Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2019:663

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-12-2019
Datum publicatie
10-12-2019
Zaaknummer
19/23
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 5:32b van de Awb

Invorderingsbesluit. . Een belanghebbende kan in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Geen uitzonderlijk geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2020/34
JOM 2020/255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/23

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant,

(gemachtigde: H.L. Janssen)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs).

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2018 (primair besluit I) heeft verweerder beschikt omtrent de invordering van een dwangsom van € 19.750,-.

Bij besluit van 13 april 2018 (primair besluit II) heeft verweerder aan appellant een last onder bestuursdwang ter voorkoming van herhaling opgelegd.

Bij besluit van 15 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen primair besluit I gegrond verklaard en de hoogte van de dwangsom vastgesteld op € 18.500,-. Het bezwaar van appellant tegen primair besluit II heeft verweerder ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2019.

Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Appellant exploiteert een varkenshouderij. Bij besluit van 11 september 2017 heeft verweerder aan appellant een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtredingen van het Besluit houders van dieren. Daarbij zijn aan appellant de volgende maatregelen opgelegd:

“U neemt de maatregelen 1 tot en met 7 voor 15 september en de maatregelen 8 en 9 voor 1 oktober 2017:

1. Zorg voor de juiste lichtintensiteit in de stallen of de inrichtingen stallen/locatie noemen waarin u uw varkens huisvest. Dit houdt in dat deze lichtintensiteit, verticaal op dierhoogte gemeten, ten minste 40 lux gedurende ten minste 8 uur per dag is.

2. Zorg dat de behuizing, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier op zodanige wijze zijn ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt. Verwijder of repareer alle scherpe en uitstekende delen, zodat deze geen verwondingen of beschadigingen bij de dieren kunnen veroorzaken.

3. Breng voldoende geschikte afleidingsmateriaal aan voor alle varkens en in alle hokken waarin u varkens houdt.

4. Zorg dat uw varkens altijd een toereikende, schone en comfortabele huisvesting hebben.

5. Zorg voor voldoende beschikbaar (dicht) vloeroppervlakte voor de beren.

6. Zorg dat het dichte deel van de vloer bestemd voor beren is voorzien van strooisel zodat u de hier gehuisveste dieren op de juiste wijze kunt houden.

7. U moet er blijvend voor zorgen dat de medische zorg (onder andere het toegediende medicijn, datum medicijnverstrekking, identificatie van de dieren die medicatie hebben gekregen) en het bij iedere controle geconstateerd aantal sterfgevallen wordt bijgehouden in een register medische zorg. Deze moet u op verzoek van de ambtenaren van de NVWA en/of dierenarts van de NVWA direct tonen. Om dit register op een juiste manier te kunnen controleren moet de betreffende dieren gemerkt en gemeld te zijn volgens de geldende regelgeving.

8. Zorg dat de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van de dieren niet schadelijk zijn.

9. Zorg dat een gelt of een zeug zonder biggen in voerligboxen worden gehouden waarbij elk varken de beschikking heeft over een vrije ruimte die een lengte van ten minste 2 meter.

Indien aan deze maatregelen niet wordt voldaan, verbeurt appellant per overtreding van maatregel 1 tot en met 5 en 7 tot en met 9 een dwangsom van € 1.500,- tot een maximum van € 4.500,- per maatregel. Voor het niet uitvoeren van maatregel 6, verbeurt appellant per overtreding € 250,- tot een maximum van € 750,-. Deze last onder dwangsom is gedurende twee jaar van toepassing.

1.3

Bij besluit van 4 oktober 2017 heeft verweerder de begunstigingstermijn voor maatregel 8 en 9 verlengd naar 10 oktober 2017.

1.4

Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom van
11 september 2017 noch tegen het besluit van 4 oktober 2018 tot gedeeltelijke verlenging van de begunstigingstermijn.

1.5

Op 15 september 2017, 13 oktober 2017 en 14 november 2017 hebben bij appellant hercontroles plaatsgevonden. Tijdens de hercontrole van 15 september 2017 is geconstateerd dat appellant niet tijdig heeft voldaan aan de maatregelen 2, 3, 5 en 6. Tijdens de hercontrole van 13 oktober 2017 is geconstateerd dat appellant niet tijdig heeft voldaan aan de maatregelen 2, 3, 8 en 9. Tijdens de hercontrole van 14 november 2017 is geconstateerd dat appellant ten aanzien van de maatregelen 1, 2, 3, 6, 8 en 9 niet tijdig aan de last heeft voldaan.

1.6

Naar aanleiding hiervan heeft verweerder met primair besluit I beschikt omtrent de invordering van een dwangsom van € 19.750,-. Tevens heeft verweerder met primair besluit II aan appellant een last onder bestuursdwang ter voorkoming van herhaling opgelegd. Met deze last zijn aan appellant veertien maatregelen opgelegd en de last is gedurende een jaar van toepassing.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen primair besluit I gegrond verklaard en de hoogte van de dwangsom vastgesteld op € 18.500,-. Het bezwaar van appellant tegen primair besluit II heeft verweerder ongegrond verklaard. Verweerder wijst hiertoe op de bevindingen van de controles die op 17 en 19 januari 2018 bij appellant hebben plaatsgevonden.

3. Appellant voert aan dat de hoogte van de dwangsommen niet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. De geconstateerde overtredingen acht appellant beperkt van omvang en aard. Volgens appellant is daarnaast sprake van bijzondere omstandigheden, gezien de situatie waarin hij verkeert. Appellant wijst er op dat de kosten voor herstel ruim € 20.000,-- waren en deze kosten samen met de verbeurde dwangsommen zodanig hoog zijn, dat een bedrijfseconomisch gezonde bedrijfsvoering niet meer mogelijk is. Daarnaast hebben de NVWA-inspecteurs onzorgvuldig gehandeld, nu deze appellant hadden moeten zeggen dat hij zijn bedrijf moet beëindigen in plaats van bij elke controle nieuwe punten van herstel op te leggen, aldus appellant.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het niet op de weg van de NVWA-inspecteurs ligt om aan te geven dat appellant zijn bedrijf moet beëindigen, nu het aan appellant zelf is om een middel te kiezen dat leidt tot opheffing van de overtreding. De hoogte van de dwangsom staat volgens verweerder vast, nu appellant niet is opgekomen tegen de last onder dwangsom van 11 september 2017. De persoonlijke omstandigheden van appellant geven verweerder geen reden om van de invordering van de dwangsom af te zien en vormen evenmin aanleiding om de last onder dwangsom te herzien, aldus verweerder.

5. Artikel 5:32b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt:

“1. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.

2. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.

3. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom.”

6.1

Het College stelt vast dat de door appellant naar voren gebrachte beroepsgronden zich enkel richten tegen het, onder geringe verlaging van het in te vorderen bedrag, handhaven van primair besluit I. Dit betekent dat alleen de invordering van € 18.500,-- zal worden beoordeeld door het College en primair besluit II buiten beschouwing wordt gelaten.

6.2

Het beroep van appellant richt zich tegen de hoogte van de dwangsommen. De hoogte van de dwangsommen is vastgelegd in het besluit waarbij de last is opgelegd. Dit besluit is in rechte onaantastbaar en hier niet aan de orde. Een belanghebbende kan in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden (vgl. uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466). Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is.

6.3

Het College ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een dergelijk uitzonderlijk geval. Appellant heeft de geconstateerde overtredingen die ten grondslag liggen aan primair besluit I niet betwist. Evenmin is betwist dat hij de dwangsommen heeft verbeurd omdat hij niet tijdig aan de last heeft voldaan. Het door appellant ingenomen standpunt dat de betreffende NVWA-inspecteur(s) hadden moeten aangeven dat hij zijn bedrijf diende te beëindigen, waarmee hij kennelijk bedoelt dat hij verbeurte van dwangsommen had kunnen voorkomen, volgt het College niet. Het ligt op de weg van appellant om de geconstateerde overtredingen te herstellen op een wijze die hem gerade voorkomt. Het is ook zijn eigen keuze geweest om zijn bedrijf voort te zetten. Appellant was en is nog steeds, al is hij inmiddels wel zijn bedrijf aan het afbouwen, een professionele ondernemer. Het komt voor zijn eigen rekening dat hij de gebreken aan de huisvesting waarop de last betrekking had niet op tijd heeft laten herstellen. In de omstandigheid dat appellant naast de kosten van herstel, ongeveer € 20.000,-- , ook nog eens de verbeurde dwangsommen heeft moeten betalen, waardoor de totale kosten voor zijn bedrijf vanwege de gebleken gebreken bijna zijn verdubbeld, ziet het College daarom evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder van invordering had behoren af te zien.

6.4

Voor zover appellant nog heeft betoogd dat de verbeurde dwangsommen diende te worden gematigd gelet op zijn financiële bedrijfsvoering, overweegt het College dat appellant dit niet heeft onderbouwd met enig inzicht in de financiële situatie van zijn bedrijf. Daarnaast is ter zitting gebleken dat appellant de verbeurde dwangsommen reeds heeft betaald. Hij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijf de verbeurde dwangsommen financieel niet kan dragen. Verweerder behoefde dan ook geen aanleiding te zien om te matigen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2019.

w.g. J.L. Verbeek w.g. A. Verhoeven