Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:97

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
19/287
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Kennelijk ongegrond, de schapen zijn reeds verkocht aan een derde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/287

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.G. de Wit)

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs).

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2019 (primaire besluit) heeft verweerder besloten tot toepassing van spoedbestuursdwang op 16 januari 2019 wegens overtredingen van de artikelen 1.6, derde lid, 1.7, aanhef en onder a, c en e, 2.4, vierde en vijfde lid, van het Besluit houders van dieren.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft op 11 februari 2019 tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het primaire besluit op 14 februari 2019 geschorst.

Verweerder heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 8:83, derde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met het eerste lid, bepaalt dat de voorzieningenrechter, indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond, uitspraak kan doen zonder zitting.

2. Verzoeker is veehouder. Verzoeker betwist de inbewaringneming van 138 schapen, welke volgens verweerder extreem mager waren en waarvoor verzoeker niet goed zorgdroeg. Verweerder heeft als voorwaarde voor de teruggave van de schapen onder meer gesteld dat verzoeker de geschatte kosten voor het transport, de opvang en de verzorging van de schapen tot een bedrag van € 23.000,- vóór 30 januari 2019 aan verweerder dient te betalen en dat verzoeker de huisvestigingssituatie op zijn locaties dient te herstellen. Indien appellant hieraan niet voldoet zal verweerder de schapen, zodra de gezondheidstoestand voldoende is, overdragen aan derden. Volgens verzoeker bestaat het spoedeisende belang eruit dat moet worden voorkomen dat de schapen aan een derde zullen worden overgedragen.

3. De voorzieningenrechter stelt op grond van de op 25 februari 2019 door verweerder nader ingediende stukken vast dat verweerder 135 inbewaringgenomen schapen van verzoeker, alsmede de in de opvang geboren lammeren op 8 februari 2019 aan een derde heeft overgedragen. Een drietal schapen van verzoeker is alsnog gedurende de opvang overleden. Verzoeker kan daarom niet meer voorkomen dat de schapen aan een derde zullen worden overgedragen. Gelet hierop valt niet in te zien dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.

4. Aangezien het verzoek gelet op het vorenstaande kennelijk ongegrond is, zal de voorzieningenrechter het verzoek met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb zonder zitting afwijzen. De schorsing van het primaire besluit komt daarmee te vervallen. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2019.

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. S.M. van Ditmarsch