Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:679

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-12-2019
Datum publicatie
17-12-2019
Zaaknummer
18/2223
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Met appellant is het College van oordeel dat voor de vraag of de uitscharingsregeling moet worden toegepast, het houderschap van het uitgeschaarde vee een bepalende factor is.

Verweerder gaat, om te bepalen aan wie het fosfaatrecht toekomt, ingevolge het bepaalde in artikel 23, derde lid, van de Msw in beginsel terecht uit van de I&R registratie. Deze kan over het algemeen immers voor juist worden gehouden waar het gaat om de vraag wie de dieren houdt. Dat laat onverlet dat in voorkomende gevallen door de melkveehouder aan de hand van voldoende tegenbewijs aangetoond kan worden dat de I&R registratie niet de werkelijke situatie ten tijde van de peildatum weergeeft. In dat geval dient van de aangetoonde, werkelijk situatie te worden uitgegaan. Uit de door appellant gegeven omschrijving van de bedrijfsvoering volgt dat hij (opnieuw) houder was van het vee, nadat het vee eenmaal was teruggekomen van de inschaarder. Appellant heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat verweerder in dit specifieke geval niet, althans niet zonder nadere motvering, uit heeft mogen gaan van de I&R registratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2020/25 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2223

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2019 in de zaak tussen

[naam 1] , handelend onder de naam [naam 1] , Handel en Loon-bedrijf, te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. M.J.J. de Winter),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A.R. Alladin en mr. K.M.A. Snijders).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel

23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Bij besluit van 27 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 4, 96 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd. Indien een landbouwer voor 1 april 2018 heeft gemeld en aangetoond dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, wordt ingevolge het vijfde lid van artikel 23 van de Msw juncto artikel 127a van de Uitvoeringsregeling Msw, het fosfaatrecht, bedoeld in het derde lid, verhoogd en wordt het fosfaatrecht van de landbouwer die dat melkvee op die datum had ingeschaard, met diens instemming verlaagd.

1.2

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellant voert sinds 1 april 1996 een eenmanszaak en is vanaf 1 januari 1997 tevens maat van de maatschap [naam 4] . [naam 2] is de vader van appellant. De maatschap staat bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als houder van melkvee, de eenmanszaak staat geregistreerd als handel- en loonbedrijf met verschillende activiteiten, waaronder het opfokken van jongvee voor de melkveehouderij en het fokken en houden van koeien en jongvee. Op 1 juni 2015 heeft de eenmanszaak 63 stuks jongvee ondergebracht bij vleesveebedrijf [naam 3] . Vanuit de maatschap zijn dezelfde dag 70 stuks jongvee ondergebracht bij hetzelfde vleesveebedrijf. De dieren stonden daar nog op de peildatum

2 juli 2015 en zijn daarna allemaal (133) ondergebracht bij de maatschap.

Besluiten van verweerder

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 335 kg. Wat betreft de dieraantallen is verweerder uitgegaan van de op de peildatum op naam van de eenmanszaak van appellant geregistreerde dieren: 6 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 15 stuks jongvee van 1 jaar en ouder. De vastgestelde hoeveelheid fosfaatrecht is in bezwaar gehandhaafd. De op 29 maart 2018 door de maatschap ingediende melding in- en uitscharen fosfaatrechten heeft er niet toe geleid dat het fosfaatrecht van de maatschap of dat van appellant is verhoogd.

Beroepsgronden

4.1

Appellant doet een beroep op de regeling van artikel 23, vijfde lid, van de Msw. Verweerder verwijt hem dat hij wel vee heeft uitgeschaard, maar niet weer ingeschaard. Dat is onterecht, omdat de wet enkel de uitscharing als eis stelt en niet de terugscharing. Voor zover de terugscharing relevant is, gaat verweerder er ten onrechte van uit dat appellant en de maatschap twee afzonderlijke bedrijven zijn. In dit geval wordt gebruik gemaakt van dezelfde gebouwen en landbouwgronden, is de beweiding en verzorging eenduidig en is het vee niet van elkaar gescheiden. Derhalve is feitelijk sprake van één bedrijf. De uitschaarder en de inschaarder kwalificeren ook beiden als houder van het jongvee en dat is bepalend voor de toekenning van fosfaatrechten.

4.2

Verder stelt appellant dat het besluit onevenredig is en dat zijn eigendomsrecht is aangetast. Door de te lage vaststelling van fosfaatrecht rust op hem een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 van het EP. Door de toevallige, onvoorzienbare peildatum wordt geen rekening gehouden met de bestendige, agrarische praktijk van appellant bij in- en uitscharen.

Standpunt van verweerder

5. Volgens verweerder wordt niet voldaan aan de uitscharingsregeling, omdat appellant (de eenmanszaak) het vee wel heeft uitgeschaard, maar niet heeft teruggeschaard. Het is immers naar de maatschap gegaan. Uitscharen impliceert dat de dieren terugkeren naar het bedrijf van appellant. De eenmanszaak is een van de maatschap te onderscheiden bedrijf, dat afzonderlijk voldoet aan de definitie van bedrijf in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Msw. Beide bedrijven hebben een eigen relatienummer en UBN-nummer, ze staan afzonderlijk geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en hebben andere rechtsvormen en andere startdata. Al jaren geven ze beide hun eigen gecombineerde opgave op. Van strijd met artikel 1 van het EP of met het evenredigheidsbeginsel is volgens verweerder ook geen sprake.

Beoordeling

6.1

Met appellant is het College van oordeel dat voor de vraag of de uitscharingsregeling moet worden toegepast, het houderschap van het uitgeschaarde vee een bepalende factor is. Daartoe wijst het College erop dat in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2015–2016, 34 532, nr. 3, blz. 18-19) valt te lezen:

“Bedrijven krijgen een hoeveelheid fosfaatrechten toegekend die volgt uit het aantal gehouden stuks melkvee op 2 juli 2015 (…) en de op de gemiddelde melkproductie per koe gebaseerde forfaitaire fosfaatexcretie en de forfaitaire fosfaatexcretie voor jongvee (...).

Wat betreft het begrip “houden van dieren” (…) gaat het om het feitelijke houderschap, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juni 1998 (NJ 1998/714) heeft uitgemaakt met betrekking tot het destijds van kracht zijnde stelsel van productierechten. Het is van ondergeschikt belang of de houder ook de eigenaar van de dieren is. In het geval van uitgeschaarde dieren gaat het voor wat betreft de toekenning van de fosfaatrechten dus niet om wie de eigenaar was van het melkvee op de peildatum van 2 juli 2015, maar om de feitelijke houder van de dieren, wie feitelijk de dieren in zijn stal onderbracht, op zijn land weid[d]e en de verzorging op zich nam.”.

6.2

Uitgaande van de I&R registratie is het jongvee waar het hier om gaat niet teruggegaan naar de uitschaarder. Verweerder gaat, om te bepalen aan wie het fosfaatrecht toekomt, ingevolge het bepaalde in artikel 23, derde lid, van de Msw in beginsel terecht uit van deze registratie. Deze kan over het algemeen immers voor juist worden gehouden waar het gaat om de vraag wie de dieren houdt. Dat laat onverlet dat in voorkomende gevallen door de melkveehouder aan de hand van voldoende tegenbewijs aangetoond kan worden dat de I&R registratie niet de werkelijke situatie ten tijde van de peildatum weergeeft. In dat geval dient van de aangetoonde, werkelijk situatie te worden uitgegaan. Uit de door appellant gegeven omschrijving van de bedrijfsvoering volgt dat hij (opnieuw) houder was van het vee, nadat het vee eenmaal was teruggekomen van de inschaarder. Er wordt op de bedrijfslocatie van appellant en de maatschap immers geen onderscheid gemaakt tussen appellant en de maatschap bij de dagelijkse huisvesting en verzorging van het vee. Deze situatie heeft verweerder niet weersproken. Daarmee heeft appellant genoegzaam aannemelijk gemaakt dat verweerder in dit specifieke geval niet, althans niet zonder nadere motvering, uit heeft mogen gaan van de I&R registratie. De beroepsgrond van appellant slaagt.

Slotsom

7. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. Het College komt niet toe aan bespreking van de overige beroepsgronden. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het College zal niet zelf in de zaak voorzien, omdat op de zitting is gebleken dat onduidelijk is of er toestemming is van de inschaarder voor overheveling van de rechten. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar. Verweerder dient verder het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden en het College zal verweerder veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan appellant te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig-Rocour, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2019.

w.g. T.L. Fernig-Rocour w.g. J.M. Baars