Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:75

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
18/1203
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij het bestreden besluit heeft verweerster de bezwaarschriften van appellante tegen de primaire besluiten I, II, en III niet-ontvankelijk verklaard. Appellante betoogt in beroep dat zij ontvankelijk dient te worden verklaard in haar bezwaren tegen voornoemde primaire besluiten omdat zij eerder, in een klachtschrift dat heeft geleid tot primair besluit I, door verweerster ontvankelijk is verklaard en dat zij als belanghebbende kan worden aangemerkt omdat tussen appellante en de Vereniging een civielrechtelijke procedure loopt. Het College is van oordeel dat appellante door verweerster terecht niet als belanghebbende is aangemerkt bij de primaire besluiten en verweerster de bezwaarschriften terecht niet ontvankelijk heeft verklaard. De Vereniging en de Stichting zijn zelfstandige entiteiten die die geheel los en onafhankelijk van elkaar functioneren. De omstandigheid dat appellante en de Vereniging civielrechtelijk tegen elkaar procederen brengt niet met zich mee dat appellante rechtstreeks in haar belang wordt getroffen door de besluiten houdende in de inschrijving in het handelsregister van de KvK van een viertal bestuurders van de Vereniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/498
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1203

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2019 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: A.V.M. Pruisken),

en

de Kamer van Koophandel, verweerster

(gemachtigde: mr. J.P.M. Van der Ende).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

[naam 2] , te [plaats]

[naam 3] , te [plaats]

[naam 4] , te [plaats]

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2017 (primair besluit I) heeft verweerster geregistreerd dat de [naam 2] ” (hierna: Vereniging) sinds 1 januari 2000 zonder bestuur is.

Bij besluit van 28 maart 2018 (primair besluit II) heeft verweerster besloten tot inschrijving van [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] als bestuurders van de Vereniging per 29 maart 2018 en tot inschrijving van een statutenwijziging alsmede een zetelwijziging.

Bij besluit van 6 april 2018 (primair besluit III) heeft verweerster besloten tot inschrijving van [naam 6] en [naam 7] als bestuurders van de Vereniging per 28 maart 2018.

Bij het besluit van 5 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerster de bezwaarschriften van appellante niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Derde-partijen zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij het bestreden besluit heeft verweerster de bezwaarschriften van appellante tegen de primaire besluiten I, II, en III niet-ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van het bezwaarschrift van appellante van 6 februari 2018, gericht tegen primair besluit I, heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat appellante geen concreet en reëel belang heeft bij het door haar ingediende bezwaarschrift. Daartoe voert verweerster aan dat appellante te kennen heeft gegeven dat zij het eens is met de inhoud van het besluit. Ten aanzien van de bezwaarschriften van appellante van 5 april 2018, gericht tegen primair besluit II, en van 9 mei 2018, gericht tegen primair besluit III, heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat appellante geen rechtstreeks belang heeft bij die besluiten. Het enkele feit dat appellante de intentie heeft om de Vereniging te dagvaarden, dat zij voornemens is cassatie in te stellen tegen een uitspraak van het gerechtshof, dat de Vereniging een nieuwe gerechtelijke procedure tegen appellante is gestart en dat appellante het gerechtshof op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering (Sv) heeft verzocht om een nader onderzoek in te stellen naar verduistering bij de Vereniging, brengt niet met zich dat niet dat appellante een rechtstreeks belang heeft bij die primaire besluiten.

2. Appellante betoogt in beroep dat zij ontvankelijk dient te worden verklaard in haar bezwaren tegen voornoemde primaire besluiten. Daartoe wijst appellante op de omstandigheid dat zij eerder in een klachtschrift, dat heeft geleid tot primair besluit I, door verweerster ontvankelijk is verklaard. Verder voert appellante aan dat zij als belanghebbende kan worden aangemerkt omdat tussen appellante en de Vereniging een civielrechtelijke procedure loopt. Volgens appellante heeft zij, vanwege die civielrechtelijke procedure, belang bij een juiste registratie van het bestuur van de Vereniging. Volgens appellante is het belangrijk om te weten tegen wie zij moet procederen. Tot slot wenst appellante een uitspraak van de bestuursrechter ter ondersteunend bewijs in een nog te starten naken civielrechtelijke procedure tegen de Vereniging.

3. Verweerster voert aan dat zij na lang aarzelen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van appellante om onderzoek te doen naar de Vereniging. Appellante is in dat verband als belanghebbende aangemerkt. Dit betekent volgens verweerster niet dat appellante in volgende wijzigingen aangaande het dossier van de Vereniging als belanghebbende wordt aangemerkt. De intentie van appellante om een civielrechtelijke procedure tegen de Vereniging te starten betekent niet automatisch dat appellante in het bestuursrecht belanghebbende is. Verder merkt verweerster op dat de huidige inschrijving van bestuurders geen belemmering vormt voor appellante om civielrechtelijk te procederen tegen de Verenging.

4. Het College overweegt als volgt.

4.1

Aan de orde is de vraag of appellante als belanghebbende kan worden aangemerkt. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om van een rechtstreeks belang te kunnen spreken moet er volgens vaste rechtspraak een voldoende direct geraakt belang zijn. In de eis van direct geraakt belang komt tot uitdrukking dat er een voldoende causaal verband moet zijn tussen de gevolgen van een besluit en de belangen van een partij.

4.2

Het College is van oordeel dat appellante door verweerster terecht niet als belanghebbende is aangemerkt bij de primaire besluiten en verweerster de bezwaarschriften terecht niet‑ontvankelijk heeft verklaard. De Vereniging en de Stichting zijn zelfstandige entiteiten die die geheel los en onafhankelijk van elkaar functioneren. De omstandigheid dat appellante en de Vereniging civielrechtelijk tegen elkaar procederen brengt niet met zich mee dat appellante rechtstreeks in haar belang wordt getroffen door de besluiten houdende in de inschrijving in het handelsregister van de KvK van een viertal bestuurders van de Vereniging. Ieder causaal verband tussen de gevolgen van die besluiten en het gestelde belang van appellante, duidelijkheid verkrijgen tegen wie zij procedeert, ontbreekt. Ook de wens van appellante om over een uitspraak van de bestuursrechter te kunnen beschikken ter ondersteunend bewijs in door appellante nog aanhangig te maken gerechtelijke procedure leidt niet tot de conclusie dat zij door voornoemde besluiten rechtstreeks in haar belang wordt geraakt. De omstandigheid dat appellante eerder door verweerster in haar klachtschrift als belanghebbende is aangemerkt leidt niet tot een ander oordeel. Het betoog van appellante faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019.

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. T. Kuiper