Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:731

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-10-2019
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
19/1494
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet dieren

Regeling diervoeders 2012

Verordening 178/2002

Verordening 183/2005

Verordening 767/2009

Voorlopige voorziening hangende een prematuur bezwaarschrift. Afval gebruikt als grondstof voor diervoeders. Bestuurlijke maatregelen opgelegd: verbod deze diervoeders in handel te brengen en verplichting tot tijdelijke opslag hiervan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1494

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 oktober 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

ChainCraft Amsterdam B.V., te Amsterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. J.C. Ozinga),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs).

Procesverloop

Op 18 september 2019 heeft verweerder verzoekster een e-mail gestuurd naar aanleiding van een inspectie die op 17 september 2019 bij verzoekster heeft plaatsgevonden.

Verzoekster heeft tegen deze e-mail bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 9 oktober 2019 heeft verweerder aan verzoekster twee bestuurlijke maatregelen opgelegd vanwege overtreding van de wettelijke voorschriften ten aanzien van het produceren van diervoeders.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2019.

Verzoekster, vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] , is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn voorts verschenen [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2.1

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2

Verzoekster houdt zich bezig met de productie van voedermiddelen met als bestemming diervoeder. Zij koopt hiertoe grondstoffen, waaronder groente- en fruitresten, in en zet deze om in diervoerder voor onder meer varkens en pluimvee. Verzoekster is een geregistreerd diervoederbedrijf als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder a, van Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor diervoeder hygiëne (Verordening (EG) nr. 183/2005).

2.3

Op 17 september 2019 hebben twee inspecteurs van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een controle uitgevoerd bij verzoekster. De bevindingen van deze controle zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 4 oktober 2019 met kenmerk 2019/260430230/35461. Blijkens dit rapport, voor zover hier van belang en samengevat weergegeven, zijn overtredingen geconstateerd ten aanzien van de wettelijke voorschriften waaraan een diervoederbedrijf dient te voldoen.

2.4

Op 18 september 2019 heeft verweerder verzoekster een e-mail gestuurd naar aanleiding van de controle. In deze e-mail staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Hierbij ontvangt u de bevestiging per mail van wat we gisteren hebben besproken.

Chaincraft koopt grondstoffen in die vergezeld worden door een afvalbegeleidingsdocument. Het feit dat de ingekochte grondstoffen de afvalstatus hebben gekregen maakt dat deze producten niet meer bestemd mogen worden als diervoeder.

De bovengenoemde constatering resulteert in het volgende:

- Het geproduceerde eindproduct dat is geproduceerd en momenteel in opslag staat kan niet afgezet worden met als bestemming diervoeder. (27 big bags met een totaalgewicht van 13.470 kg.)

- In de installatie zijn momenteel grondstoffen aanwezig waaruit een eindproduct zal voortkomen. Ook dit eindproduct kan niet worden afgezet met als bestemming diervoeder.

We spraken af dat u ons uiterlijk 20 september de volgende documentatie aanlevert:

(…)

Daarnaast ontvangen wij van u, zodra u een alternatieve bestemming heeft gekozen buiten diervoeder, de documentatie die aantoont waar de producten naartoe zijn afgezet.

De installatie wordt leeggedraaid. Voordat u grondstoffen gaat verwerken met de bestemming diervoeder zal de installatie gereinigd moeten worden.

Welke maatregelen gaat Chaincraft nemen om ervoor te zorgen dat de installatie geschikt wordt om diervoeder te verwerken? Voordat er diervoeder geproduceerd kan worden zal de NVWA de uitgevoerde reiniging toetsen. U kunt mij op de hoogte stellen wanneer u denkt dat de installatie gereed is voor diervoederproductie.

(…)”

2.5

In reactie heeft verzoekster verweerder bij e-mail van 21 september 2019 onder meer verzocht te bevestigen dat de e-mail van 18 september geen formele status heeft en niet op rechtsgevolg is gericht.

2.6

Verweerder heeft verzoekster daarop bij e-mail van 23 september 2019 gemeld:

“De NVWA heeft het standpunt van Chaincraft, via de advocaat, in goede orde ontvangen.

Tijdens de interpretatie/ het onderzoek van de NVWA van het aangeleverde standpunt, blijft het bevel in de door mij gestuurde e-mail van woensdag 18 september 2019, 08:48 uur, onverminderd van kracht.”

2.6

Verzoekster heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de e-mail van 18 september 2019 en de voorzieningenrechter hangende dit bezwaar verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

2.7

Met het besluit van 9 oktober 2019 heeft verweerder aan verzoekster twee bestuurlijke maatregelen opgelegd met betrekking tot de volgende producten:

“- de geproduceerde eindproducten zoals vermeld op bijlage 10 van het rapport van bevindingen (voorraadopgave, 13.471 kg eindproduct);

-de in de installatie van het bedrijf aanwezige producten zoals beschreven op bijlage 11 (overzicht hoeveelheid producten in installatie ChainCraft Amsterdam B.V., 28,61 ton).”

De bestuurlijke maatregelen houden het volgende in:

Maatregel 1

Ik leg ten aanzien van de producten een verbod op om die te vervoeren, te bewerken of te verwerken en in de handel te brengen met als bestemming diervoeder.

Maatregel 2

Ik leg de verplichting op tot tijdelijke opslag van de producten op het bedrijf of waar de producten nu voorradig zijn.

De verplichting geldt totdat u toestemming heeft van de inspecteur om de producten af te voeren van uw bedrijf.”

3.1

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2019. Verzoekster heeft aldaar toegelicht dat het reeds ingediende bezwaarschrift en verzoek om voorlopige voorziening tevens geacht moet worden betrekking te hebben op het besluit van 9 oktober 2019. Verweerder heeft daarmee ingestemd. De voorzieningenrechter ziet zich gelet op het voorgaande allereerst gesteld voor de vraag wat thans ter voorlopige toetsing voorligt en overweegt daarover het volgende.

3.2

De e-mail van 18 september 2018 is niet gericht op enig rechtsgevolg en behelst geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Met de desbetreffende email informeert verweerder verzoekster over zijn bevindingen naar aanleiding van de uitgevoerde controle en over hetgeen verweerder in verband daarmee met verzoekster heeft besproken.

3.3

Verzoekster heeft het bezwaarschrift voorafgaande aan het besluit van 9 oktober 2019, te weten op 3 oktober 2019, ingediend, zodat sprake is van een prematuur ingediend bezwaarschrift als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, onder b, van de Awb. Verzoekster kon redelijkerwijs menen dat reeds een besluit was genomen, omdat verweerder, in reactie op de e-mail van verzoekster van 21 september 2019 waarin zij verzoekt opheldering te geven omtrent de status van de e-mail van 18 september 2019, haar heeft medegedeeld dat ‘het bevel in de door mij gestuurde e-mail van woensdag 18 september 2019, 08:48 uur, onverminderd van kracht blijft’. Daarmee heeft verweerder verzoekster op het verkeerde been gezet omtrent het rechtskarakter van de e-mail van 18 september 2019.

3.4

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van een verzoek om voorlopige voorziening hangende een prematuur bezwaarschrift, waarbij inmiddels op 9 oktober 2019 alsnog een besluit tot stand is gekomen. Dit betekent dat thans de met dit besluit opgelegde bestuurlijke maatregelen ter voorlopige toetsing voorliggen.

4.1

Verzoekster voert aan dat haar werkwijze in overeenstemming is met het Unierecht en in alle gevallen veilig is voor de dier-/ en menselijke gezondheid. Alle betrokken partijen (ontdoeners, leveranciers en transporteurs), waren en zijn volgens verzoekster vanaf het moment van de eerste levering van de reststoffen bekend met het feit dat deze reststoffen worden ingezet als grondstof voor de productie van diervoeders. Door alle partijen worden de GMP+ regels toegepast, aldus verzoekster. Zij betoogt daarbij dat de ontdoeners en leveranciers zelf geen diervoederproducenten zijn en ook niet als zodanig geregistreerd hoeven te zijn. Dit volgt volgens verzoekster ook uit de mededeling van de Europese Commissie ((2019/C225/01) “Leidraad voor de uitvoering van bepaalde bepalingen van Verordening (EG) nr. 183/2005 tot vaststelling van voorschriften voor dierhygiëne” (Leidraad). Verzoekster wijst voorts op de mededeling van de Europese Commissie (2018/C133/02) “Richtsnoeren voor het gebruik van diervoeder van niet langer voor menselijke consumptie bestemde levensmiddelen” (Richtsnoeren), waaruit volgens haar blijkt dat voormalige levensmiddelen eerst als afvalstoffen kunnen worden gekwalificeerd en daarna -via verwerking- diervoeder kunnen worden.

4.2

Verzoekster voert voorts aan dat door de met het besluit van 9 oktober 2019 opgelegde maatregelen het voortbestaan van haar bedrijf in het geding is en de totale directe schade oploopt tot bijna een kwart miljoen euro.

5.1

Verweerder wijst op het rapport van bevindingen van 4 oktober 2019. Verweerder stelt dat hieruit blijkt dat verzoekster de volgende overtredingen heeft begaan:

“- het bedrijf heeft zich niet gehouden aan voorschrift 8 van Bijlage II onder het kopje ‘Productie’ van Verordening (EG) nr. 183/2005. Op grond van dit voorschrift moet de etikettering van de producten duidelijk aangeven of zij bestemd zijn voor diervoeders of andere doeleinden. Als van een bepaalde partij van een product wordt verklaard dat deze niet bestemd is voor gebruik in diervoeders, mag deze verklaring achteraf door een exploitant in een later stadium van de keten niet worden gewijzigd. Nu de producten niet geëtiketteerd zijn voor gebruik als diervoeder kunnen deze niet alsnog als grondstof voor diervoeder bestemd worden.

Nu het bedrijf niet aan dit voorschrift heeft voldaan, heeft het bedrijf een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, jo. Artikel 13, van de Regeling diervoeders 2012, jo. Artikel 5, tweede lid, jo. Bijlage II, onder het kopje Productie, onder 8, van de Verordening (EG) nr. 183/2005.

- Het bedrijf heeft diervoeders betrokken en gebruikt van inrichtingen die niet in overeenstemming met de verordening geregistreerd en/of erkend zijn.

Hiermee begaat u een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, jo. Artikel 13, van de Regeling diervoeders 2012, jo. artikel 5, zesde lid, van Verordening (EG) nr. 183/2005.

- Het bedrijf heeft diervoeders gebruikt die onder andere verpakkingsmateriaal, afkomstig van het gebruik van producten van de voedingsmiddelenindustrie, bevatten.

Hierdoor begaat u een overtreding van artikel 2.18, tweede lid, onderdeel a, van de Wet dieren, jo. artikel 3, eerste lid, onder h, van de Regeling diervoeders 2012, jo. artikel 6, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 767/2009.”

5.2

Verweerder stelt dat door deze overtredingen sprake is van een onveilig diervoeder gelet op artikel 15 van Verordening (EG) nr. 178/2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (Verordening (EG) nr. 178/2002.

6.1

Verordening (EG) nr. 178/2002 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“ Artikel 3

Overige definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

4. “diervoeders”: alle stoffen en producten, inclusief additieven, verwerkt, gedeeltelijke verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om te gebruiken voor orale vervoedering aan dieren;

5. “diervoederbedrijf”: onderneming, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die, al dan niet met winstoogmerk, actief is in productie, vervaardiging, verwerking, opslag, vervoer of distributie van diervoeders, met inbegrip van producenten die diervoeders produceren, verwerken of opslaan met het oog op vervoedering aan dieren op het eigen bedrijf;

(…)

Artikel 15

Veiligheidsvoorschriften voor diervoeders

1. Diervoeders worden niet in de handel gebracht of aan voedselproducerende

dieren vervoederd indien zij onveilig zijn.

2. Diervoeders worden geacht onveilig te zijn voor het gebruik waarvoor

zij zijn bestemd indien zij worden beschouwd als producten die:

— nadelige effecten hebben op de dierlijke of menselijke gezondheid;

— het levensmiddel dat wordt geproduceerd uit voedselproducerende

dieren, onveilig voor menselijke consumptie maken.

3. Wanneer een diervoeder waarvan is vastgesteld dat het niet aan de

veiligheidsvoorschriften voor diervoeders voldoet, deel uitmaakt van een

partij of zending diervoeder van dezelfde klasse of omschrijving, wordt

aangenomen dat dit geldt voor al het diervoeder in die partij of zending,

tenzij er na een uitvoerig onderzoek geen aanwijzingen zijn dat de rest

van de partij of zending niet aan de veiligheidsvoorschriften voor diervoeders

voldoet.

4. Diervoeders die aan specifieke communautaire bepalingen van de

levensmiddelenwetgeving voldoen, worden veilig geacht voorzover het

de aspecten betreft die onder die specifieke communautaire bepalingen

vallen.

5. Het feit dat een diervoeder voldoet aan de voor dat diervoeder

geldende specifieke bepalingen, belet de bevoegde autoriteiten niet de

nodige maatregelen te nemen om beperkingen op te leggen aan het in de

handel brengen of te eisen dat het uit de handel wordt genomen indien

er redenen zijn om te vermoeden dat het diervoeder onveilig is, al

voldoet het aan de bepalingen.

6. Wanneer specifieke communautaire bepalingen ontbreken, worden

diervoeders veilig geacht wanneer zij voldoen aan de specifieke bepalingen

van de nationale wetgeving inzake diervoeders van de lidstaat op

het grondgebied waarvan de diervoeders in het verkeer zijn gebracht,

voorzover die bepalingen worden vastgesteld en toegepast onverminderd

het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 28 en 30.

(…)”

6.2

Verordening (EG) nr. 183/2005 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 3

Definities

In deze richtlijn gelden de definities die zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 178/2002, behoudens de volgende specifieke definities:

(…)

Artikel 5

Specifieke verplichtingen

(…)

2. Voor andere dan de in lid 1 bedoelde handelingen, met inbegrip van het mengen van voeder uitsluitend voor gebruik op het eigen bedrijf met gebruikmaking van toevoegingsmiddelen of voormengsels van toevoegingsmiddelen, met uitzondering van inkuiladditieven, houden exploitanten van diervoederbedrijven zich aan de voorschriften van bijlage II, voor zover die voor de uitgevoerde handelingen relevant zijn.

(…)

6. Exploitanten van diervoederbedrijven en veehouders betrekken en gebruiken alleen diervoeders van inrichtingen die in overeenstemming met deze verordening geregistreerd en/of erkend zijn.

(…)

Artikel 9

Officiële controles, kennisgeving en registratie

1. Exploitanten van diervoederbedrijven werken met de bevoegde autoriteiten samen overeenkomstig de relevante communautaire wetgeving en de daarmee verenigbare nationale wetgeving.

2. Exploitanten van diervoederbedrijven:

a. a) stellen de bevoegde autoriteiten op de door haar met het oog op registratie voorgeschreven wijze in kennis van elke inrichting waarover zij de leiding hebben en die enigerlei activiteit in de stadia van productie, be- of verwerking, opslag, vervoer, en distributie van diervoeders uitvoert;

(…)

Bijlage II

Voorschriften voor diervoederbedrijven in een ander stadium dan de primaire productie van diervoeders als bedoeld in artikel 5, lid 1

(…)

Productie

(…)

8. De etikettering van de producten moet duidelijk aangeven of zij bestemd zijn voor diervoeders of andere doeleinden. Als van een bepaalde partij van een product wordt verklaard dat deze niet bestemd is voor gebruik in diervoeders, mag deze verklaring achteraf door een exploitant in een later stadium van de keten niet worden gewijzigd.

(…)”

6.3

Verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad, Richtlijn 80/511/EEG van de Commissie, Richtlijnen 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG van de Raad en Beschikking 2004/217/EG van de Commissie (Verordening (EG) nr. 767/2009) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 6

Beperking en verbod

1. Diervoeders bevatten geen of bestaan niet uit middelen waarvan het in de handel brengen of het gebruik als diervoeding aan beperkingen onderhevig of verboden is. De lijst van deze materialen is opgenomen in bijlage III.

(…)

Bijlage III

Lijst van middelen waarvan het in de handel brengen of het gebruik als diervoeding als bedoeld in artikel 6 aan beperkingen onderhevig of verboden is

Hoofdstuk 1: Verboden middelen

(…)

7. Verpakkingen en delen van verpakkingen afkomstig van het gebruik van producten van de voedingsmiddelenindustrie.

(…)”

7.1.1

Uit het rapport van bevindingen van 4 oktober 2019 blijkt dat verzoekster producten gebruikt die niet zijn geëtiketteerd voor gebruik als diervoeder maar als afval, zodat deze niet alsnog als grondstof voor diervoeder bestemd kunnen worden. Verzoekster betwist dat niet maar betoogt, onder verwijzing naar de Leidraad en de Richtsnoeren, dat voormalige levensmiddelen eerst als afvalstoffen kunnen worden gekwalificeerd en daarna -via verwerking- diervoeder kunnen worden.

7.1.2

Verzoekster koopt grondstoffen, waaronder groente- en fruitresten, in bij leveranciers die zich hiervan willen ontdoen, de zogeheten ontdoeners. Deze ontdoeners kwalificeren de betreffende grondstof als afvalstof en geven deze de bestemming “afval”, zo blijkt uit het etiket. Verzoekster geeft daar vervolgens alsnog de bestemming diervoeder aan. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is dit in strijd met voorschrift 8 van Bijlage II onder het kopje ‘Productie’ van Verordening (EG) nr. 183/2005. Dit voorschrift stelt duidelijk dat de etikettering van producten direct dient aan te geven of deze zijn bestemd voor diervoeders en dit niet in een later stadium van de keten mag worden gewijzigd.

7.1.3

Ter zitting is door verzoekster gewezen op het “Stroomdiagram van levensmiddel tot diervoeder” in hoofdstuk 1 van de Richtsnoeren. Verzoekster betoogt dat de in dit stroomdiagram opgenomen stippellijn tussen afvalwetgeving en diervoederwetgeving op haar van toepassing is. Als verklaring voor de stippellijn wordt bij het stroomdiagram ‘bijzondere omstandigheden’ genoemd. Deze bijzondere omstandigheden worden echter niet nader gespecificeerd in de Richtsnoeren. Het is de voorzieningenrechter dan ook onduidelijk wanneer van deze bijzondere omstandigheden, waarin volgens de interpretatie van verzoekster van afval diervoeder kan worden gemaakt, sprake is. Verzoekster heeft haar stellingname op dit punt dit, hoewel daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld, ook niet nader geconcretiseerd.

7.1.4

Voor zover verzoekster stelt dat op grond van EU regelgeving de door haar ingekochte afvalstoffen zonder meer als grondstof voor diervoeder kunnen worden gebruikt en daartoe wijst op de Kaderrichtlijn Afvalstoffen, Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen, wordt overwogen dat deze gewijzigde richtlijn nog niet in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd en ook nog niet hoeft te zijn (5 juli 2020). De richtlijn regelt, onder nog nader te stellen voorwaarden, dat afvalstoffen met de bestemming diervoeder, waar in het geval verzoekster dus geen sprake van is, niet langer zowel aan de afvalstoffenregelgeving als aan de wettelijke voorschriften voor diervoeder hoeven te voldoen. Een zodanige afvalstof valt niet langer onder het afvalstoffenregime. In het geval de desbetreffende uitzondering al van kracht zou zijn, brengt dat dus niet met zich mee dat dat de handelwijze van appellante niet langer overtredingen oplevert van de wettelijke voorschriften waaraan (een) diervoeder(bedrijf) dient te voldoen. Het betoog faalt.

7.2.1

Uit het rapport van bevindingen van 4 oktober 2019 blijkt dat verzoekster diervoeders heeft betrokken en gebruikt van inrichtingen die niet in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 183/2005 zijn geregistreerd en/of erkend. Verzoekster heeft dit bevestigd, maar betoogt dat dit ook niet nodig is, omdat, onder verwijzing naar de Leidraad en de Richtsnoeren, bij haar pas de diervoederketen begint.

7.2.2

Verzoekster betrekt grondstoffen van levensmiddelenbedrijven die niet zijn geregistreerd en/of erkend als diervoederbedrijf. Anders dan verzoekster in haar aanvullende reactie van 9 oktober 2019 stelt, blijkt uit het rapport van bevindingen van 4 oktober 2019 dat de betreffende levensmiddelenbedrijven niet overeenkomstig de GMP+ richtlijnen (Good Manufacturing Practice), die zijn gebaseerd op de diervoederwetgeving en HACCP (Hazard Analysis and Critical Control Points), handelen. Bovendien blijkt daaruit dat deze bedrijven, waaronder in ieder geval Nature’s Pride B.V., zich er niet van bewust zijn dat zij grondstoffen leveren aan verzoekster ten behoeve van het produceren van diervoeder. Appellante heeft de juistheid van deze bevindingen niet gemotiveerd betwist.

7.2.3

Voor zover verzoekster heeft betoogd dat met het door haar gehanteerde poortwachtersprotocol voor de aankoop van levensmiddelen de diervoederveiligheid wordt geborgd, overweegt de voorzieningenrechter dat dit poortwachtersprotocol een contractueel beding betreft tussen verzoekster en haar leveranciers. Het ontslaat verzoekster niet van haar eigen verantwoordelijkheid en de op haar rustende verplichting om de op haar van toepassing zijnde regelgeving ten aanzien van het produceren van diervoeders onverkort na te leven. Bovendien blijkt uit de verklaringen van de betrokken leveranciers, zoals weergeven in het rapport van bevindingen van 4 oktober 2019, dat deze hun contractuele verplichtingen op dit punt niet naleven en zelfs geen dan wel nauwelijks kennis hebben van de implicaties van het met verzoekster overeengekomen poortwachterschap en welke verplichtingen daaruit voor hen voortvloeien. Zo wordt namens leverancier Nature’s Pride B.V. verklaard: “Wij leveren afval en dat gaat naar vergisters. Nature’s Pride is niet betrokken bij diervoeder. Er is geen productstroom richting diervoeder. Er is een pilot om te bezien of we in de toekomst de groente- en fruitresten als diervoeders in kunnen zetten. GMP+ certificering komt dan in beeld. Ook de NVWA registratie wordt dan besproken. Wij zijn er ons van bewust dat voor diervoeding meer nodig is dan wat we nu doen”. Appellante heeft de juistheid van deze bevindingen niet gemotiveerd betwist. Het betoog faalt.

7.3

Uit het rapport van bevindingen van 4 oktober 2019 blijkt tot slot dat verzoekster bij het produceren van diervoeders grondstoffen gebruikt die onder andere verpakkingsmateriaal, afkomstig van het gebruik van producten van de voedingsmiddelenindustrie, bevatten. Verzoekster heeft ter zitting bevestigd dat verpakkingsmateriaal tussen de door haar gebruikte grondstoffen kan zitten, maar dat dit bij het omzettingsproces wordt verwijderd. Daargelaten of het betoog van verzoekster klopt, hetgeen de voorzieningenrechter thans zonder nader onderzoek niet kan vaststellen, volgt uit artikel 6, eerste lid, in samenhang bezien met punt 7, van hoofdstuk 1, van bijlage III van Verordening (EG) nr. 767/2009 dat het gebruik van verpakkingsmateriaal voor het produceren van diervoeder verboden is. Ook de door verzoekster aangehaalde Leidraad en Richtsnoeren voorzien niet in het gebruik van verpakkingsmateriaal bij het produceren van diervoeder.

7.4

Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter terecht de betreffende overtredingen vastgesteld. Verweerder heeft mogen uitgaan van een onveilig diervoeder als bedoeld in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 178/2002, dat niet in de handel mag worden gebracht of aan voedselproducerende dieren mag worden vervoederd. Verweerder is derhalve bevoegd om de in het besluit van 9 oktober 2019 vervatte maatregelen op te leggen. Te meer daar het door verzoekster geproduceerde diervoeder bedoeld is voor voedselproducerende dieren, waardoor dit in de voedselketen terecht komt.

8. In het kader van de te maken belangenafweging wordt het volgende overwogen. Verzoekster heeft in de stukken en ter zitting benadrukt dat door de met het besluit van
9 oktober 2019 opgelegde maatregelen het voortbestaan van haar bedrijf in het geding is. Zij heeft echter nagelaten dit concreet met feiten te onderbouwen, bijvoorbeeld met stukken inzake haar financiën. Daar komt bij dat verweerder ter zitting, hetgeen door verzoekster niet is weersproken, heeft gewezen op de aanwezigheid van een reservecultuur waarmee verzoekster haar productieproces opnieuw kan beginnen. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter bij afweging van de betrokken belangen het belang dat verweerder heeft bij de waarborging van de veiligheid van diervoeders door de gehele voedselketen van meer gewicht dan het belang van verzoekster bij het in de handel brengen van de door haar geproduceerde eindproducten alsook de in de installatie van verzoekster aanwezige producten.

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2019.

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. A. Verhoeven