Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:82

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
17/1218
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij het bepalen van de hoogte van de subsidie is verweerder terecht uitgegaan van het aantal melkkoeien dat op 26 april 2017 werd gehouden. Dat bij de openstelling van de tweede tranche van de Subsidieregeling niet is uitgegaan van het aantal melkkoeien dat op de referentiedatum voor de eerste openstellingsperiode werd gehouden, maar van het aantal melkkoeien dat op een nieuwe, latere referentiedatum werd gehouden, is niet in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel.

Wetsbepaling:

Artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Subsidieregeling bedrijfsbeëindiging melkveehouderij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2019/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1218

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 februari 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

en

de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigden: mr. N.C. Heimensen en mr. J.T. Bonhof).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant van 8 mei 2017 om subsidie op grond van de Subsidieregeling bedrijfsbeëindiging melkveehouderij (de Subsidieregeling) toegekend tot een bedrag van € 8.760,--.

Bij besluit van 18 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2018.

Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. In geschil is de hoogte van het toegekende subsidiebedrag. Appellant stelt dat bij de berekening daarvan ten onrechte is uitgegaan van het aantal melkkoeien dat hij had op 26 april 2017. Hij wijst er in dat verband op dat hij geen gebruik heeft kunnen maken van de eerste openstellingsperiode van de Subsidieregeling (welke periode liep van 20 februari 2017 tot en met 3 maart 2017), maar dat hij nadien, overeenkomstig de strekking van die regeling, runderen is blijven afvoeren omdat hij ervan uitging dat deze runderen later alsnog zouden worden meegenomen bij de berekening van de subsidie in de tweede openstellingsperiode. De afvoer van deze (negen) runderen heeft immers evenzeer bijgedragen aan de fosfaatreductie, aldus appellant. Verweerder wijst erop dat hij ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder a van de Subsidieregeling gehouden was uit te gaan van het aantal bij appellante aanwezige melkkoeien per 26 april 2017 en stelt dat het beroep van appellant zich in feite richt tegen de Subsidieregeling als zodanig.

2. De Subsidieregeling strekt er onder meer toe een bijdrage te leveren aan het reduceren van de fosfaatproductie van de melkveehouderij in 2017 door middel van het financieel stimuleren van de afvoer van 60.000 melkkoeien in het kader van bedrijfsbeëindiging. Ingevolge de Subsidieregeling, zoals deze luidde ten tijde van de aanvraag van appellant, verleent de minister subsidie voor het aantal melkkoeien dat de houder had op de dag van uitgifte van de Staatscourant waarin het besluit, waarin de desbetreffende openstellingsperiode bekend wordt gemaakt, wordt geplaatst (of het aantal melkkoeien op 1 oktober 2016 indien dit laatste aantal lager is). De aanvraag van appellant valt binnen de tweede (en laatste) openstellingsperiode van de Subsidieregeling.

3. Het betoog van appellant richt zich in wezen niet zozeer tegen het bestreden besluit als wel tegen de Subsidieregeling zelf. Appellant vindt dat de Subsidieregeling geen rekening houdt met zijn situatie. Daarom is hij het niet eens met het bestreden besluit. Het College volgt appellant in die opvatting niet en overweegt daartoe als volgt. De Subsidieregeling is een algemeen verbindend voorschrift. De rechtmatigheid van algemeen verbindende voorschriften kan worden beoordeeld in het kader van een beroep. De daarbij te hanteren toetsing houdt, kortweg, in dat de rechter een niet door de formele wetgever gegeven voorschrift buiten toepassing laat of onverbindend verklaart als er strijd is met een hogere regeling of met een algemeen rechtsbeginsel. Voor zodanige oordelen bestaan hier evenwel geen gronden. Het staat de regelgever in beginsel vrij om per openstellingsperiode van een subsidieregeling de voorwaarden te bepalen waaronder deze subsidie zal worden verleend. Dat bij de openstelling van de tweede tranche van de Subsidieregeling niet is uitgegaan van het aantal melkkoeien dat op de referentiedatum voor de eerste openstellingsperiode werd gehouden, maar van het aantal gehouden melkkoeien op een nieuwe, latere referentiedatum, strekt, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, ter voorkoming van fraude. De door de regelgever gemaakte keuze is naar het oordeel van het College niet in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel. Hoewel het College zich op zich wel kan voorstellen dat appellant, gelet op de omstandigheden van zijn geval, teleurgesteld is over de wijze waarop de regelgever de verschillende tranches van de Subsidieregeling elkaar heeft doen opvolgen, is wat appellant heeft aangevoerd niet voldoende om deze opvolging op dit punt onredelijk te achten. Het College is van oordeel dat verweerder bij het bepalen van de hoogte van de subsidie daarom terecht overeenkomstig artikel 3, derde lid, aanhef en onder a van de Subsidieregeling is uitgegaan van het aantal melkkoeien dat appellant hield op 26 april 2017. Verweerder heeft dus terecht geen rekening gehouden met de koeien die appellant heeft afgevoerd tussen de eerste en de tweede tranche van de Subsidieregeling.

4. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. B. Bastein, en mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. L ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2019.

w.g. R.R. Winter w.g. L. ten Hove