Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:730

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
19/1493
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet dieren

Besluit houders van dieren

Voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen last onder bestuursdwang vanwege overtredingen van de Wet dieren en Besluit houders van dieren. Verweerder voorshands overtredingen voldoende onderbouwd. Geen aanleiding voor het treffen van een voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1493

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 oktober op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.L. Baar),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R.H.M. Sipman).

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtredingen van de Wet dieren.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder is voorts verschenen [naam 2] , districtsinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID).

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2.1

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2

Op 20 augustus 2019 heeft een agent van de (dieren)politie, in samenwerking met twee inspecteurs van de LID, naar aanleiding van eerdere bestuursrechtelijke besluiten, een controle uitgevoerd bij verzoeker. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in het toezichtrapport van 24 augustus 2019.

2.3

Bij het primaire besluit is aan verzoeker, onder verwijzing naar het toezichtrapport van 24 augustus 2019, een last onder bestuursdwang alsmede een last ter voorkoming van herhaling opgelegd. Daarbij zijn verzoeker de volgende maatregelen opgelegd:

“U neemt maatregel 1 en 2 per direct en de maatregelen 3 t/m 6 voor 23 september 2019 en houdt deze maatregelen in stand:

1. Zorg dat uw hamsters, muizen, konijnen en hond voldoende vers en schoon drinkwater hebben. Uw hamsters, muizen, konijnen en hond moeten goed bij dit water kunnen komen.

2. Zorg dat uw konijnen, muizen en hamsters genoeg gezond en voor de soort en leeftijd geschikt voer krijgen. (…) Dit voer moet goed toegankelijk zijn voor uw konijnen, muizen en hamsters.

3. Zorg dat de ruimtes waar u uw hamsters, muizen, konijnen, hond, slangen, grijze roodstaartpapegaaien, parkieten en parkietachtigen houdt voldoende verse lucht binnenkomt. Alle ruimtes waarin dieren aanwezig zijn, moeten goed geventileerd zijn en de dieren moeten voldoende frisse lucht hebben.

4. Zorg dat in de ruimtes waar u uw slangen, vogels, konijnen, cavia’s, hamsters, muizen en vissen houdt voldoende daglicht is. (…)

5. Zorg dat uw konijnen, grijze roodstaartpapegaaien en parkietachtigen altijd een schone en hygiënische huisvesting hebben.

6. Zorg dat de verblijven van uw slangen, vissen, muizen, konijnen, grijze roodstaartpapegaaien, agapornissen, parkietachtigen welke lijken op kakariki’s, grasparkieten en kanaries geschikt zijn voor de diersoort die u hierin houdt. (…) Volg voor wat betreft de slangen het plan opgemaakt door dierenarts [naam 3] (zie bijlage).”

2.4

Op 24 september 2019 heeft naar aanleiding van het primaire besluit een hercontrole bij verzoeker plaatsgevonden. Daarbij zijn een groot deel van de dieren van verzoeker in bewaring genomen.

3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verzoeker afstand heeft gedaan van een aantal dieren die in bewaring zijn genomen. Thans ziet zijn verzoek om voorlopige voorziening nog op de volgende in bewaring genomen dieren: 43 slangen, 3 goudvissen, 2 grijze roodstaartpapegaaien, 2 pyrrhura’s en 2 kanaries. Verzoeker heeft daarbij toegelicht dat zijn spoedeisend belang is gelegen in de per dag oplopende kosten voor de opvang van zijn in bewaring genomen dieren. Verweerder heeft dit niet betwist.

4. Verzoeker betoogt dat het primaire besluit onterecht is opgelegd. Verzoeker voert aan dat niet is gebleken dat zijn slangen niet in goed gezondheid verkeerden en dat de huisvesting van zijn slangen op orde was. Hij is het niet eens met het hem opgelegde huisvestingsplan voor zijn slangen dat is opgemaakt door dierenarts [naam 3] . Verzoeker betwist voorts de door verweerder aangehaalde huisvestingsnormen uit de huisdierenbijsluiters van het Landelijk Informatie Centrum gezelschapsdieren (LICG huisdierenbijsluiters) voor zijn grijze roodstaartpapegaaien en dat sprake is van een overtreding wat betreft zijn goudvissen.

5. Verweerder stelt dat bij vier controles bij verzoeker tussen eind mei en eind september van dit jaar telkens dezelfde overtredingen zijn geconstateerd. Uit de gedetailleerd beschreven bevindingen in de opgemaakte toezichtrapporten, zo ook uit het toezichtrapport van 24 augustus 2019 welke ten grondslag ligt aan het primaire besluit, komt een duidelijk beeld naar voren van wat er bij verzoeker is geconstateerd en welke de overtredingen zijn. Volgens verweerder kan worden afgeweken van de in de LICG huisdierenbijsluiters opgenomen normen, maar dient dan wel aannemelijk te worden gemaakt dat aan de fysiologische behoeften van een dier wordt voldaan, hetgeen verzoeker niet heeft aangetoond.

6.1.1

Ten aanzien van de slangen wordt het volgende overwogen.

Op 16 juli 2019 heeft een controle bij verzoeker plaatsgevonden waarbij een gespecialiseerde dierenarts voor reptielen en amfibiën, [naam 3] , aanwezig was. Deze dierenarts heeft naar aanleiding van haar bevindingen ten aanzien van de huisvesting van de slangen van verzoeker een plan opgesteld om deze te verbeteren. Deze verbeterpunten bestaan onder meer uit het vergroten van het verblijf van de slangen, het realiseren van een temperatuur gradiënt en het plaatsen van een voldoende grote waterbak om aan de fysiologische behoeften van de betreffende slangen te kunnen voldoen.

6.1.2

Voornoemd plan is verzoeker in ieder geval vanaf 5 augustus 2019 bekend, nu op deze datum aan verzoeker een last onder dwangsom is opgelegd, waarbij eveneens een maatregel om wat betreft de huisvesting van de slangen te voldoen aan het plan van dierenarts [naam 3] was opgelegd. Verzoeker betwist hetgeen in voornoemd plan staat opgenomen op basis van zijn eigen opvattingen ten aanzien van de huisvesting van slangen en heeft dit plan dan ook niet uitgevoerd, zoals ook blijkt uit het toezichtrapport van 24 augustus 2019. Verzoeker heeft zijn opvattingen echter niet concreet onderbouwd, bijvoorbeeld met een verklaring van een andere gespecialiseerde dierenarts dan wel andere bewijsstukken. De voorzieningenrechter ziet dan ook voorshands geen aanleiding om voorbij te gaan aan het door dierenarts [naam 3] opgestelde huisvestingsplan voor de slangen van verzoeker. Nu verzoeker hieraan niet heeft voldaan acht de voorzieningenrechter voorshands de door verweerder geconstateerde overtreding ten aanzien van de slangen op dit punt voldoende onderbouwd

6.2.1

Ten aanzien van de grijze roodstaartpapegaaien wordt het volgende overwogen.

Uit het toezichtrapport van 24 augustus 2019 komt naar voren dat de huisvesting van de grijze roodstaartpapegaaien, te weten kooien met afmetingen van 0,80 meter hoog, 0,60 meter breed en 0,55 meter diep, te klein is. In het toezichtrapport wordt gewezen op de afmetingen van de kooi genoemd in de LICG huisdierenbijsluiter voor de grijze roodstaartpapegaaien, welke 1,20 meter hoog, 1,00 meter breed en 0,80 meter diep, bedragen.

6.2.2

Verzoeker betwist de in de LICG huisdierenbijsluiter genoemde noodzakelijke afmetingen voor de kooien van zijn grijze roodstaartpapegaaien. Hij wijst in dit verband, maar heeft de betreffende passage niet overgelegd, op het boek “Grijze roodstaartpapegaai”, van Ellen Uittenbogaard uit 2005, waarin minimale afmetingen van 0,75 meter hoog, 0,6 meter breed en 0,6 meter diep zouden worden genoemd. De voorzieningenrechter overweegt dat, daargelaten wat de status is van de LICG huisdierenbijsluiters en hoe deze zouden moeten worden toegepast, het verschil tussen de afmetingen genoemd in de LICG huisdierenbijsluiter en genoemd door verzoeker, zodanig groot is dat verzoeker gelet op dit verschil niet aannemelijk heeft gemaakt dat desondanks aan de fysiologische behoeften ten aanzien van de huisvesting van zijn grijze roodstaartpapegaaien wordt voldaan. De voorzieningenrechter acht voorshands de door verweerder geconstateerde overtreding ten aanzien van de grijze roodstaartpapegaaien op dit punt voldoende onderbouwd.

6.3

Ten aanzien van de goudvissen wordt het volgende overwogen.

Uit het toezichtrapport van 24 augustus 2019 blijkt dat de drie goudvissen van verzoeker werden gehuisvest in een te kleine vissenkom met een laagje troebel water, zonder verrijking, schuilmogelijkheid of toevoeging van zuurstof. Verzoeker heeft deze bevindingen niet gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter acht voorshands de door verweerder geconstateerde overtreding ten aanzien van de goudvissen gezien voornoemde omstandigheden bij elkaar voldoende onderbouwd.

6.4

Ten aanzien van de overige vogeltjes wordt het volgende overwogen.

Uit het toezichtrapport van 24 augustus 2019 blijkt dat de vogeltjes werden gehuisvest in te kleine kooien. Voor zover verzoeker heeft betoogd dat van een gedeelte van de hokken niet is opgemeten, zodat geen overtreding kan worden vastgesteld, heeft [naam 2] ter zitting toegelicht dat zij vanuit haar ervaring als districtsinspecteur bij de LID, standaard vogelkooien herkent en daarmee de afmetingen daarvan goed kan inschatten en zo nodig kan nazoeken via internet. De betreffende vogeltjes heeft zij aangetroffen in standaard vogelkooien die te klein zijn om aan de fysiologische behoeften van de diertjes te voldoen. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter voorshands de door verweerder geconstateerde overtreding ten aanzien van de overige vogeltjes voldoende onderbouwd.

6.5

De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande tot het voorlopige oordeel dat de bij de controle van 20 augustus 2019 geconstateerde feiten ten aanzien van de door verzoeker gehouden 43 slangen, 3 goudvissen, 2 grijze roodstaartpapegaaien, 2 pyrrhura’s en 2 kanaries voldoende grondslag boden tot het opleggen van de in het primaire besluit opgenomen maatregelen ten aanzien van deze dieren. Gelet hierop bestaat ten aanzien van deze maatregelen dan ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A. Verhoeven