bijzondere omstandigheid van ziekte (bij de ondernemer) intrad heeft appellante daarom 1 februari 2015 opgegeven.

2.3

Op 2 juli 2015 hield appellante 81 melk- en kalfkoeien en 20 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder en omvang van het geding

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 3.321 kg. Hij is uitgegaan van de dieraantallen op 2 juli 2015. Verweerder heeft het beroep op de knelgevallenregeling afgewezen omdat uitgaande van de dieraantallen op de door appellante in de melding bijzondere omstandigheden aangegeven datum van 1 februari 2015 niet aan de 5%-drempel wordt voldaan. Appellante is niet grondgebonden en met 229,1 kg gekort op haar fosfaatrecht.

Beroepsgronden

4.1

Appellante verzoekt in haar beroepschrift al hetgeen eerder in de bezwaarfase is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen.

4.2

Primair stelt appellante dat verweerder ten onrechte uitgaan van de door appellante in de melding bijzondere omstandigheden opgegeven alternatieve peildatum van 1 februari 2015. Verweerder moet de alternatieve peildatum van 1 juli 2014 hanteren. Door de fysieke gezondheid van de vader heeft de zoon zijn werkzaamheden elders moeten staken. De aankoop van jongvee is, anders dan beoogd was, afgenomen omdat de zoon zich volledig op het melkvee moest richten. Wanneer wordt uitgegaan van de datum van 1 juli 2014 zou dit tot een verschil van 12,61% leiden ten opzichte van de peildatum van 2 juli 2015. Subsidiair stelt appellante dat verweerder van de alternatieve peildatum van 1 oktober 2014 moet uitgaan. In november is de vader weer meermaals teruggekeerd bij de arts wegens pijnklachten. Appellante heeft ter onderbouwing medische gegevens en een verklaring van de fysiotherapeut overgelegd.

Standpunt van verweerder

5.1

In het verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt toegelicht dat voor de toepassing van de knelgevallenregeling een causaal verband dient te bestaan tussen het intreden van de bijzondere omstandigheid en het verlies van minimaal 5% fosfaatrechten op de peildatum ten opzichte van de alternatieve peildatum. Verweerder heeft ter zitting inzicht verschaft in het verloop van de dieraantallen middels een grafiek. In deze grafiek is zichtbaar dat op 1 juli 2014 en 1 oktober 2014 pieken in het jongvee en derhalve in het totale veebestand zichtbaar zijn. Verweerder acht aannemelijk dat de vader pijnklachten heeft ervaren op de aangevoerde data, maar een gespecificeerd causaal verband ontbreekt ten opzichte van de door appellante aangevoerde data van 1 juli 2014 en 1 oktober 2014.

5.2

In het verweerschrift heeft verweerder erkend ten onrechte 4 stuks jongvee niet bij het vaststellen van het fosfaatrecht te hebben meegenomen. In het verweerschrift is dus de motivering van het bestreden besluit gewijzigd wat betreft de vaststelling van de dieraantallen. Ondanks de wijziging in dieraantallen blijft appellante gekort tot haar fosfaatruimte, waardoor het aantal toegekende fosfaatrechten ongewijzigd blijft.

Beoordeling

6.1

Over de in bezwaar aangevoerde gronden die appellante in beroep als herhaald in gelast beschouwd wenst te zien, overweegt het College dat, nu appellante daarbij niet heeft onderbouwd in welk opzicht volgens haar de reactie van verweerder in het bestreden besluit ontoereikend was, deze opmerking onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waar het College op dient in te gaan (zie ook de uitspraak van het College van 4 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:391). Het College gaat hier daarom aan voorbij. Zodoende staat alleen ter beoordeling wat appellante in haar beroepschrift heeft aangevoerd ten opzichte van de knelgevallenregeling.

6.2.1

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder het beroep van appellante op de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw terecht heeft afgewezen. Niet in geschil is dat appellante op de door haar in de melding bijzondere omstandigheden genoemde datum van 1 februari 2015 niet aan de 5%-drempel uit de knelgevallenregeling voldoet. Zoals het College al eerder heeft overwogen mag verweerder in principe uitgaan van de datum zoals deze door de betrokkene in de melding bijzondere omstandigheden is aangegeven (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:517). De bewijslast om aan te tonen dat verweerder ten onrechte van die datum is uitgegaan ligt bij appellante.

6.2.2

Appellante heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder bij de toepassing van de knelgevallenregeling moet uitgaan van de alternatieve peildatum van 1 juli 2014 of, volgens het subsidiaire standpunt, 1 oktober 2014. Zij heeft dit onderbouwd met gegevens van de door de vader ondergane behandeling. Uit deze gegevens blijkt dat de vader:

  • -

    van 2 juli 2012 tot en met 29 maart 2013 onder behandeling is geweest bij de pijnspecialist;

  • -

    op 21 november 2014 is langs geweest bij de pijnspecialist wegens pijnklachten;

  • -

    van 22 december 2014 tot en met 11 augustus 2015 wekelijks onder behandeling is geweest bij de fysiotherapeut;

  • -

    van 28 januari 2015 tot en met 1 juni 2015 onder behandeling is geweest wegens pijnklachten.

Uit de door verweerder ter zitting overgelegde grafiek van de dieraantallen van appellante blijkt geen structurele afname in de dieraantallen na de pijnklachten van de vader vanaf 2012 tot en met juni 2015. De dieraantallen fluctueren ondanks de aanwezige klachten aanzienlijk en appellante heeft in juni 2014 – ondanks de reeds aanwezige klachten – nog jongvee aangekocht. Dit komt niet overeen met de stelling van appellante dat door de aanhoudende klachten van de vennoot vanaf 1 juli 2014 minder dieren gehouden konden worden (vergelijk de uitspraak van 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:229). Voorts blijkt uit de door appellante overgelegde gegevens niet dat op 1 juli 2014 of 1 oktober 2014 een omstandigheid heeft plaatsgevonden die rechtvaardigt dat na die data een (kleine) daling in de dieraantallen heeft plaatsgevonden. Het College wil wel aannemen dat vader [naam 3] vanwege medische klachten een geringe bijdrage aan de bedrijfsvoering heeft kunnen leveren, maar is met verweerder van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de alternatieve peildatum van 1 juli 2014 of 1 oktober 2014 moet worden gehanteerd nu onvoldoende is gebleken van een structureel effect op de omvang van het veebestand. Deze beroepsgrond faalt.

6.2.3

Ter zitting heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat bij de toepassing van de knelgevallenregeling ook rekening moet worden gehouden met het feit dat de zoon zich vanaf 2014 volledig heeft ingezet op het bedrijf en zijn werkzaamheden elders heeft gestaakt. Wanneer dit niet het geval was geweest waren op het bedrijf minder dieren aanwezig geweest. Anders dan appellante betoogt bestaat bij de toepassing van de knelgevallenregeling geen mogelijkheid om met dergelijke omstandigheden rekening te houden. Bij de knelgevallenregeling wordt een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op het moment van intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:232). Verweerder heeft een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling.

Slotsom

7.1

Uit 5.2 blijkt dat verweerder heeft erkend dat het bestreden besluit niet met vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Het College zal dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht passeren, omdat appellante hierdoor niet in enig belang is geschaad. Vanwege de toegepaste korting leidt de aanpassing van het aantal op de peildatum gehouden dieren niet tot een hoger fosfaatrecht, terwijl dit niet de reden is geweest om bezwaar en beroep in te stellen

7.2

Het College ziet aanleiding te bepalen dat het door appellante betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed en verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. J.M.M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2020.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.