Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:678

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-12-2019
Datum publicatie
17-12-2019
Zaaknummer
18/2046
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Artikel 23, zesde lid, van de Msw. Het beroep van appellante op de knelgevallenregeling kan niet slagen. Ook in geval van (deels gerealiseerde) uitbreidingsplannen wordt een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum. Daarbij wordt geen rekening gehouden met (nog) niet gerealiseerde uitbreidingen. Het College ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. Dit betekent dat verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling en dat deze beroepsgrond niet slaagt. Het College is verder van oordeel dat appellante geen vergoeding toekomt voor de proceskosten in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2020/24 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2046

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2019 in de zaak tussen

firma [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. R. Scholten),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.E. Loontjens).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 10 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar deels gegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 28 augustus 2018 heeft verweerder het bestreden besluit herzien (het wijzigingsbesluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2019. Voor appellante is verschenen [naam 2] bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd. Ingevolge het zesde lid van dit artikel verhoogt verweerder op een daartoe strekkend verzoek het fosfaatrecht indien de landbouwer aantoont dat het krachtens het derde lid op het bedrijf rustende fosfaatrecht minimaal 5% (5%-drempel) lager is door, voor zover hier van belang, bouwwerkzaamheden.

1.2.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, vergoedt het bestuursorgaan de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Feiten

2. Appellante exploiteerde een melkveehouderij met ongeveer 50 melk- en kalfkoeien. Op 30 april 2015 kocht zij elders grond en stallen om uitbreiding van haar veestapel mogelijk te maken. Zij beschikte op de peildatum over een vergunning voor het houden van 92 melk- en kalfkoeien en 78 stuks jongvee. Omdat de aangekochte stallen verouderd waren, heeft appellante deze eerst gemoderniseerd. Op 2 juli 2015 (de peildatum) waren op het bedrijf van appellante 64 melk- en kalfkoeien en 41 stuks jongvee aanwezig.

Besluiten van verweerder

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 3.055 kg. Wat betreft de dieraantallen is verweerder uitgegaan van de aantallen die op de peildatum op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft een korting toegepast van 117,2 kg. Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden besluit het fosfaatrecht vastgesteld op 3.056 kg en bij het wijzigingsbesluit op 3.087 kg.

Beroepsgronden

4. Appellante voert aan dat verweerder haar fosfaatrecht moet verhogen op grond van artikel 23, zesde lid, van de Msw omdat zij door de noodzakelijke verbouwing (modernisering) de nieuwe stallen op de peildatum nog niet vol had staan met het haar vergunde aantal dieren. Zij voert aan dat deze bepaling de ruimte biedt om de voorgenomen groei mee te nemen. Verder betoogt appellante dat verweerder dient te worden veroordeeld tot betaling van de in bezwaar gemaakte proceskosten.

Standpunt van verweerder

5. In het bestreden besluit heeft verweerder het beroep op artikel 23, zesde lid, van de Msw verworpen omdat appellante in het verleden (steeds) een kleinere veestapel hield dan op de peildatum en zodoende de 5%-drempel niet haalt. Met niet gerealiseerde uitbreidingsplannen houdt verweerder geen rekening. Verweerder meent verder dat appellante niet in aanmerking komt voor vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten, omdat het primaire besluit niet toerekenbaar onrechtmatig is genomen.

Beoordeling

6.1

Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op het wijzigingsbesluit. Niet gesteld of gebleken is dat appellante nog belang heeft bij beoordeling van het bestreden besluit. Voor zover het beroep is gericht tegen het bestreden besluit zal het daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Het College overweegt als volgt over het beroep voor zover dat is gericht tegen het wijzigingsbesluit.

6.2

In het geval van appellante was de beoogde bedrijfsgroei vanwege de op de peildatum in gang zijnde verbouwing van de net aangekochte nieuwe stallen nog niet gerealiseerd. Zoals het College in zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NLCBB:2019:4, onder 5.2) heeft geoordeeld en in de uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232, onder 4.1) heeft bevestigd, wordt ook in geval van (deels gerealiseerde) uitbreidingsplannen een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum. Daarbij wordt geen rekening gehouden met (nog) niet gerealiseerde uitbreidingen. Het College ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. Dit betekent dat verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling en dat deze beroepsgrond niet slaagt.

6.3

Het College is verder van oordeel dat appellante geen vergoeding toekomt voor de proceskosten in bezwaar. Uit het wijzigingsbesluit in samenhang met de toelichting van verweerder op zitting volgt dat de fosfaatruimte van het bedrijf, en daardoor het fosfaatrecht, is verhoogd omdat appellante in bezwaar gegevens (te weten een grondmonster) heeft overgelegd waarover verweerder niet eerder beschikte. Appellante heeft dit niet betwist maar stelt dat verweerder proceskosten moet vergoeden als hij terug komt van zijn primaire besluit. Hiermee miskent appellante dat verweerder alleen de proceskosten moet vergoeden als het primaire besluit is herroepen vanwege een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid (zie onder 1.2). Dat, zoals appellante stelt, verweerder desondanks in andere zaken, zoals over de melkproductie, altijd tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar over zou gaan, is betwist door verweerder en heeft appellante niet nader onderbouwd. Deze beroepsgrond faalt.

Slotsom

7.1.

Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het wijzigingsbesluit ongegrond. Omdat verweerder het fosfaatrecht in het wijzigingsbesluit heeft bijgesteld zal het College bepalen dat verweerder het betaalde griffierecht aan appellante vergoedt en verweerder veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het wijzigingsbesluit ongegrond;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig-Rocour in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2019.

w.g. T.L. Fernig-Rocour w.g. F. Willems