Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:77

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
18/2577
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbreken procesbelang bij vaststelling gewascode; ruigte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2577

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2019 in de zaak tussen

[naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. R.M.C.M. Bogers),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van der Zwaard).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrag vastgesteld dat appellante ontvangt aan basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling voor jonge landbouwers op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) voor het jaar 2017.

Bij besluit van 4 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het primaire besluit herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling voor jonge landbouwers gewijzigd vastgesteld.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019. Appellante is vertegenwoordigd door [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Appellante heeft op 10 mei 2017 een Gecombineerde opgave bij verweerder ingediend en hierin onder meer verzocht om de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling voor jonge landbouwers voor het jaar 2017. Daartoe heeft zij 15 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 73,20 ha.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder bepaald dat appellante voor het jaar 2017 het bedrag van € 24.932,16 krijgt uitbetaald. Hierbij heeft verweerder van de voor uitbetaling opgegeven 73,20 ha slechts 72,89 ha voor de basisbetaling en 67,37 ha voor de vergroeningsbetaling in aanmerking genomen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit herroepen en het te ontvangen bedrag gewijzigd vastgesteld op € 25.710,72.

2. Appellante kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe aangevoerd dat verweerder bij de percelen 41 en 42 ten onrechte de gewascode 334 (rand, grenzend aan bouwland, hoofdzakelijk bestaand uit blijvend grasland) heeft vastgesteld. Deze percelen betreffen stroken bouwland die op grond van een met het waterschap Brabants Delta gesloten overeenkomst fungeren als bufferzone, bestaande uit bloemen, gras en groenbemester. Dit betreft volgens appellante een zogenoemde agromilieuverbintenis. Appellante verwijst in dit verband naar een aan de Tweede Kamer gerichte brief van de staatssecretaris van Economische Zaken van 10 september 2015 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2014-2015, 28 625, nr. 226) waarin is vermeld dat periodes van onder meer agrimilieuverbintenissen niet meetellen bij de beantwoording van de vraag of er op een perceel sprake is van blijvend grasland. Dit is een uitzondering op de regel dat grasland als blijvend grasland moet worden aangemerkt, wanneer er meer dan 5 jaar grasland staat op het perceel. Appellante benadrukt dat het voor haar van groot belang is dat haar percelen niet als blijvend grasland worden aangemerkt, omdat deze kwalificatie leidt tot een aantal (verdergaande) verplichtingen, zoals de plicht tot het instandhouden van blijvend grasland, het verbod tot omzetten of omploegen en de herinzaaiplicht. Tenslotte betoogt appellante dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat perceel 41 deels is verruigd. De door verweerder in dit verband overgelegde luchtfoto’s zijn volgens appellante volstrekt onduidelijk. Bovendien is het haar op grond van de door haar gesloten agromilieuverbintenis niet toegestaan dat er ruigtes zijn, hetgeen ook feitelijk niet het geval is, aldus appellante.

3.1

In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellante geen procesbelang heeft bij de beroepsgrond over de vaststelling van de gewascode van de percelen 41 en 42, omdat sprake is van een feitelijke vaststelling die niet is gericht op rechtsgevolg. De plicht tot het instandhouden van blijvend grasland, het verbod tot omzetten en omploegen van blijvend grasland en de herinzaaiplicht, indien er is omgezet of omgeploegd, geldt immers alleen voor percelen die zijn gelegen in een Natura 2000-gebied. De percelen 41 en 42 zijn volgens verweerder niet in een Natura 2000-gebied gelegen. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de door appellante ingeroepen agromilieuverbintenis zich in dit geval niet verzet tegen het aanmerken van de percelen 41 en 42 als blijvend grasland, omdat deze verbintenis ten aanzien van de vergroeningsbetaling alleen relevant is indien sprake is van gelijkwaardige praktijken. In het geval van appellante is geen sprake van een gelijkwaardige praktijk (zoals het Akkerbouw-strokenpakket, Veldleeuwerikpakket en Vezelhennep), maar heeft appellante in de Gecombineerde opgave onder het kopje ‘Vergroening’, subkopje ‘Ecologisch aandachtsgebied’ een kruisje gezet bij het vakje ‘Algemene lijst’.

3.2

Met betrekking tot het procesbelang van appellante bij het beroep gericht tegen de door verweerder geconstateerde gewascode, overweegt het College als volgt. In beginsel geldt dat met een beroepsgrond enigerlei wijziging van het rechtsgevolg van het bestreden besluit nagestreefd moet worden, bij gebreke waarvan het procesbelang bij de beroepsgrond ontbreekt. Verweerder heeft de in geding zijnde percelen als subsidiabele landbouwgrond aangemerkt en op basis daarvan aan appellante betalingsrechten uitbetaald. Een wijziging van de gewascode, van blijvend naar tijdelijk grasland, zoals door appellante wordt voorgestaan, brengt daarin geen verandering. Daarmee is niet gezegd, dat de discussie over de vraag of verweerder deze percelen, terecht als blijvend grasland heeft geconstateerd voor appellante niet een groot belang kan hebben, bijvoorbeeld voor (het ontstaan van) de plicht tot het instandhouden van grasland, het verbod tot omzetten of omploegen en de herinzaaiplicht, maar dat is geen belang waarover het College in onderhavige beroepsprocedure tegen een besluit over de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwers uitspraak kan doen (vergelijk de uitspraak van het College van 28 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:543)). Aan de vraag of de door appellante gesloten (agromilieu-) overeenkomst met het waterschap Brabants Delta in dit geval in de weg staat aan het aanmerken van de percelen als blijvend grasland, komt het College reeds hierom niet toe.

4.1

Met betrekking tot perceel 41 heeft verweerder in het verweerschrift nader uiteengezet dat uit de luchtfoto’s blijkt dat aan de oostzijde van perceel 41 een sloot is gelegen. Een gedeelte van het door appellante ingetekende perceel betreft een talud. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 17 januari 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:12), op het standpunt dat dusdanig sprake is van verruiging dat dit gedeelte van het perceel niet kan worden aangemerkt als landbouwareaal.

4.2

Zowel voor de vaststelling van het toe te wijzen aantal betalingsrechten als voor de vaststelling van het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling, zoals hier aan de orde, is van belang dat het – kort gezegd – moet gaan om subsidiabele hectares. Onder ‘subsidiabele hectare’ wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid).

4.3

Het College is van oordeel dat verweerder op basis van de luchtfoto’s van perceel 41 terecht heeft vastgesteld dat het door hem afgekeurde deel van dat perceel niet kan worden aangemerkt als landbouwareaal en om die reden niet subsidiabel is. Verweerder heeft aan de hand van de ter zitting door hem gepresenteerde luchtfoto’s, waarop een verschil is te zien tussen het goedgekeurde deel en het afgekeurde deel van perceel 41, voldoende duidelijk gemaakt dat het afgekeurde deel ruigte betreft. Verweerder heeft dit gedeelte van het perceel terecht afgekeurd, omdat ruigte niet kan worden aangemerkt als landbouwareaal. Appellant heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat verruiging niet is toegestaan wegens strijd met de door hem met het waterschap Brabants Delta gesloten overeenkomst, is in dit verband onvoldoende.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2019.

w.g. T. Pavićević w.g. C.E.C.M. van Roosmalen