Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:94

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
17/1775
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB. Private overeenkomst. Overdracht betalingsrechten. Niet tijdig. Geen uitbetaling betalingsrechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1775

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2019 in de zaak tussen

1. Firma [naam 1]te [plaats 1] , appellante sub 1

2. [naam 2]te [plaats 2] , appellante sub 2

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. N.M. Brok en mr. M. Wullink).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante sub 1 om uitbetaling van de betalingsrechten (de basis- en de vergroeningsbetaling) voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 25 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante sub 1 ongegrond verklaard.

Bij brief van 30 oktober 2017 hebben appellanten bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verweerder het bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift doorgezonden naar het College.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2019. Namens appellanten is verschenen [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Appellante sub 1 (als verwerver) en appellante sub 2 (als vervreemder) hebben op
13 mei 2015 een private overeenkomst gesloten, waarbij is bepaald dat op 1 januari 2015 sprake is van overdracht referentiewaarde (inclusief betalingsrechten) door verhuur van 11,90 ha.

1.2

Appellante sub 1 heeft in de Gecombineerde opgave 2016, ingediend op 15 mei 2016, verzocht om uitbetaling van betalingsrechten, (basis- en) vergroeningsbetaling en extra betaling jonge landbouwers. Appellante sub 1 heeft daarbij 49 percelen landbouwgrond opgegeven, met een totale oppervlakte van 86,98 hectare (ha). Ten aanzien van 19 percelen, overeenkomend met een oppervlakte van 26,80 ha, heeft appellante sub 1 aangegeven dat zij deze op basis van eenmalige pacht in gebruik of beheer heeft.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder de basis- en vergroeningsbetaling en extra betaling jonge landbouwers voor appellante sub 1 voor het jaar 2016 vastgesteld op
€ 29.125,94. Daarbij heeft verweerder een oppervlakte van 70,93 ha in aanmerking genomen. Tevens is vastgesteld dat appellante sub 1 beschikt over 70,93 betalingsrechten. Bij deze vaststelling heeft verweerder geen rekening gehouden met de private overeenkomst tussen appellante sub 1 en appellante sub 2.

1.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante sub 1 tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft verweerder - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat appellante sub 1 de melding overdracht betalingsrechten pas in de bezwaarfase, op 18 mei 2017, heeft gedaan en dit te laat is. Om de melding betalingsrechten voor het jaar 2016 te kunnen registreren moest de melding uiterlijk op 17 mei 2016 door verweerder zijn ontvangen. Dat de in 2015 met appellante sub 2 gesloten private overeenkomst voor onbepaalde tijd was, doet daar niet aan af. Het is de verantwoordelijkheid van appellante sub 1 om verweerder jaarlijks op de hoogte te stellen van de feitelijke situatie en zij had derhalve in 2016 weer een melding overdragen betalingsrechten moeten doen.

2. Appellanten hebben in beroep aangevoerd dat het niet bekend was dat de betalingsrechten elk jaar opnieuw overgedragen moesten worden. Verweerder is tekortgeschoten in zijn voorlichting daarover. Daarbij komt dat de eigenaar van appellante sub 2 wegens gezondheidsreden niet in staat was deze melding (tijdig) te doen. Appellante sub 2 had bovendien als belanghebbende in de bezwaarprocedure betrokken moeten worden nu appellanten het bezwaarschrift gezamenlijk hebben ingediend.

3. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat appellante sub 2 niet aangemerkt kan worden als belanghebbende omdat zij slechts een afgeleid belang heeft bij het bestreden besluit, nu zij via een privaatrechtelijke rechtsverhouding met appellante sub 1 een belang heeft bij het bestreden besluit. Voorts heeft verweerder gesteld dat het appellante sub 1 vrij staat een private overeenkomst voor meerdere jaren af te sluiten, maar dat dit niet wegneemt dat de overdracht van de betalingsrechten elk jaar, op de uiterste datum van indiening van de verzamelaanvraag, gemeld moet worden. Dat is in dit geval nagelaten. Nu er niet (tijdig) is voldaan aan de voorwaarden, zijn er voor het jaar 2016 geen betalingsrechten overgedragen van appellante sub 2 naar appellante sub 1. Dat appellante sub 1 niet bekend was met de voor haar geldende wet- en regelgeving komt voor haar rekening en risico. Verweerder meent bovendien dat hij appellanten bij brief van 2 april 2016 voldoende heeft voorgelicht. Het feit dat appellante sub 1 wel is overgegaan van het melden van de private overeenkomst met een andere verhuurder in zowel 2015 en 2016 wijst er ook op dat appellante sub 1 bekend was met het vereiste dat een overdracht van betalingsrechten ieder jaar van aanvraag moet worden gemeld. Voor zover appellante sub 1 met betrekking tot de gezondheidstoestand van de eigenaar van appellante sub 2 een beroep heeft willen doen op overmacht, is verweerder van mening dat er geen sprake is van abnormale en onvoorziene omstandigheden en appellante sub 1 dit bovendien niet tijdig heeft gemeld.

4. Met betrekking tot het beroep van appellante sub 1 komt het College tot de volgende beoordeling.

4.1

Het geschil gaat - in de kern - over de vraag of verweerder terecht geen rekening heeft gehouden met de door appellante sub 1 gestelde private overeenkomst met appellante sub 2 voor de huur van betalingsrechten en of verweerder dientengevolge de hoogte van de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwers voor 2016 juist heeft vastgesteld.

4.2

Ingevolge artikel 21, eerste lid en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) - voor zover hier van belang - wordt in het kader van de basisbetalingsregeling steun beschikbaar gesteld voor landbouwers die in het kader van deze verordening betalingsrechten verwerven door middel van een toewijzing of door middel van een overdracht krachtens artikel 34.

4.3

Ingevolge artikel 34, eerste lid, van Verordening 1307/2013 - voor zover hier van belang - kunnen betalingsrechten uitsluitend worden overgedragen aan een landbouwer die overeenkomstig artikel 9 het recht heeft op toekenning van rechtstreekse betalingen en in dezelfde lidstaat is gevestigd. Artikel 9 van Verordening 1307/2013 bepaalt - kort samengevat - dat een rechtstreekse betaling alleen wordt toegekend aan een actieve landbouwer.

4.4

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling kan de aanspraak op betaling in enig jaar van aanvraag op basis van een overdracht van betalingsrechten als bedoeld in artikel 34 van Verordening 1307/2013, slechts worden gemaakt indien de landbouwer die de betalingsrechten heeft overgedragen de minister uiterlijk op de uiterste datum van indiening van de verzamelaanvraag, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, in het desbetreffende jaar van aanvraag met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld in kennis heeft gesteld van de overdracht. De uiterste datum van indiening is voor het jaar 2016 bepaald op 17 mei 2016.

4.5

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 641/2014 van de Commissie van 16 juni 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 641/2014) stelt de overdrager bij een overdracht overeenkomstig artikel 34 van Verordening 1307/2013 de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vast te stellen periode in kennis van de overdracht.

4.6

Zoals verweerder terecht heeft gesteld staat het appellante sub 1 vrij om een private overeenkomst voor de huur van betalingsrechten voor meerdere jaren af te sluiten. Dit neemt echter niet weg dat verweerder jaarlijks van de overdracht van de betalingsrechten in kennis gesteld dient te worden. Verweerder dient immers in het jaar van de aanvraag te controleren of de ontvanger van de over te dragen betalingsrechten (nog steeds) aan de voorwaarden voor de overdracht voldoet en met name of de ontvanger van de betalingsrechten (nog steeds) actieve landbouwer is, zoals artikel 34, eerste lid, van Verordening 1307/2013 voorschrijft.

4.7

Niet in geschil is dat in het jaar 2016 geen melding overdragen betalingsrechten is gedaan. De melding overdracht betalingsrechten heeft eerst op 18 mei 2017 plaatsgevonden. Deze melding is door verweerder ook geregistreerd. Anders dan appellante sub 1 voorstaat betekent dit echter niet dat deze melding ook tot gevolg heeft dat de overgedragen betalingsrechten bij appellante sub 1 voor het jaar 2016 alsnog tot uitbetaling kunnen komen. Voor een dergelijke aanspraak op betaling had appellante sub 2, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 2.12 van de Uitvoeringsregeling, uiterlijk op de uiterste datum van indiening van de verzamelaanvraag, zijnde 17 mei 2016, verweerder door middel van het daarvoor bestemde formulier in kennis dienen te stellen van de overdracht betalingsrechten. De enkele melding van appellante sub 1 in de Gecombineerde opgave 2016 dat sprake is van eenmalige pacht is daarvoor niet voldoende.

4.8

Het betoog van appellante sub 1 dat de communicatie van verweerder over de van toepassing zijnde wet- en regelgeving over het jaarlijks melden van de overdracht van betalingsrechten door verweerder onvoldoende helder is geweest faalt. Van onvolkomenheden in de informatievoorziening is naar het oordeel van het College niet gebleken. Het is bovendien aan de landbouwer-ondernemer die aanspraak wenst te maken op rechtstreekse betalingen om zich van tevoren op de hoogte te stellen van de toepasselijke regels. Van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als gevolg waarvan niet tijdig een melding van de overdracht betalingsrechten kon worden gedaan is niet gebleken, zodat het beroep daarop reeds om die reden faalt.

4.9

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van appellante sub 1 ongegrond is.

5. Met betrekking tot het beroep van appellante sub 2 komt het College tot de volgende beoordeling.

5.1

Uit artikel 8:1 van de Awb volgt dat alleen een belanghebbende beroep kan instellen tegen een besluit. Om als belanghebbende in de zin van artikel 8:1 in samenhang bezien met artikel 1:2 van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient men een objectief bepaalbaar en voldoende actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Om van een rechtstreeks belang te kunnen spreken moet er een voldoende direct geraakt belang zijn. In de eis van voldoende direct geraakt belang komt tot uitdrukking dat er een voldoende causaal verband moet zijn tussen de gevolgen van een besluit en de belangen van een partij. In beginsel wordt een zodanig belang niet aangenomen in geval van een zogeheten afgeleid belang; dat wil zeggen in de situatie waarin het besluit slechts indirect de betrokken belangen raakt (zie bijvoorbeeld de uitspraken van het College van 25 juli 2016, ECLI:NL:CBB:2016:243 en 13 oktober 2016, ECLI:NL:CBB:2016:319).

5.2

Ter zitting van het College heeft appellante sub 2 verklaard dat haar belang bij de uitbetaling van de betalingsrechten 2016 aan appellante sub 1 hierin is gelegen dat zij met appellante sub 1 de afspraak heeft gemaakt dat appellante sub 1 haar alleen dan voor de verhuur van betalingsrechten betaalt indien verweerder die betalingsrechten aan appellante sub 1 uitbetaalt. Het College is van oordeel dat dit belang van appellante sub 2 bij de afwijzing van de aanvraag van appellante sub 1 om uitbetaling van de betreffende betalingsrechten voor 2016 een van appellante sub 1 afgeleid belang is. Een mogelijk financieel belang is uitsluitend gebaseerd op de contractuele relatie tussen appellante sub 1 en appellante sub 2 en is dus geen eigen belang, maar een van appellante sub 1 afgeleid belang bij die afwijzing. Appellante sub 1 en niet appellante sub 2 is geadresseerde van dat besluit.

5.3

Hieruit volgt dat appellante sub 2 geen belanghebbende is bij het bestreden besluit en dat het beroep van appellante sub 2 niet-ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van appellante sub 2 komt het College niet toe.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep van appellante sub 1 ongegrond;

- verklaart het beroep van appellante sub 2 niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. L.N. Nijhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2019.

w.g. A. Venekamp w.g. L.N. Nijhuis